Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8449

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R99/178
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Huurprijzenwet woonruimte 27
Huurprijzenwet woonruimte 28
Wet op de rechterlijke organisatie 100
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 426
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 429n
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2000/216
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R 99/178 mr. Wesseling-van Gent

Parket, 30 juni 2000 Conclusie inzake:

Ennovision International B.V.

tegen

[verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1 Feiten1 en procesverloop

1.1 Verweerder in cassatie, […], heeft op 18 mei 1999 een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter te Utrecht strekkende tot vaststelling van de huurprijs van de woonruimte gelegen aan het [adres] te [woonplaats] op ƒ 9.000,- per maand met ingang van 1 juli 1998. Hij heeft daartoe gesteld dat hij het niet eens is met de uitspraak van de huurcommissie van 16 februari 1999 die tot het oordeel was gekomen dat de laatst overeengekomen huurprijs van ƒ 4.148,80 per maand redelijk is.

1.2 Verzoekster tot cassatie, Ennovision, heeft een verweerschrift ingediend en heeft in (voorwaardelijke) reconventie verzocht de huurprijs vast te stellen op ƒ 2.216,90.

1.3 Bij tussenbeschikking van 16 augustus 1999 heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich binnen vier weken na datum uitspraak uit te laten omtrent de te benoemen deskundige of deskundigen en heeft voorts iedere verdere beslissing aangehouden.

1.4 Tegen deze beschikking heeft Ennovision cassatieberoep ingesteld.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend, waarop Ennovision heeft gereageerd.

2 Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1 Hoewel de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure op de art. 27 en 28 Huurprijzenwet woonruimte (HPW) van toepassing is verklaard2, bepaalt artikel 28 lid 3 in afwijking van art. 429n Rv. inzake appel en art. 426 Rv. voor cassatie dat tegen beschikkingen van de kantonrechter geen hoger beroep en cassatie openstaat.

2.2 De strekking van dit rechtsmiddelenverbod is iedere discussie uit te sluiten over de wijze waarop de rechter van zijn aan die artikelen ontleende bevoegdheid heeft gebruik gemaakt3.

Een hogere voorziening is slechts toegelaten voorzover erover wordt geklaagd dat de

kantonrechter de art. 27 en 28 ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel ten onrechte heeft toegepast of met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast4.

2.3 Het middel, dat drie onderdelen en verschillende subonderdelen bevat, richt zich, met

het oog op art. 100 RO, uitsluitend tegen de motivering van de tussenbeschikking van de kantonrechter en bevat geen van de hierboven genoemde doorbrekingsgronden.

Een dergelijke grond ligt ook niet in het middel besloten5.

Het is vaste rechtspraak dat een beroep op motiveringsgebreken onvoldoende is om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken6.

2.4 Volgens Ennovision staat wel cassatieberoep open tegen niet appellabele tussenbeschikkingen en geldt art. 28 HPW voorts niet voor tussenbeschikkingen.

Ik meen dat deze visie onjuist is. Als een eindbeschikking om de hiervoor genoemde reden noch in appel noch in cassatie kan worden getoetst, dan geldt een dergelijk verbod a fortiori voor een tussenbeschikking. Verdedigd kan worden dat bij een non-appellabele eindbeschikking de tussenbeschikking afzonderlijk cassabel is, maar dat is hier niet aan de orde omdat ook cassatieberoep uitdrukkelijk uitgesloten is7.

2.5 Nu ik meen dat Ennovision niet ontvankelijk is, kom ik aan een inhoudelijke bespreking van de klachten niet toe.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan de beschikking van de kantonrechter te Utrecht van 16 augustus 1999.

2 Burgerlijke Rechtsvordering, Doek, Boek I, titel 12 (art. 429a-429t), aant. 68.

3 S. Boekman, De verzoekschriftprocedure, blz. 44; Handboek Huurrecht, Rueb, art. 28 HPW, aant. 10 verwijst in dit verband naar de parlementaire geschiedenis van art. 7:685 BW waar wordt gesproken over het voorkomen dat discussie als gevolg van een hogere voorziening voortduurt; zie ook HR 12 maart 1982, NJ 1983, 181. In de parlementaire geschiedenis tot HPW wordt art. 28 lid 3 niet toegelicht.

4 Zie in dit verband onder meer: HR 13 maart 1987, NJ 1987, 1017; HR 15 november 1991, NJ 1992, 119; HR 18 februari 1994, NJ 1994, 742 m.nt. HJS; HR 25 april 1997, NJ 1997, 512; I.F. Dam, Doorbreking van wettelijke appel- en cassatieverboden, TCR 1994, p. 25-29; Dozy/Jacobs, Hoofdstukken huurrecht, 1999, p. 490-491.

5 Ik lees de stelling dat essentiële vormen zijn verzuimd, te weten hoor en wederhoor, ook niet in 2.4 en 2.5 van het verzoekschrift tot cassatie.

6 Zie HR 15 oktober 1993, NJ 1994, 64 en HR 4 maart 1988, NJ 1989, 4 m.nt. WHH.

7 Boekman, a.w., blz. 58; Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 429n, aant. 26.