Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8463

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00868/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8463
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00868/99 mr N. Keijzer zitting 3 oktober 2000 conclusie inzake R.J.J. Wind Edelhoogachtbaar College, 1. Bij uitspraak van 14 juli 1998 heeft het Gerechtshof te Arnhem de verdachte, ter zake van 1. het medeplegen van opzetheling, 3. het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, en 4. het medeplegen van opzettelijk bankbiljetten waarvan de valsheid of vervalsing hem toen hij ze ontving bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad te hebben, meermalen gepleegd, veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. 1. Tegen deze uitspraak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld. Deze zaak hangt samen met de zaken die bij Uw Raad bekend zijn onder de griffienummers 00864/99 en 00862/99 P, waarin ik heden eveneens conclusie neem. 2. Namens de verdachte hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld. 3. Het eerste middel klaagt over schending van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR, op de grond dat reeds het tijdsverloop tussen het instellen van het beroep in cassatie en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad - ruim twaalf maanden - zodanig lang is dat de berechting niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. 4. Blijkens de cassatieakte is het cassatieberoep op 16 juli 1998 ingesteld. Uit een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel blijkt dat de stukken op 27 juli 1999 ter griffie van de Hoge Raad zijn ingekomen. Derhalve zijn tussen de datum waarop het beroep in cassatie is ingesteld en de ontvangst van de stukken door de Hoge Raad ruim twaalf maanden verstreken. Naar Uw Raad heeft geoordeeld in HR 26 januari 1999, NJ 1999, 326 is "op dit moment" uitgangspunt dat tussen het instellen van het cassatieberoep en de aankomst van de stukken bij de Hoge Raad niet meer dan acht maanden mogen verstrijken en zal, indien wordt geklaagd over overschrijding van die termijn, in het algemeen het oordeel volgen dat de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM is overschreden. Voorts heeft de eerste behandeling van de zaak door de Hoge Raad plaatsgehad op 27 juni 2000, waardoor de behandeling door de Hoge Raad ruim 23 maanden na het instellen van het cassatieberoep heeft plaats gevonden. Er blijkt niet van bijzondere omstandigheden die dit tijds verloop zouden kunnen rechtvaardigen. Al met al is hier sprake van een ernstige overschrijding van wat als een redelijke termijn van berechting kan worden aangemerkt. Voorzover het middel erover klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in de cassatiefase is geschonden, is het dus terecht voorgesteld. 5. De vraag die zich nu opwerpt is welk gevolg hieraan moet worden verbonden. <? 00868/99 > 6. Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM dient volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, behoudens bijzondere gevallen, tot strafvermindering te leiden.<(1) HR 16 december 1997, NJ 1998, 811 m.nt. Kn (in NJ 1998, 812); HR 23 februari 1999, NJ 1999, 345; HR 11 januari 2000, NJ 2000, 227. > In casu doen zich mijns inziens geen gronden voor die nopen tot het oordeel dat zich een bijzonder geval als evenbedoeld voordoet en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM behoudt bij normhandhaving door berechting, in aanmerking genomen de ernst van de door bewezenverklaarde feiten,<(2) Uw Raad heeft de ernst van de feiten in de afweging betrokken bijvoorbeeld in HR 20 december 1994, NJ 1995, 471. > en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, dient daarom in deze zaak het eerstgenoemde belang te prevaleren. 7. Uw Raad zal de opgelegde straf zelf kunnen verminderen. In het licht van HR 18 januari 2000, NJ 2000, 569 m.nt. JdH - in dat geval waren tussen het instellen van het cassatieberoep en de dag waarop de zaak ter terecht zitting diende ruim 21 maanden verstreken - komt me passend voor dat het onvoorwaardelijk gedeelte (acht maanden) van de opgelegde gevangenisstraf met ten minste 10% zal worden verminderd. Ik neem echter aan dat de vermindering niet zal leiden tot een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk gedeelte van zes maanden of minder. Het in de toelichting op het middel vervatte aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte kan, gelet op art. 22b Sr, daarom onbesproken blijven. 8. De vraag verdient nog bespreking of vermindering van het bedrag van hetgeen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat dient te worden betaald alsmede van de duur waarop de vervangende hechtenis is bepaald, waartoe ik in cassatiezaak 00862/99/P concludeer, moet meebrengen dat vermindering van de opgelegde gevangenisstraf achterwege blijft, zoals geschiedde bij HR 23 november 1999, NJ 2000, 92 (bij welk arrest Uw Raad had geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting met slechts drie weken was overschreden). In de onderhavige zaak is de verdachte, anders dan in dat geval, veroordeeld voor meer feiten dan dat waarop de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekking heeft. Ook in het licht van HR 23 februari 1999, NJ 1999, 345 - daar wordt van een zodanige consequentie niet gerept - beantwoord ik de vraag ontkennend, in het vermoeden dat het geval berecht bij HR 23 november 1999, NJ 2000, 92, als een uitzondering moet worden beschouwd. 9. Het tweede middel klaagt over motivering van de verwerping door het Hof van de door de verdediging betrokken stelling dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in feitelijke aanleg. 10. De bestreden uitspraak houdt dienaangaande in: "Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat, nu tussen het moment van het instellen van het hoger beroep (24 april 1996) en een brief van de procureur-generaal (27 april 1998) 24 maanden verstreken zijn een onredelijke lange termijn is verstreken zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard althans zulks tot een strafvermindering voor zijn cliënt dient te leiden. Het hof is met de raadsman van oordeel dat een zodanige lange termijn tussen genoemde tijdstippen is verstreken dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, van het EVRM. Het hof is van oordeel dat bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, in het onderhavige geval het eerstgenoemde belang moet prevaleren. Het Hof zal - indien aan alle voorwaarden tot veroordeling van verdachte is voldaan - een lagere straf opleggen dan ingeval er geen sprake zou zijn geweest van overschrijding van evenbedoelde redelijke termijn. Het (primair) gevoerde verweer leidt daarom niet tot niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie." 11. De klacht van het middel is dat het Hof geen inzicht heeft gegeven in de redenen waarom het in casu het belang van berechting groter acht. 12. Toegegeven moet worden dat hier een kale standaardmotivering is toegepast. Bij de beoordeling of deze voldoende is dient in aanmerking te worden genomen dat de consequentie van schending van de redelijke termijn van berechting als regel strafvermindering is, en slechts bij uitzondering niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.<(3) HR 16 december 1997, NJ 1998, 811 m.nt. Kn (in NJ 1998, 812); HR 23 februari 1999, NJ 1999, 345; HR 11 januari 2000, NJ 2000, 227. > Dat brengt mee dat voor een niet-ontvankelijkverklaring nadere motivering vereist is,<(4) HR 11 januari 2000, NJ 2000, 227. > terwijl in het normale geval dat de afweging ten voordele van strafvermindering uitvalt met een standaardmotivering als het Hof in casu heeft gegeven kan worden volstaan.<(5) HR 4 november 1997, NJ 1998, 304; HR 20 oktober 1998, NJ 1999, 52; HR 21 september 1999, NJ 1999, 786; HR 19 oktober 1999, NJ 1999, 833; HR 23 november 1999, NJ 2000, 91. In HR 2 november 1999, NJ 2000, 162, wijst Uw Raad echter wel uitdrukkelijk op "alle omstandigheden, waaronder de ernst van de feiten, de aard en omvang van het onderzoek en het feit dat de zaak in acht instanties is berecht". > 13. Het middel faalt derhalve. 14. Het derde middel heeft betrekking op de bewijsvoering ter zake van feit 1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1. bewezenverklaard dat "hij in de periode van 11 november 1994 tot en met 14 november 1994 te Hengelo (O), tezamen en in vereniging met anderen, een grote hoeveelheid computerspellen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof". 1. Het middel klaagt erover dat het Hof tot bewijs daarvan een proces- verbaal heeft gebezigd dat als verklaring van een zekere K(?) onder meer inhoudt: "Robert Wind wist dat de eventuele te brengen goederen een gestolen partij was. Robert zou wel van de partij af kunnen komen." Aangevoerd wordt dat niet blijkt dat deze mededeling zelf waargenomen feiten en omstandigheden betreft. 2. Het middel gaat er, gelet op art. 342, eerste lid, Sv, terecht van uit dat voor het bewijs geen gebruik mag worden gemaakt van een gissing of veronderstelling of van een aan de rechter voorbehouden conclusie. De aan het middel ten grondslag liggende veronderstelling dat uit de bewijs motivering ook moet blijken dat het medegedeelde niet op een gissing of veronderstelling of aan de rechter voorbehouden conclusie berust, vindt echter geen steun in het recht. 1. Het Hof heeft de geciteerde passage kennelijk en niet onbegrijpelijk - de bewoording sluit dat immers niet uit - opgevat als berustende op waarneming door K(?) van een door Robert Wind gedane mededeling omtrent wat hij wist en kon.<(6) Vgl. HR 2 juni 1987, NJ 1988, 178. > 1. Het middel faalt derhalve. 2. Het vierde middel houdt de klacht in dat het Hof de facto een zwaardere straf heeft opgelegd dan zijdens het openbaar Ministerie is gevorderd, zonder daartoe de redenen te vermelden. 2. Blijkens het zich bij de stukken bevindende document "Vordering ter terechtzitting" heeft ter terechtzitting van het Hof van 30 juni 1998 Procureur-Generaal oplegging gevorderd van gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, waarvan drie voorwaardelijk. Het Hof heeft gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 12 maanden, waarvan vier voorwaardelijk. 1. Het middel faalt derhalve bij gebreke van een feitelijke grondslag. 2. Ambtshalve heb ik geen reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven. Het eerste middel gegrond achtende concludeer dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voor wat betreft de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf, deze duur met ten minste 10% zal verminderen, en het beroep voor het overige zal verwerpen. 3. Voor de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Waarnemend Advocaat-Generaal