Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8301

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01203/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8301
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 581
NJ 2001, 37
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 01203/99

Zitting 19 september 2000

Conclusie inzake:

[Verzoekster=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoekster is door het gerechtshof te Arnhem bij uitspraak van 29 december 1998 schuldigverklaard zonder oplegging van straf of maatregel wegens “aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn” en “aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt; meermalen gepleegd.”

2. Verzoekster heeft een brief geschreven waarin zij lucht geeft aan haar teleurstelling over de haar ten deel gevallen behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze brief bevat geen middel van cassatie.

Namens verzoekster heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het verweer dat de in casu begane onvoorzichtigheid onvoldoende is voor de tenlastegelegde schuld heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen, althans dat de bewezenverklaarde schuld niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

4. In de eerste plaats wordt gewezen op een discrepantie tussen de overwegingen van het hof en de aan het verweer ten grondslag gelegde verklaring van de getuige-deskundige. Het hof heeft - kort weergegeven - overwogen dat van iemand die in een apotheek werkt een aanzienlijke mate van oplettendheid mag worden gevergd en daarvan uitgaand zou het verschil tussen de potten niet onopgemerkt zijn gebleven. De getuige-deskundige hanteert als uitgangspunt dat verzoekster niet heeft waargenomen dat zij de verkeerde pot heeft gebruikt en hij draagt hier mogelijke verklaringen voor aan. Inderdaad wijst hij hierbij op situationele factoren.

5. Het hof heeft met zijn overwegingen echter tot uitdrukking gebracht dat gelet op de in casu vereiste mate van oplettendheid er, ondanks de door de getuige-deskundige genoemde situationele factoren, geen waarnemingsfout had mogen plaatsvinden. In dit licht moeten ook ‘s hofs eigen waarnemingen omtrent de verschillen tussen de potten worden begrepen. Bij een aanzienlijke, nl. de vereiste, mate van oplettendheid zou verzoekster het verschil hebben opgemerkt. Dat wordt door de getuige-deskundige ook niet ontkend; hij geeft slechts aan door welke factoren het niet opmerken van het verschil in pot(grootte) kan voorkomen. De descriptieve inhoud van de verklaring van de deskundige over menselijk gedrag in het algemeen, nl. “eenmaal aan het werk controleer je niet steeds opnieuw de objecten die je eerder hebt weggelegd en weer opnieuw pakt,” (p-v hof p. 6) contrasteert fraai met de prescriptieve inhoud van de verklaring van verzoekster zelf: “Op school heb ik ook geleerd dat je elke keer als je een pot pakt op het etiket moet kijken. Je moet dus vier keer kijken” (p-v rechtbank p. 10). Kortom: het begrijpelijk maken van hoe een fout heeft kunnen worden gemaakt betekent nog geenszins het verontschuldigbaar worden daarvan. Van een discrepantie is geen sprake.

6. De klacht onder 5 in de toelichting op het middel begrijp ik niet. Van enige onjuistheid van de

veronderstelling waarop de getuige-deskundige zijn verklaring heeft gebaseerd is geen sprake. Ook het hof gaat er immers van uit dat verzoekster niet heeft waargenomen dat zij uit de verkeerde pot stof in het maatje heeft gedaan. Dat is nu juist het verwijt. Het is toch zeker zo dat het pakken van de juiste pot bij de bereiding van geneesmiddelen van zodanig levensbelang is, dat de niet-waarneming van de juiste pot - bijzondere omstandigheden daargelaten, waarvan ten deze niet is gebleken, in ieder geval niet in een mate als waarvan in het Verpleegstersarrest sprake was) als aanmerkelijk onvoorzichtig moet worden beschouwd? In deze zin overweegt het hof ook het bewijs van schuld (zie boven onder 4).1

7. Ook de laatste klacht, omtrent de niet redengevende zinsneden in de onder 4 tot het bewijs gebruikte verklaring van verzoekster, faalt. Uit de gewraakte zinsneden blijkt immers dat verzoekster door de pot niet naast de balans te laten staan, controle omtrent de gebruikte stof, welke controle het gebruik van methadon aan het licht had kunnen brengen, onmogelijk heeft gemaakt.

8. Het middel faalt derhalve in alle onderdelen.

9. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het beroep op dwaling heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

10. Het middel is gebaseerd op de opvatting dat onbewuste schuld minder laakbaar is dat bewuste schuld, en dus eerder tot het aanvaarden van een beroep op dwaling leidt. Wat hiervan zij - de literatuur is hierover verdeeld -, in de overwegingen van het hof lees ik - anders dan de opsteller van het middel - geen uitspraak daaromtrent.

11. De overwegingen van het hof, die het beroep op dwaling bij de vraag van het bewijs van schuld heeft behandeld, houden immers in dat, gelet op de bewezenverklaarde voorafgaande onvoorzichtigheid van verzoekster (die bij de bereiding van het geneesmiddel zelf had ontdekt dat er iets niet klopte, NJ) de latere consultatie van de assistente omtrent de (steeds opnieuw ontoereikende, NJ) hoeveelheid vulmiddel, nooit verschoonbare dwaling kan opleveren. ’s Hofs overwegingen zijn derhalve gericht op dit specifieke geval en houden geen algemene uitspraak in omtrent de “bewijsrechtelijke implementatie van het sociaal-ethisch begrip schuld.”

12. Het middel faalt derhalve. Ik meen niet dat in de schriftuur een rechtsvraag aan de orde wordt gesteld die van Uw Raad een andere motivering eist dan die welke kan worden ontleend aan art. 101a RO.

13. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

Zie de verwijzing door de officier van justitie in zijn requisitoir naar een artikel in Medisch Contact (geschreven naar aanleiding van het onderhavige geval) over het aanzienlijk aantal overlijdensgevallen waarvan achteraf moet worden geconcludeerd dat er ten onrechte een verklaring van natuurlijk overlijden is afgegeven.