Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8408

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00860/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8408
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 339
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 592
NJ 2001, 48
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 00860/99/E

Conclusie inzake:

Zitting 19 september 2000

[verzoekster=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoekster is door de economische politierechter in de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch bij vonnis van 11 januari 1999 ter zake van “overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 60, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren” veroordeeld tot een geldboete van ƒ 500,-. Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 00859/99/E waarin ik heden eveneens concludeer.

2. Namens verzoekster heeft mr M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld

3. Het middel klaagt erover dat de bewezenverklaring steunt op slechts één verklaring die niet afkomstig is van een opsporingsambtenaar.

4. Ten laste van verzoekster is bewezenverklaard dat zij:

“als vervoer[st]er op 30 juni 1997 in de gemeente Sint-Oedenrode en/of Helmond, een varken, zijnde een dier van een soort en/of categorie als bedoeld in artikel 60, eerste lid van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, heeft vervoerd, zonder inachtneming van het ten aanzien van vervoer van die soort en/of categorie van dieren bij of krachtens het Besluit dierenvervoer 1994 bepaalde, immers heeft zij toen daar, in die hoedanigheid, een varken (afkomstig van [eigenaar]) dat ziek en/of gewond was (met symptomen kyphose, zeer mager, arthritis rechtsachter) ten vervoer aangenomen en/of vervoerd terwijl het betrof een meer dan licht ziek en/of meer dan licht gewond dier, waarvoor het vervoer onnodig lijden tot gevolg had.”

5. Het aantekening mondeling vonnis houdt in dat de bewezenverklaring berust op “de inhoud van voormelde procesdossiers, voorzover hiervoor is weergegeven.” Aldus zijn tot het bewijs gebezigd: (i) Een proces-verbaal dat deel uitmaakt van een dossier van de Algemene Inspectiedienst/Inspectie: Zuid-Nederland, met kenmerk 1847-97-130, afgesloten d.d. 6 januari 1998, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

“Van de zijde van de RVV werd aan de Algemene Inspectiedienst toegezonden een diergeneeskundige verklaring, gedateerd 30 juni 1997, inzake de aanvoer/[het] vervoer van een meer dan licht gewond of meer dan licht ziek varken te Helmond.”

(ii) Een dossier van de Algemene Inspectiedienst/Inspectie: Zuid-Nederland, kenmerk 0086/97/0039, afgesloten d.d. 30 juli 1997, voorzover inhoudende een diergeneeskundige verklaring opgemaakt door de keuringsarts Van der Plaetsen op 30 juni 1997, inhoudende:

“Op 30 juni 1997 heb ik omstreeks 12.00 uur bij Proreco te Helmond een varken, voorzien van het identificatienummer 1715992, aangetroffen. Dit varken was afkomstig van het bedrijf […]/Sint-Oedenrode. De eigenaar was [eigenaar], [adres] te Sint-Oedenrode (verdachte). Dit varken was aangevoerd door [verdachte] te Huissen. Als letsel heb ik bij het varken waargenomen kyphose, zeer mager, rechts achter arthritis ter hoogte van torsus, mank en hersenletselen. Het dier woog circa 8 kg. Er was sprake van een meer dan licht gewond dier. Het letsel is opgetreden voor het vervoer. Voor dit dier heeft het vervoer onnodig lijden tot gevolg gehad.”

6. Voorzover het middel de klacht behelst dat de herkomst van de hiervoor onder 5 sub (ii) bedoelde verklaring niet te achterhalen valt, faalt het. Uit de hiervoor onder 5 sub (i) en (ii) gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, blijkt immers dat de diergeneeskundige verklaring is opgemaakt door de bij de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) werkzame keuringsarts Van der Plaetsen.

7. Nu het hiervoor onder 5 sub (i) tot het bewijs gebezigde relaas slechts iets zegt over de herkomst van de tot het bewijs gebezigde diergeneeskundige verklaring en niets inhoudt dat kan dienen ter ondersteuning van het tenlastegelegde feit, wordt in het middel terecht als uitgangspunt genomen dat de bewezenverklaring slechts op één bewijsmiddel steunt, namelijk de hiervoor onder 5 sub (ii) bedoelde verklaring.

8. Het enkele feit dat de bewezenverklaring slechts steunt op één bewijsmiddel, niet zijnde een proces-verbaal als bedoeld in art. 344, tweede lid, Sv, betekent - anders dan de steller van het middel kennelijk meent - niet zonder meer dat de bewezenverklaring daarom niet toereikend is gemotiveerd. Nijboer heeft weliswaar betoogd dat de bewijsregeling als vervat in de artikelen 338-344a Sv, behoudens voor wat betreft de door de wetgever in art. 344, tweede lid, Sv geformuleerde uitzondering, een algemeen beginsel van dubbele bevestiging behelst (zie: Strafrechtelijk bewijsrecht, 3e, p. 86 e.v. en T&C Sv, aant. 4f bij de inleidende opmerkingen over het bewijs), maar uit de derde afdeling van boek II van Titel VI van het Wetboek van Strafvordering inzake het bewijs valt dit mijns inziens niet zonder meer af te leiden. (De - wat Nijboer noemt - minimale optie tast mijns inziens het beginsel in de kern aan.)

9. De wetgever heeft in de artikelen 341, vierde lid, 342, derde lid en 344, eerste lid aanhef en onder 5°, en art. 344a Sv zogenaamde bewijsminimumregels neergelegd: een bewezenverklaring mag niet uitsluitend zijn gebaseerd op de verklaring van de verdachte, een getuigenverklaring of een verklaring van een bedreigde getuige dan wel een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, terwijl andere geschriften alleen tot het bewijs kunnen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Nu een dergelijke restrictie niet is geformuleerd ten aanzien van het gebruik als bewijsmiddel van de eigen waarneming van de rechter ter terechtzitting, ten aanzien van deskundigenverklaringen, rechterlijke beslissingen, geschriften van openbare colleges of ambtenaren en deskundigenverslagen heeft de wetgever aldus de mogelijkheid opengelaten dat de bewezenverklaring kan worden gestoeld op slechts één zo’n bewijsmiddel. Ik teken daarbij direct aan dat het ontbreken van enige restrictie op dit punt er ongetwijfeld in gelegen zal zijn dat het in de praktijk veelal onmogelijk lijkt een bewezenverklaring te kunnen baseren op slechts één van voornoemde typen bewijsmiddelen (vgl. Borst, De bewijsmiddelen in strafzaken, p. 256). Een aardig voorbeeld daarvan is te vinden in de lagere rechtspraak. In rechtbank Rotterdam 24 februari 1982, NJ 1982, 433 werd de verdachte vrijgesproken van het verkopen van ondeugdelijk sherry omdat uit de enige bewijsmiddelen die voorhanden waren, te weten drie deskundigenverslagen van een organoleptische sherryproef, weliswaar bleek dat de sherry ondeugdelijk was, maar niet dat de verdachte de sherry ook had verkocht.

10. De in de wet opgelaten mogelijkheden om de bewezenverklaring op slechts één bewijsmiddel te doen berusten, zijn al met al vooral van theoretische aard. Uiteindelijk leiden zowel de benadering van Nijboer als mijn eigen benadering dan ook tot hetzelfde resultaat, namelijk dat er - behoudens de in art. 344, tweede lid, Sv gemaakte uitzondering - altijd tenminste twee bewijsmiddelen nodig zullen zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

11. Ik keer terug naar de onderhavige casus. Nu de diergeneeskundige verklaring niet inhoudt dat de keuringsarts Van der Plaetsen een bevoegde opsporingsambtenaar is, kan dit stuk niet als proces-verbaal in de zin van art. 344, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv kan worden aangemerkt en komt art. 344, tweede lid, Sv niet voor toepassing in aanmerking. Kennelijk heeft de politierechter die verklaring als een ander soort schriftelijk bescheid tot het bewijs gebezigd. Hij heeft echter verzuimd aan te geven tot welke rubriek schriftelijke bescheiden hij die verklaring rekent.

12. Voorzover in de diergeneeskundige verklaring mededelingen worden gedaan omtrent de aard van het letsel van het varken en het tijdstip waarop dit letsel is ingetreden, en voorzover daarin een antwoord wordt gegeven op de vraag of het vervoer onnodig lijden tot gevolg heeft gehad voor het varken, kan die verklaring worden aangemerkt als deskundigenverslag. In zoverre is immers sprake van een verslag omtrent hetgeen de wetenschap van de keuringsarts hem leert omtrent het aan zijn onderzoek onderworpen varken.

13. Voor het overige, met name voorzover inhoudende dat verzoeker het varken heeft aangevoerd, valt hetgeen in de diergeneeskundige verklaring is gerelateerd onder de rubriek andere geschriften in de zin van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv (vgl. Minkenhof, De Nederlandse strafvordering, 1999, p. 351 en zie HR 31 oktober 1938, NJ 1939, 157 m.nt. T; HR 2 december 1935, NJ 1936, 159 m. nt. T; HR 2 december 1935, NJ 1936, 136 m.nt. T en HR 2 maart 1931, NJ 1931, p. 1049 m.nt. W.P.). Ingevolge die bepaling kan een “ander geschrift” alleen tot het bewijs worden gebezigd in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen. Zoals hiervoor onder 7 reeds is overwogen, is de diergeneeskundige verklaring echter het enige inhoudelijke bewijsmiddel dat door de politierechter tot het bewijs van het tenlastegelegde feit is gebezigd, zodat de bewijsminimumregel van art. 344, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv niet in acht is genomen en de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

14. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, Economische Kamer, opdat de zaak op de inleidende dagvaarding opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG