Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8369

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C98/273HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 68a
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 69
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 74
Wet op de rechterlijke organisatie 39
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 5
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 140
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 569
NJ 2001, 596 met annotatie van W.D.H. Asser
RvdW 2000, 230
VR 2001, 78
AV&S 2001, p. 24 met annotatie van C.J.M. Klaassen
JWB 2000/214
JAR 2000/261 met annotatie van mr. D.M. Thierry
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C98/273

mr De Vries Lentsch - Kostense

Zitting 14 juli 2000

Conclusie inzake

Nederlandse Unilever Bedrijven B.V.

tegen

[Verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1. In deze zaak heeft [verweerder] bij inleidende dagvaarding van 9 december 1986 op de voet van het destijds nog geldende art. 7A:1638x BW gevorderd Unilever te veroordelen tot materiële en immateriële schadevergoeding nader op te maken bij staat. Hoewel de zaak op grond van art. 39 aanhef en sub 2 Wet RO tot de absolute competentie van de kantonrechter behoort, heeft [verweerder] de rechtbank Rotterdam geadiëerd, die de zaak op de voet van art. 157 Rv. aan zich heeft gehouden en in hoogste ressort behandeld, zodat nog slechts cassatieberoep openstaat.

2. Vaststaat dat [verweerder], afgestudeerd aan de TH Delft in de richting Chemische Technologie, in 1964 in dienst is getreden bij (de rechtsvoorgangster van) Unilever; hij verrichtte daar researchwerkzaamheden, aanvankelijk op de afdeling Margarine Processing, vanaf 1969 op de afdeling Rheologie en tot slot op de sectie Porous Structures vanaf juli of augustus 1975 tot 24 augustus 1984. Tevens staat vast dat [verweerder] gedurende de laatste jaren dat hij werkzaam was bij Unilever, diverse malen ziek is geweest. In 1980 betroffen dat korte perioden (in januari, februari en juni) en langere perioden (in juni en december). In 1981 was [verweerder] in totaal vijf maanden geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt. In 1982 was [verweerder] in januari enkele dagen ziek, waarop een ziekteproces volgde van maart tot eind juli (al dan niet met een korte onderbreking), waarna hij tot half november gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. In 1983 is [verweerder] wegens ziekte gedurende een aaneengesloten periode van vier maanden afwezig geweest. Op 24 augustus 1984 is [verweerder] in het ziekenhuis opgenomen. Nadien is hij bij Unilever niet meer werkzaam geweest. Sinds augustus 1985 heeft hij een volledige WAO-uitkering.

Tussen partijen is voorts in confesso dat [verweerder] in de tachtiger jaren diverse medische onderzoeken en een drietal neusoperaties heeft ondergaan. Zo is hij in behandeling (geweest) bij en/of onderzocht door dertien artsen (bij name genoemd in rechtsoverweging 2.3 van het bestreden vonnis). De Rechtbank heeft in cassatie onbestreden vastgesteld dat enkelen van hen een (mogelijk) verband leggen tussen de aandoeningen van [verweerder] en de door hem verrichte werkzaamheden en voorts dat uit de medische literatuur aandoeningen bekend zijn als gevolg van het omgaan met oplosmiddelen en nikkel(zouten).

3. Aan zijn vordering heeft [verweerder] het volgende ten grondslag gelegd (ik citeer de in cassatie niet bestreden rechtsoverweging 3.1 van het vonnis):

"Aan zijn vordering legt [verweerder] ten grondslag dat hij sinds eind 1978 een chronisch ziektebeeld heeft ontwikkeld door het omgaan met stoffen en materialen die hij bij zijn werkzaamheden in opdracht van Unilever diende te gebruiken, met name chemicaliën en oplosmiddelen. Volgens hem is einde 1984 door de behandelend medici geconstateerd dat zijn ziektebeeld te wijten is aan sensitizatie door metaalzouten die in de omgeving van [verweerder] aanwezig waren en bewerkt werden. Eveneens is geconstateerd, aldus [verweerder], dat de bijkomende symptomen veroorzaakt waren door inwerking van oplosmiddelen en scheikundige stoffen, waarmee door [verweerder] en in zijn omgeving gewerkt werd.

Ter staving van zijn stelling dat zijn aandoeningen zijn veroorzaakt door de stoffen, waarmee hij bij Unilever gewerkt heeft, verwijst [verweerder] naar de rapporten van medici die hem hebben onderzocht/behandeld en naar de medische literatuur.

Verder stelt [verweerder] dat Unilever de verplichting had om te voorkomen dat [verweerder] als gevolg van de werkomstandigheden ziek zou worden en dat Unilever deze zorgplicht heeft geschonden. Hij acht het nalatig van Unilever dat deze hem niet medisch heeft onderzocht of gecontroleerd, dat Unilever geen veiligheidsmaatregelen heeft genomen, dat Unilever het personeel onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevaren die aan het omgaan van met name nikkel zijn verbonden en dat het veiligheidsbeleid van Unilever niet duidelijk en niet consistent is."

4. Unilever heeft de vordering van [verweerder] bestreden en heeft - aldus de Rechtbank in rechtsoverweging 3.2 - gesteld dat [verweerder] zijn aandoeningen, de aan Unilever gerichte verwijten en de causaliteit tussen de aandoeningen en de werkomstandigheden nauwelijks concretiseert. Ook de causaliteit tussen het ontbreken van voorzorgsmaatregelen aan de zijde van Unilever en de aandoeningen wordt volgens Unilever door [verweerder] onvoldoende concreet gemaakt terwijl [verweerder] overigens betwist dat zij in haar verplichtingen jegens [verweerder] is tekortgeschoten. Unilever heeft betoogd dat het op de weg van [verweerder] ligt zijn stellingen nader te concretiseren en zij heeft verzocht [verweerder] te belasten met de bewijslast van de causaliteit tussen de verschillende aandoeningen van [verweerder] en de stoffen waarmee op het laboratorium werd gewerkt. Zie met name de dupliek van Unilever waar onder nr. 43 "suggesties" worden gedaan voor de aan de stelplicht te stellen eisen. Overigens betwist Unilever, aldus de Rechtbank aan het slot van rechtsoverweging 3.2, dat [verweerder] op zijn werk met nikkel(zouten) heeft gewerkt. Daarmee bedoelt de Rechtbank kennelijk aan te geven dat Unilever betwist dat [verweerder] zelf met nikkel werkte. Unilever heeft immers gesteld (zie met name haar pleitnota onder nr. 9) dat "[...] onduidelijk is of [verweerder] zelf bij Unilever in een relevante periode met nikkel wel werkte, omdat de hoeveelheden nikkel waarmee in de omgeving van [verweerder] werd gewerkt te klein waren om omgevingsgevaarlijk te zijn, omdat het nikkel waarmee werd gewerkt zich niet in de lucht verspreidde [...]", terwijl onder nr. 26 van deze pleitnota wordt betoogd dat de door [verweerder] in productie 42 (op p. 2) genoemde chemische stoffen (waaronder nikkeloxide, nikkelchloride, nikkelsulfaat, met name genoemde oplosmiddelen, en polymeren, en vele andere chemicaliën) thuis horen in een laboratorium als dat van Unilever.

5. Partijen hebben in hun pleitnota's aan de orde gesteld welk recht te dezen van toepassing is nu hangende de procedure - op 1 april 1997 - de nieuwe titel 7.10 BW (arbeidsovereenkomst) in werking is getreden (de pleidooien zijn gehouden op 13 juni 1998 nadat op 14 juni 1991 door Unilever van dupliek was gediend en [verweerder] op 20 mei 1994 een akte uitlating producties had genomen). Volgens [verweerder] is het nieuwe recht en met name het nieuwe art. 7:658 BW van toepassing, volgens Unilever het oude recht en met name art. 7A:1638x BW.

6. De Rechtbank heeft geoordeeld dat in casu het nieuwe recht dient te worden toegepast en heeft in zoverre [verweerder] in het gelijk gesteld. Voor het overige heeft zij echter met Unilever geoordeeld dat [verweerder] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht en heeft zij [verweerder] conform de suggestie van Unilever in de gelegenheid gesteld zijn stellingen nader aan te vullen. De Rechtbank overwoog daartoe als volgt:

"4.2. Mét Unilever is de rechtbank van oordeel dat [verweerder] onvoldoende heeft gesteld om zijn vordering te kunnen staven.

Ter toelichting dient het volgende:

[Verweerder] stelt dat hij bij Unilever met chemicaliën en oplosmiddelen heeft gewerkt en dat in zijn omgeving met die stoffen gewerkt werd, maar hij geeft niet exact aan:

- met welke stoffen hij precies heeft gewerkt dan wel welke stoffen in zijn werkomgeving

voorkwamen (mét chemische formule);

- in welke ruimte(n) hij met die stoffen gewerkt heeft of anderszins in aanraking kwam;

- in welke tijdspanne hij met die stoffen gewerkt heeft of in aanraking is gekomen;

- in welke mate hij aan die stoffen is blootgesteld;

- waarom hij met die stoffen in aanraking kwam voor zover die niet direct met zijn eigen

werkzaamheden te maken hadden.

Verder stelt [verweerder] dat hij door het omgaan met chemicaliën en oplosmiddelen aandoeningen heeft opgelopen, in welk verband hij astma, diverse neusaandoeningen en de kans op kanker noemt. Hij geeft echter niet aan:

- welke aandoeningen hij door welke stoffen opgelopen heeft;

- en hoe groot de mate van waarschijnlijkheid is dat die aan doeningen ook daadwerkelijk door

de mate waarin hij aan die stoffen blootgesteld is geweest, aan die stoffen zijn toe te schrijven.

Voorts stelt [verweerder] dat Unilever in haar zorgplicht jegens hem tekort is geschoten. Indien het oude recht van toepassing geweest zou zijn, zou ook hier hebben gegolden dat [verweerder] zijn stellingen onvoldoende heeft geconcretiseerd. Nu echter het sinds 1 april 1997 geldende recht van toepassing is, ligt deze kwestie anders: indien [verweerder] er in mocht slagen alsnog voldoende te stellen - en zo nodig te bewijzen - dat zijn aandoeningen het gevolg zijn van zijn werkomstandigheden, zal het aan Unilever zijn om feiten te stellen en - zo nodig - te bewijzen waaruit valt af te leiden dat zij jegens [verweerder] aan haar zorgplicht heeft voldaan.

4.3. De rechtbank zal [verweerder] alsnog in de gelegenheid stellen om zijn stellingen aan te vullen, in de zin zoals hierboven onder 4.2 weergegeven. Unilever zal nadien in de gelegenheid zijn om daarop bij antwoord-akte te reageren."

Onder aanhouding van iedere verdere beslissing heeft de Rechtbank de zaak naar de rol verwezen.

7. Unilever heeft tegen het tussenvonnis van de Rechtbank tijdig cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping en op zijn beurt incidenteel beroep ingesteld, waarna Unilever heeft geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht; daarna is nog van repliek gediend.

Ontvankelijkheid van het principaal en het incidenteel beroep.

8. Met zijn klacht tegen het oordeel van de Rechtbank dat in casu het sinds 1 april 1997 geldende recht en met name art. 7:658 BW van toepassing is, komt het principaal cassatieberoep op tegen een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing waaraan de Rechtbank in de verdere procedure gebonden is.

Het incidenteel beroep komt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat [verweerder] onvoldoende heeft gesteld om zijn vordering te kunnen staven. Daarmee komt ook het incidenteel middel naar mijn oordeel op tegen een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing waaraan de Rechtbank in de verdere procedure is gebonden. Ik neem althans aan dat de Rechtbank met haar door het incidenteel middel bestreden oordeel dat [verweerder] onvoldoende heeft gesteld, heeft willen aangeven dat [verweerders] vordering zal worden afgewezen ingeval [verweerder] niet erin slaagt zijn vordering nader te adstrueren in de door de Rechtbank aangegeven zin.

Art. 399 Rv. staat derhalve niet aan de cassatieberoepen in de weg; beide partijen zijn ontvankelijk in haar beroep.

Het principale cassatiemiddel

9. Zoals gezegd komt het principale middel op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de vraag of Unilever aansprakelijk is op grond van schending van de op haar rustende zorgplicht in het onderhavige geding - dat onder vigeur van art. 7A:1639x BW is geëntameerd doch dat zich nog niet in staat van wijzen bevond toen afdeling 7.10 op 1 april 1997 in werking trad - wordt beheerst door het nieuwe art. 7:658 BW. Op het doorwrochte betoog van Unilever behoef ik niet meer in te gaan nu Uw Raad in zijn arrest van 10 december 1999, NJ 2000, 211, m.nt. PAS, dat wil zeggen nadat het principaal cassatieberoep was ingesteld en zelfs nadat was gerepliceerd, heeft geoordeeld dat art. 7:658 leden 1 en 2 onmiddellijke werking toekomt, ook in lopende procedures waarin het geding nog niet in hoogste feitelijke instantie in staat van wijzen verkeert. Uw Raad overwoog daartoe dat met betrekking tot de op 1 april 1997 in werking getreden titel 7.10 BW geen bijzondere overgangsbepalingen zijn vastgesteld en dat ook titel 8 Overgangswet NBW (overgangsbepalingen in verband met boek 7) niet zodanige bijzondere overgangsbepalingen kent zodat de vraag of art. 7A:1638x dan wel art. 7:658 van toepassing is, moet worden beantwoord aan de hand van titel 3 (algemene overgangsbepalingen in verband met de Boeken 3-8) Overgangswet NBW. Uw Raad heeft geoordeeld dat art. 7:658 volgens de hoofdregel van art. 68a lid 1 Overgangswet onmiddellijke werking toekomt nu art. 7:658 leden 1 en 2 met hun wijzigingen ten opzichte van art. 1638x, mede gezien de in de jurisprudentie op dat punt inmiddels ontwikkelde lijn, niet zodanige wijzigingen inhouden dat niet deze hoofdregel doch art. 69 lid 1 aanhef en onder d (eerbiediging van verkregen rechten) zou moeten worden toegepast. Dat leidt tot de slotsom dat de Rechtbank terecht ervan is uitgegaan dat in het onderhavige geding de vraag of Unilever door [verweerder] aansprakelijk kan worden gesteld wegens schending van de op haar rustende zorgplicht en welke stelplicht en bewijslast op ieder der partijen rust, moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in art. 7:658 BW. Art. 74 lid 3 Overgangswet stond niet aan de toepasselijkheid van art. 7:658 in de weg nu het geding bij de Rechtbank, die oordeelde in hoogste ressort, nog niet in staat van wijzen verkeerde toen deze bepaling in werking trad.

Het incidentele cassatiemiddel

10. Het incidentele middel komt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat [verweerder] onvoldoende heeft gesteld om zijn vordering te kunnen staven. Het eerste middelonderdeel stelt vast dat de Rechtbank gezien het slot van rechtsoverweging 4.2 ervan is uitgegaan dat [verweerder] eerst aan zijn stelplicht (en bewijslast) inzake het causale verband tussen de door hem gestelde kwalen en zijn arbeidsomstandigheden bij Unilever moet voldoen alvorens Unilever aan haar stelplicht en bewijslast zou moeten voldoen inzake "de genoegzaamheid" van de door haar terzake getroffen veiligheidsmaatregelen. Geklaagd wordt dat de Rechtbank aldus (dat wil zeggen met deze "volgordelijkheid") miskent dat voor "de veiligheidszorg" van de werkgever geldt dat aan het onvoldoende inachtnemen van deze zorg rechtens ten gunste van de gelaedeerde werknemer het bewijsrechtelijk vermoeden ontleend mag worden dat er voldoende causaal verband bestaat tussen diens schade en de arbeidsomstandigheden, althans indien aannemelijk is dat de kans op die schade door het achterwege blijven van genoegzame veiligheidszorg in rechtens relevante mate is verhoogd.

Het tweede middelonderdeel klaagt dat de Rechtbank (bovendien) te zware eisen heeft gesteld aan de stelplicht (en bewijslast) van [verweerder] met haar eis dat [verweerder] zijn stellingen op de door haar genoemde zeven punten "exact" dient aan te vullen. In de diverse subonderdelen wordt deze klacht met betrekking tot die zeven punten afzonderlijk nader uitgewerkt nadat in middelonderdeel 2a is vooropgesteld dat de eis van "exact"-heid die de Rechtbank hanteert, mede gelet op hetgeen [verweerder] reeds heeft aangevoerd en gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever, niet kan worden gesteld, laat staan dat terzake ook de (volledige) bewijslast op [verweerder] zou rusten. De middelonderdelen 2b-2g betogen - onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken die in de schriftelijke toelichting worden geciteerd - dat de Rechtbank heeft miskend dat [verweerder] op de door de Rechtbank genoemde punten reeds het nodige heeft gesteld/ingebracht en dat het bovendien gaat om zogenaamde "domein-informatie" zodat het veeleer op de weg van Unilever en niet op die van [verweerder] ligt om die informatie in het geding te brengen. Zo wordt betoogd dat [verweerder] reeds een opgave heeft verstrekt van de stoffen waarmee hij heeft gewerkt (akte houdende uitlating producties, par. 17, juncto pleitnota par. 2.2) respectievelijk waarmee in zijn arbeidsomgeving werd gewerkt, een opgave waarvan de juistheid door Unilever niet dan wel onvoldoende is betwist; voorts wordt betoogd dat [verweerder] het nodige heeft gesteld en ingebracht ten aanzien van de stoffen en experimenten in zijn directe en indirecte werkomgeving en ten aanzien van de wijze waarop hij daarmee in contact kwam. Aangevoerd wordt dat van [verweerder] niet kan worden gevergd dat hij thans nog aangeeft, laat staan "exact", met welke stoffen hij in welke ruimte wanneer heeft gewerkt respectievelijk in contact is gekomen en evenmin dat hij aangeeft de mate waarin hij daar en toen aan die nader te specificeren stoffen is blootgesteld, temeer niet nu [verweerder] heeft gesteld dat er binnen de in casu relevante periode niet of nauwelijks sprake was van een adequaat geformuleerd veiligheidsbeleid. De Rechtbank heeft met name ook miskend dat [verweerder] - onder verwijzing naar in het geding gebrachte algemene en specifiek persoonlijke medische informatie - reeds heeft gesteld dat de stoffen waaraan hij is blootgesteld als zodanig een duidelijk verhoogde kans geven op het ontwikkelen van de kwalen waaraan hij leed en lijdt (en nog zal lijden) en dat het causale verband tussen die blootstelling en zijn kwalen aannemelijk is gezien [verweerder] ziektegeschiedenis bij Unilever. Daarbij komt dat de mate van waarschijnlijkheid van causaal verband tussen de kwalen en de werksituatie zich in het algemeen niet exact laat kwantificeren, mede omdat ook de individuele vatbaarheid voor dergelijke kwalen mag meewegen. Aldus het tweede middelonderdeel.

11. Art. 7:658 BW legt - gezien zijn redactie - ondubbelzinnig op de werkgever de bewijslast ten aanzien van de nakoming van de op hem rustende zorgverplichting met betrekking tot de veiligheid van de "werkplek": opzet en bewuste roekeloosheid van de werknemer daargelaten, is de werkgever, aldus het tweede lid van deze bepaling, aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt tenzij hij aantoont dat hij is nagekomen de op hem rustende verplichting die maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Onder vigeur van het oude art. 1638x rustte de stelplicht en bewijslast ter zake nog op de werknemer, zij het dat Uw Raad in zijn jurisprudentie die zware stelplicht en bewijslast heeft verlicht door - kort gezegd - het verzwaren van de motiveringsplicht van de werkgever en het aannemen van vermoedens op grond van de omstandigheden van het geval. Ik ga hierna - kort - daarop in omdat in het cassatiemiddel een beroep op die jurisprudentie wordt gedaan en ook in de wetsgeschiedenis wordt vermeld dat met name Uw arrest van 6 april 1990, NJ 1990, 573, m.nt. PAS (Janssen-Nefebas) en Uw arrest van 25 juni 1993 NJ 1993, 686, m.nt. PAS (Erven Cijsouw/De Schelde) grotendeels voor de stelplicht van belang blijven (M.v.A., Tweede kamer, vergaderjaar 1994-1995, 23 438, nr. 5).

Met betrekking tot de verzwaarde motiveringsplicht in het kader van art. 1638x geldt het volgende. Al is het in beginsel aan de werknemer om te stellen dat het ongeval daaruit voortspruit dat de werkgever onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, deze stelplicht is wegens de aard van de materie beperkt; daartegenover mag van de werkgever die ontkent dat hij in zijn zorgverplichting is tekortgeschoten, worden gevergd dat hij in het kader van die motivering in het algemeen de omstandigheden aangeeft die meer in zijn sfeer dan in die van de werknemer liggen en dat hij omtrent de toedracht van het ongeval zodanige mededelingen doet dat daaruit met een redelijke mate van zekerheid kan worden opgemaakt dat het ongeval niet het gevolg is van het feit dat hij in zijn zorgverplichting is tekortgeschoten. Zo zal de werkgever, op wie een verplichting rust om te onderzoeken welke gevaren de ter plaatse in zijn bedrijf aanwezige stoffen voor de werknemers kunnen opleveren en om de nodige maatregelen te treffen ter voorkoming van gezondheidsrisico's voor zijn werknemers, bij aantasting van de gezondheid van één of meer van zijn werknemers door dergelijke stoffen onder meer moeten aangeven in hoeverre hij zich tijdig omtrent de aan die stoffen verbonden gevaren en de met het oog daarop te treffen voorzieningen heeft laten voorlichten en welke maatregelen hij heeft genomen.

Met betrekking tot het in verband met art. 1638x gehanteerde "bewijsvermoeden" geldt dat de rechter aan de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het ongeval of de ziekte van de werknemer, het vermoeden kan ontlenen dat de werkgever in zijn zorgverplichting is tekortgeschoten zodat de bewijslast geheel of gedeeltelijk op de werkgever wordt gelegd. Indien de werkgever in zijn zorgverplichting is tekortgeschoten dan wel niet erin is geslaagd te bewijzen dat hij daarin niet is tekortgeschoten voorzover op hem de bewijslast is komen te rusten, moet causaal verband tussen dit tekortschieten en het ongeval aanwezig worden geacht, tenzij de werkgever aantoont dat de veiligheidsmaatregelen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, het ongeval niet zouden hebben voorkomen. Ook onder vigeur van art. 1638x stond het feit dat de toedracht van het ongeval niet kon worden vastgesteld niet aan aansprakelijkheid van de werkgever in de weg. In een geval waarin de aard van het letsel op onveiligheid van de werkplek duidde en de werknemer niet over nadere gegevens beschikte, kon de werknemer volstaan met te stellen dat het ongeval kán zijn veroorzaakt op de door de deskundige in zijn deskundigenrapport mogelijk geachte, aan onveiligheid van de werkplek te wijten, wijze.

Ik verwijs hier naar de volgende arresten van Uw Raad:

HR 25 juni 1982, NJ 1983, 151, m.nt. PAS (Rijnberg/Speerstra's Heibedrijf), HR 6 april 1990, NJ 1990, 573, m.nt. PAS (Janssen/Nefabas); HR 20 september 1996, NJ 1997, 198, m.nt. PAS (Pollemans/Holding Hoondert); HR 25 juni 1993, NJ 1993, 686, m.nt. PAS (Erven Cijsouw/De Schelde) en HR 2 oktober 1998, NJ 1999, 683, m.nt. JBMV (De Schelde/Erven Cijsouw); HR 9 juni 1995, NJ 1995, 630 (Van de Luytgaarden/Machinefabriek

Schuurink); HR 17 november 1995, NJ 1996, 144 (Babayigit/Kabel B.V.).

12. Legt art. 7:658 - anders dan het oude art. 1638x - ondubbelzinnig op de werkgever de bewijslast ten aanzien van de nakoming van de op hem rustende "zorgverplichting", op de werknemer die zijn werkgever op de voet van art. 7:658 aansprakelijk wil stellen rust wél - evenals onder het oude recht - de stelplicht en bewijslast van de "in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade": de werknemer zal derhalve moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. In dat verband zal de werknemer zoveel mogelijk nader moeten ingaan op de toedracht van het bedrijfsongeval of de aard van de beroepsziekte. Daarbij met name heeft de hiervoor genoemde jurisprudentie over de motiveringsplicht van de werkgever omtrent meer in zijn "domein" liggende omstandigheden haar betekenis behouden.

Met betrekking tot de betekenis van het onopgehelderd blijven van de oorzaak van het ongeval voor de aansprakelijkheid op de voet van het nieuwe art. 7:658 heeft Uw Raad inmiddels een arrest gewezen. Het gaat om het hiervoor onder 9 genoemde arrest van 10 december 1999, NJ 2000, 211, m.nt. PAS (Fransen/Pasteurziekenhuis). Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding van een verpleegster, Fransen, die haar heup had gebroken doordat zij tijdens haar werkzaamheden in het ziekenhuis was uitgegleden over een injectienaald die door een onbekende oorzaak op de grond was terechtgekomen, overwoog Uw Raad (in lijn met zijn eerdere met betrekking tot art. 1638x ontwikkelde jurisprudentie):

"Nu Fransen de schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, brengt het bepaalde in art. 7:658 lid 2 mee dat, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, het ziekenhuis aansprakelijk is voor de door Fransen ten gevolge van haar val geleden schade, tenzij het aantoont dat het de in lid 1 van dat artikel genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van Fransen. Hiervoor behoeft niet vast te staan aan welke oorzaak het ongeval van Fransen te wijten is."

Claimt de werknemer schade ter zake van een "beroepsziekte", een ziekte die hij naar zijn zeggen door zijn werkzaamheden heeft opgelopen, dan kan zich - anders dan bij arbeidsongevallen doorgaans het geval zal zijn - de moeilijkheid voordoen dat het verband tussen de werkzaamheden en de ziekte niet aanstonds duidelijk is. Dat probleem zal zich evenwel niet zozeer voordoen bij door medici onderkende ziektebeelden die het gevolg zijn van het "in contact komen" met bepaalde stoffen waarmee de werknemer in feite alleen bij de werkgever in aanraking gekomen is of kán zijn.

Bij een vordering ter zake van een beroepsziekte zal de werknemer moeten stellen, en zo nodig bewijzen, dat hij lijdt of heeft geleden aan medische aandoeningen en dat er causaal verband bestaat tussen de aandoeningen en de door hem voor zijn werkgever verrichte werkzaamheden. Beroept de werknemer zich op aandoeningen ten gevolge van het in het kader van zijn werkzaamheden in aanraking komen met gevaarlijke stoffen, dan zal hij moeten stellen dat hij met dergelijke stoffen in aanraking is gekomen en dat zijn gezondheid daardoor is aangetast. Uit de hiervoor genoemde jurisprudentie moet naar mijn oordeel worden afgeleid dat van de werkgever die betwist dat de werknemer met gevaarlijke stoffen in aanraking is geweest, moet worden gevergd dat hij zijn betwisting nader motiveert en dat hij in het kader van die motivering de nodige nadere gegevens verschaft nu deze meer in zijn sfeer dan in die van de werknemer liggen. De werknemer zal zich ter voldoening aan zijn stelplicht kunnen beroepen op een medische verklaring waaruit de aard van zijn medische aandoeningen blijkt en het (mogelijk) verband met het in aanraking geweest zijn met de gevaarlijke stoffen waarmee hij stelt in aanraking geweest te zijn.

13. In de literatuur wordt vrij algemeen aangenomen dat de werknemer inderdaad kan volstaan met te stellen - en zonodig te bewijzen - dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Zie met name Van der Grinten-Van der Grinten-Bouwers, Arbeidsovereenkomstenrecht, 1999, hoofdstuk 16, par. 5; Klaassen, "Een nieuw arbeidsongevallenrecht?", Sociaal recht 1997-10, p. 283; Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, 2000, p. 52; Bolt in Spier en Bolt, De uitdijende reikwijdte van de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, Preadvies NJV, 1996, p. 97-98, noot 28.

Hartlief en Tjittes zijn van oordeel dat de werknemer niet kan volstaan met te stellen dat hij schade heeft opgelopen tijdens werktijd op de werkplek. Naar hun oordeel is een dergelijke lichte stelplicht voor werkgevers zeer bezwaarlijk en vanuit de invalshoek van werknemers ook niet direct noodzakelijk. Zij menen dat volgens de normale regels van stelplicht en bewijslast de werknemer moet stellen hetgeen voor aansprakelijkheid van de werkgever is vereist, waartoe ook behoort een tekortschieten in de zorgplicht door de werkgever. Daarbij is uiteraard de enkele stelling niet voldoende, doch zal aan de stelling zoveel als mogelijk "handen en voeten" gegeven moeten worden. Aldus met name Hartlief, "Van art. 7A:1638x naar art. 7:658 BW" in "Onderneming en 5 jaar Nieuw Burgerlijk Recht", serie Onderneming en recht, deel 7, 1997, p. 502, en Hartlief en Tjittes, Kroniek van het vermogensrecht, NJB 1997, afl. 10, p. 417, die daarbij terugkomen van hun eerdere standpunt dat de werknemer ermee kan volstaan te stellen dat hij ten gevolge van een bedrijfsongeval schade heeft geleden ("De aansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen en -ziekten- recente ontwikkelingen met betrekking tot tewerkstelling en bewijslast", Sociaal Recht 1990-10, p. 286). Klaassen bestrijdt deze visie in het hiervoor reeds genoemde tijdschriftartikel. Naar haar oordeel blijkt uit de tekst van art. 7:658 genoegzaam dat de werknemer kan volstaan met te stellen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden aangezien dit in beginsel voldoende is om het door de werknemer beoogde rechtsgevolg - aansprakelijkheid van zijn werkgever - te doen intreden. Hieraan doet niet af, aldus Klaassen, dat een en ander moet worden gezien tegen de achtergrond van het processueel debat, waarin op de werknemer de "plicht" rust gemotiveerd te weerspreken de stelling van de werkgever dat hij aan zijn zorgverplichting heeft voldaan, een "plicht" die niet als stelplicht doch als motiveringsplicht gekwalificeerd moet worden. Verder geldt, aldus Klaassen, dat de werknemer in de regel ter adstructie van zijn stelling dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, in de dagvaarding zal moeten aangeven wanneer de schade zich heeft voorgedaan en wat zich heeft voorgedaan, al kunnen aan de stelplicht van de werknemer op dit punt geen al te zware eisen worden gesteld. Vergelijk ook Boonekamp, Tijdschrift voor Civiele Rechtspleging 2000, afl. 2, p. 43-44. Ik ben van oordeel dat Klaassen het gelijk aan haar zijde heeft.

14. Keren wij terug naar het incidentele cassatiemiddel met zijn klacht dat de Rechtbank te zware eisen heeft gesteld aan de stelplicht van [verweerder] en in zoverre blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de verdeling van de stelplicht en bewijslast. Het hiervoor betoogde in aanmerking genomen, kom ik tot de conclusie dat het middel slaagt. De Rechtbank heeft in rechtsoverweging 3.1, hiervoor onder 3 geciteerd, aangegeven wat [verweerder] ter staving van zijn vordering heeft gesteld; uit die in cassatie niet bestreden overweging blijkt dat [verweerder] heeft gesteld dat hij een chronisch ziektebeeld heeft ontwikkeld door het omgaan van met name chemicaliën en oplosmiddelen die hij bij zijn werkzaamheden bij Unilever diende te gebruiken en die in zijn omgeving aanwezig waren, dat door medici is geconstateerd dat er een verband bestaat tussen zijn aandoeningen en de stoffen waarmee hij bij Unilever in aanraking is gekomen, dat Unilever haar zorgplicht terzake niet is nagekomen en dat haar veiligheidsbeleid niet consistent was alsmede dat Unilever haar personeel niet heeft ingelicht over de gevaren verbonden aan het omgaan van met name nikkel. De Rechtbank heeft - eveneens in cassatie onbestreden - vastgesteld dat enkelen van de medici die [verweerder] hebben behandeld en/of onderzocht een (mogelijk) verband leggen tussen de aandoeningen van [verweerder] en de door hem verrichte werkzaamheden. De Rechtbank heeft voorts vastgesteld dat uit de medische literatuur aandoeningen bekend zijn als gevolg van het omgaan met oplosmiddelen en nikkel(zouten). Vaststaat ook dat [verweerder] tijdens zijn dienstverband bij Unilever ziek is geworden en tot aan zijn feitelijk arbeidsongeschikt worden bij Unilever heeft gewerkt. Voorts heeft [verweerder], zoals het middel terecht betoogt, een opgave verstrekt van de stoffen waarmee hij heeft gewerkt (akte houdende uitlating producties, par. 17, juncto pleitnota par. 2.2) respectievelijk waarmee in zijn arbeidsomgeving werd gewerkt terwijl Unilever in haar pleitnota onder nr. 26 heeft betoogd dat de door [verweerder] in productie 42 (op p. 2) genoemde chemische stoffen (waaronder nikkeloxide, nikkelchloride, nikkelsulfaat, met name genoemde oplosmiddelen, en polymeren, en vele andere chemicaliën) thuis horen in een laboratorium als dat van Unilever. Naar mijn oordeel heeft [verweerder] aldus ruimschoots aan de op hem rustende stelplicht voldaan, zeker tegen de achtergrond van het beginsel dat van de werkgever in het kader van de motivering van zijn betwisting van de stellingen van de werknemer mag worden gevergd dat hij in het algemeen de omstandigheden aangeeft die meer in zijn sfeer dan in die van de werknemer liggen. Van een zodanig gemotiveerde betwisting van [verweerders] stellingen door Unilever dat aan [verweerder] nadere eisen op het punt van de stelplicht zouden kunnen worden gesteld is geen sprake geweest, althans uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt niet dat de Rechtbank heeft gemeend dat daarvan sprake is geweest.

Met haar opsomming van eisen waaraan [verweerder] alsnog diende te voldoen heeft de Rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de verdeling van de stelplicht en bewijslast in het kader van art. 7:658. Zij heeft ook miskend dat wanneer de werknemer in het kader van zijn werkzaamheden heeft gewerkt met of is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, het causaal verband tussen de werkzaamheden en het bij het in aanraking komen met die stoffen passende ziektebeeld aangenomen kan worden indien de werkgever heeft nagelaten de veiligheidsmaatregelen te treffen die met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid waren vereist zodat ook in zoverre op de werkgever de plicht rust nader aan te geven of en zo ja welke veiligheidsmaatregelen hij heeft getroffen.

Het door de Rechtbank aan de orde gestelde dilemma dat [verweerder] over meer medische gegevens beschikt dan hij tot op heden aan Unilever heeft verstrekt en dat aldus nog niet voor Unilever en de Rechtbank valt na te gaan of de wél in het geding gebrachte rapportages niet een té eenzijdig beeld van de situatie geven, moet in het kader van de bewijsvoering worden opgelost.

Ik kom tot de slotsom dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven en dat verwijzing moet volgen.

Conclusie

De conclusie strekt in het principaal beroep tot verwerping van het beroep en in het incidenteel beroep tot vernietiging van het bestreden vonnis met verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden