Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8563

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01745/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8563
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 433
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01745/99

Mr Machielse

Zitting: 10 oktober 2000

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij vonnis van 2 april 1998 is verzoeker door de arrondissementsrechtbank te Zwolle vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.

2. Beroep in cassatie is (uitsluitend) ingesteld door de officier van justitie.

3. Ambtshalve stel ik het volgende aan de orde. Bij de stukken van het geding bevinden zich een akte van cassatie en een schriftuur van de officier van justitie, houdende één middel van cassatie. Blijkens die akte heeft de officier van justitie op 16 april 1998 verklaard beroep in cassatie in te stellen. Bedoelde schriftuur, gedateerd 9 juli 1998, is blijkens het daarop aangebrachte stempel op 10 juli 1998 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Bij de stukken bevindt zich geen andere (kopie van een) schriftuur. De stukken van het geding zijn blijkens het daarop geplaatste stempel op 26 november 1999 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. De vraag rijst derhalve - mede met het oog op de nieuwe strafvorderlijke bepalingen betreffende het beroep in cassatie en het toepasselijke overgangsrecht op dat punt (Stb. 1998, 591) - of de officier van justitie in zijn beroep kan worden ontvangen. Ik ben op grond van het volgende van oordeel dat zulks niet het geval is.

3.1. De te dezen relevante wettelijke bepalingen houden het volgende in:

(i) Art. 433, eerste lid, (oud) Sv luidde als volgt:

Het openbaar ministerie is, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verplicht, binnen een maand nadat hij beroep in cassatie heeft ingesteld, op de griffie van zijn gerecht eene schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie.

(ii) In art. 437, eerste lid, (Stb. 1998, 591; datum inwerkingtreding 1 juni 1999) Sv - weergegeven in het kader van artikel I, onderdeel A - is het volgende bepaald:

Indien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, is het op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht binnen een maand nadat de in het eerste lid van artikel 435 bedoelde aanzegging aan het openbaar ministerie is verzonden bij de Hoge Raad een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie.

(iii) De overgangsrechtelijke bepaling van onder meer art. 437 Sv is neergelegd in art. VII, inhoudende:

Artikel I, onderdeel A, C en E, is behoudens de artikelen 438, 440 en 443 niet van toepassing op zaken waarin op het moment van inwerkingtreding van deze wet de stukken van het geding reeds bij de griffier van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Op deze zaken worden de voor het moment van inwerkingtreding geldende bepalingen toegepast.

3.2. Uit het hiervoor weergegeven overgangsrecht zou - toegespitst op de onderhavige zaak - kunnen worden opgemaakt dat op de onderhavige zaak, nu deze als gezegd op 26 november 1999, dus na de datum van inwerkingtreding van de nieuwe wet op 1 juni 1999, ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen, het regiem van de nieuwe strafvorderlijke cassatieprocedurele bepalingen van toepassing zijn. Ik moet er evenwel op wijzen dat dit te dezen niet het geval is. Civielrechtelijk uitgedrukt: omdat sprake is van rechtsverwerking vóór de datum van inwerkingtreding van de wet van Stb. 1998, 591.(1) Het recht op het beroep in cassatie dat het openbaar ministerie te dezen heeft verloren door de schriftuur - niet door omstandigheden gerechtvaardigd(2) - niet tijdig in te dienen, nog daargelaten dat dit in casu ook niet bij het juiste gerecht is gebeurd, kán nu eenmaal niet meer herrijzen. De termijnen waaraan het indienen van rechtsmiddelen is gebonden zijn van openbare orde. Ook het gegeven dat vanwege de griffie van de Hoge Raad in deze tengevolge van een kennelijke vergissing een aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv aan de officier van justitie is uitgegaan, kan hierin geen verandering brengen en doet een eenmaal afgelopen termijn niet herleven.(3)

3.3. Zou Uw Raad moeite hebben met de onderhavige civielrechtelijke benadering rond "rechtsverwerking" dan behoren wat omslachtiger benaderingen van de onderhavige kwestie eveneens tot de mogelijkheden. Er is immers ook veel voor te zeggen dat de hiervoor weergegeven overgangswetgeving, nu daarin abusievelijk geen afwijkende bepaling van de OM-cassatie is terug te vinden, op dat punt als een kennelijke misslag moet worden beschouwd.(4) Maar ook een redelijke wetsuitleg van de desbetreffende overgangsbepaling, waardoor deze - ten aanzien van cassatieberoep van het openbaar ministerie - uitsluitend nog betrekking heeft op ontvankelijke beroepen, behoort tot de mogelijkheden.

4. Deze conclusie strekt ertoe dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in diens cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie de conclusies van A-G Van Dorst vóór HR NJ 1998, 34 en 1998, 24, alsmede - in het bijzonder - diens conclusie vóór 1995, 176.

2 Vgl. HR NJ 1994, 693; 1993, 718 en 1985, 841.

3 Vgl. HR NJ 1995, 500; HR NJ 1997, 10; HR NJ 1999, 788.

4 Vgl. HR NJ 1998, 834; 1998, 779 en 1991, 613.