Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8454

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2000
Datum publicatie
24-01-2003
Zaaknummer
r99/106
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8454
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet houdende nieuwe regeling terugvordering en verhaal van kosten van bijstand X
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 584
JWB 2000/220
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekest R99/106 mr De Vries Lentsch - Kostense

Parket 1 september 2000 Conclusie inzake

[verzoeker]

tegen

de gemeente Roosendaal

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1.1 In deze zaak, waarin thans verweerster in cassatie, de Gemeente, van thans verzoeker tot cassatie,[…] , kosten van bijstand terugvordert, gaat het in cassatie uitsluitend om de vraag of de Rechtbank [verzoeker] terecht wegens overschrijding van de appèltermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep.

2. De tussen- en de eindbeschikking van de Kantonrechter waarvan [verzoeker] hoger beroep heeft ingesteld, betreffen twee zelfstandige verzoeken van de Gemeente; de zaken zijn gevoegd behandeld. In de eerste zaak (door de Kantonrechter aangeduid als zaak A) is het verzoekschrift ter griffie ingediend op 14 juli 1994; het verzoek betreft de terugvordering van [verzoeker] (en diens - inmiddels gewezen - echtgenote) van gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van f 3.118,19. In de tweede zaak (door de Kantonrechter aangeduid als zaak B) is het verzoekschrift ter griffie ingediend op 19 juni 1995; dit verzoek betreft terugvordering van gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van 59.057,16.

3. De eindbeschikking, waarbij beide verzoeken van de Gemeente door de Kantonrechter werden toegewezen, dateert van 14 juli 1998. In die eindbeschikking wordt in de aanhef vermeld dat [verzoeker] "thans" zonder bekende woon- of verblijfplaats is.

4. Het beroepschrift van [verzoeker] is op 2 september 1998 ter griffie van de Rechtbank ingekomen. De Gemeente heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld in Raadkamer van 5 maart 1999.

De Rechtbank heeft [verzoeker] ambtshalve niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Zij stelde daarbij het volgende voorop: nu de datum waarop de inleidende verzoekschriften zijn ingediend beslissend is voor het antwoord op de vraag welke procesregels van toepassing zijn op de terugvordering in rechte van kosten van bijstand en nu vaststaat dat de inleidende verzoekschriften zijn ingediend vóór 1 januari 1996, zijn in de onderhavige zaak van toepassing de in art. X van de Wet van 15 april 1992 (Stb. 193) aangewezen procesregels, waaronder de in art. 66 lid 1 (oud) ABW neergelegde regel dat de beroepstermijn vier weken na de dag van verzending van het afschrift van de beroepen beschikking door de griffier bedraagt. Daarop overwoog de Rechtbank:

"Vast staat verder, dat het afschrift van de bestreden beschikking van de kantonrechter door de griffier van het kantongerecht op danwel vóór 31 juli 1998 moet zijn verzonden, nu [verzoeker] immers te kennen heeft gegeven dat een afschrift van de beschikking hem door de sector Welzijn van de gemeente bij brief van 31 juli 1998 is toegezonden.

Nu het beroepschrift van [verzoeker] eerst op 2 september 1998 ter griffie van deze rechtbank is ingekomen, is [verzoeker] dus niet binnen de termijn van artikel 66 lid 1 (oud) ABW in beroep gekomen.

De rechtbank dient hem mitsdien in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren."

5. [verzoeker] heeft tijdig (immers: binnen de termijn van 8 weken van de te dezen toepasselijke artt. 66 (oud) ABW juncto art. 426 leden 2 en 3 Rv.) cassatieberoep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring; de Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend. Bij het cassatieverzoekschrift is gevoegd een brief van de griffier van het Kantongerecht inhoudende dat de eindbeschikking (bij gebreke van een bekende woon- of verblijfplaats van [verzoeker]) niet in afschrift aan [verzoeker] is verzonden. Deze brief behoort niet tot de stukken van het geding; ik volsta hier met een verwijzing naar Veegens-Korthals Altes-Groen (1989), nr. 145 en 160.

De cassatiemiddelen

6. Middel I bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat in de onderhavige zaak van toepassing zijn de in art. X van de Wet van 15 april 1992 (Stb. 193) aangewezen procesregels, waaronder art. 66 lid 1 (oud) ABW. In dit verband wordt aangevoerd dat art. X immers met ingang van 1 januari 1996 is vervallen.

7. Dit middel faalt. De datum waarop het inleidend verzoekschrift is ingediend is beslissend voor het antwoord op de vraag welke regels van procesrecht van toepassing zijn op de terugvordering in rechte van kosten van bijstand. (Dit uitgangspunt behoeft uitsluitend nuancering indien het verzoekschrift is ingediend ná de inwerkingtreding op 1 juli 1997 van de wijziging van de nieuwe Algemene Bijstandswet (Abw) bij de Wet van 25 april 1996, Stb. 248 (Wet Boeten); zie de conclusie van mijn ambtgenoot Strikwerda voor Uw beschikking van 19 mei 2000, R99/144 (JOL 2000, 293, niet gepubliceerd in de RvdW), in welke beschikking Uw Raad het cassatieberoep met toepassing van art. 101a RO verwierp.) Nu de verzoekschriften vóór 1 januari 1996 zijn ingediend, zijn derhalve de in art. X van de Wet van 15 april 1992 (Stb. 1993) aangewezen procesregels van toepassing gebleven, waaronder de in art. 66 lid 1 (oud) ABW neergelegde regel dat de beroepstermijn vier weken bedraagt. Anders dan het middel betoogt, doet hieraan niet af dat art. X inmiddels is ingetrokken. Het gewraakte oordeel van de Rechtbank is derhalve juist. Ik volsta hier met een verwijzing naar Uw beschikkingen van 12 juni 1998, NJ 1998, 643 en van 12 februari 1999, NJ 1999, 343.

8. De middelen II en III komen op tegen de hiervoor geciteerde overweging van de Rechtbank inhoudende dat het afschrift van de bestreden beschikking van de Kantonrechter door de griffier van het Kantongerecht op dan wel vóór 31 juli 1998 moet zijn verzonden nu [verzoeker] immers te kennen heeft gegeven dat een afschrift van de beschikking hem door de sector Welzijn van de gemeente bij brief van 31 juli 1998 is toegezonden. De middelen strekken ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat een afschrift van de beschikking door de griffier van het Kantongerecht op dan wel vóór 31 juli 1998 aan [verzoeker] moet zijn verzonden, dat de Rechtbank kennelijk en ten onrechte de toezending aan de Sociale Dienst van de Gemeente beschouwt als toezending aan [verzoeker] zelf, althans dat de Rechtbank niet in het midden had mogen laten of de beschikking ook aan [verzoeker] zelf is toegezonden.

9. Dit betoog slaagt. Zoals hiervoor aangegeven, is de Rechtbank terecht uitgegaan van de toepasselijkheid van art. 66 lid 1 (oud) ABW. Dit artikellid bepaalt dat hoger beroep openstaat binnen vier weken na de dag van verzending van het schrijven bedoeld in het te dezen eveneens van toepassing gebleven art. 67 lid 1 (oud) ABW. De beroepstermijn vangt derhalve pas aan op de dag na verzending door de griffier van een afschrift van de beroepen beschikking aan het verhalend lichaam en aan degene op wie verhaal wordt uitgeoefend. Heeft laatstgenoemde geen bekende woon- of verblijfplaats, dan moet voor toepassing van art. 66 lid 1 met "de dag van verzending van het schrijven, bedoeld bij het eerste lid van art. 67" worden gelijkgesteld de dag waarop de rechterlijke beschikking op de door de rechter met toepassing van art. 3 Besluit oproepingen, mededelingen en zendingen verzoekschriftprocedure bepaalde wijze ter kennis is gebracht van hem op wie verhaal wordt uitgeoefend. Zie Uw beschikking van 21 december 1990, NJ 1991, 234; zie voorts over de motiveringsplicht van de rechter Uw beschikking van 12 april 1991, NJ 1992, 215, m.nt. HJS.

Noch uit de bestreden beschikking noch uit de gedingstukken blijkt dat de griffier enige poging heeft gedaan al dan niet met toepassing van het Besluit oproepingen aan [verzoeker] (de belanghebbende op wie verhaal wordt uitgeoefend) een afschrift van de beroepen beschikking toe te zenden. Uit de door het middel bestreden overweging volgt veeleer dat de Rechtbank voetstoots ervan is uitgegaan dat de beroepen beschikking ook in afschrift aan [verzoeker] zal zijn toegezonden nu vaststaat dat aan de Gemeente een afschrift is verzonden. Wellicht heeft de Rechtbank gemeend dat de beroepstermijn ook kan gaan lopen indien anders dan door toezending door de griffier is kennisgenomen van de beschikking, daarmee dan miskennend dat de beroepstermijn voor de appellant pas gaat lopen nadat toezending aan hem heeft plaatsgevonden en niet "in ieder geval" op het moment waarop hij anderszins kennis neemt van de beschikking van de Kantonrechter. (Ik verwijs naar Uw hiervoor reeds genoemde beschikking van 12 februari 1999, NJ 1999, 343 met conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer die ook nog ingaat op de gebrekkige verzending.)

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe beoordeling van de ontvankelijkheid van [verzoeker] in het door hem ingestelde hoger beroep en, zo [verzoeker] in zijn beroep ontvankelijk mocht blijken, voor een beoordeling van de door hem aangevoerde grieven.

10. Middel IV klaagt dat de Rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door ambtshalve de ontvankelijkheid van [verzoeker] te onderzoeken.

11. Dit middel miskent dat de appèltermijn van openbare orde is, zodat de Rechtbank terecht ambtshalve heeft onderzocht of [verzoeker]s beroepschrift tijdig is ingediend. Zie Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1998, nr. 176; zie ook Uw beschikking 24 maart 1995, NJ 1995, 348.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking met verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden.