Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8294

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01724/99 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8294
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01724/99/E Mr Machielse

Zitting: 12 september 2000

Conclusie inzake:

[Verzoekster=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 28 juli 1999 is verzoekster door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld ter zake van “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel II, tweede lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet, driemaal gepleegd, begaan door een rechtspersoon”. Daarbij is aan verzoekster driemaal een geldboete opgelegd van vijfduizend gulden, waarvan telkens vijfentwintighonderd gulden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoekster heeft mr P.J.L.J. Duijsens, advocaat te ‘s-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt blijkens de toelichting daarop over ’s hofs verwerping van het beroep op art. 6 EVRM met het oog op het in feitelijke aanleg opgetreden tijdsverloop tot het vonnis in eerste aanleg.

3.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof is aldaar - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - namens verzoekster het volgende aangevoerd:

De beide feiten (en met name feit 2) zijn oud. Het gevolg van een en ander is dat de huidige strafzaak is te beschouwen als mosterd na de maaltijd. Met de oplegging van (een zware) straf is nu geen strafrechtelijk doel meer gediend.

3.2. Het bestreden arrest houdt hieromtrent onder het kopje “de op te leggen straffen” het volgende in:

Voorzover de raadsvrouw heeft willen betogen dat voornoemde tijdsduur een overschrijding is van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 van het EVRM, is het hof van oordeel dat daarvan geen sprake is, al merkt het hof wel op dat een voortvarender vervolging, gelet op de in het geding zijnde belangen (waaronder begrepen het gelegde beslag), voor de hand zou hebben gelegen.

3.3.1. Laat ik vooropstellen dat ik meen dat het hof het door de verdediging aangevoerde welwillend heeft opgevat als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, gedaan met het oog op strafvermindering. Een “beroep op rechtsverwerking” valt daarin dus - anders dan de steller van het middel meent - zeker niet te ontwaren.

3.3.2. De steller van het middel struikelt over “het aanhouden van de zaak over een periode van ruim tweeëneenhalf jaar”. Ik begrijp het middel aldus dat hiermee wordt gedoeld op het opgetreden tijdsverloop tussen het in kennis stellen van de overtredingen van verzoekster op 24 juli 1995 en het vonnis in eerste aanleg op 5 februari 1998.

3.3.3. In het middel blijven een aantal relevante zaken zoals die uit de stukken volgen volledig onbesproken. Ik doe een greep, zonder uitputtend te wilen zijn.

Zo is, gelijktijdig met de hiervoor genoemde kennisgeving aan verzoekster op 24 juli 1995 van vermoedelijke overtreding op 19 mei 1995 van - kort gezegd - het Besluit draagbaar klimmaterieel (hierna: het Besluit), opnieuw een monster genomen van een ladder van verzoekster. De desbetreffende onderzoekende deskundige heeft dienaangaand gelet op het daarvan door hem opgemaakte proces-verbaal op 23 augustus 1995 wederom een overtreding van het Besluit geconstateerd. Op 25 oktober 1995 is de [betrokkene A] als directeur van verzoekster proces-verbaal jegens verzoekster aangezegd naar aanleiding van de desbetreffende onderzoeksresultaten. Naar aanleiding hiervan is genoemde vertegenwoordiger van verzoekster gelet op het daarvan opgemaakte proces-verbaal op 28 maart 1996 wederom gehoord. Dit proces-verbaal is door de desbetreffende verbalisant en controleur productveiligheid op 6 mei 1996 opgehaald bij de Officier van Justitie in verband met een correctie, en op gelijke datum opnieuw aan hem aangeboden. Op 19 april 1996 heeft de Officier van Justitie gelet op zijn schrijven van gelijke datum een kopie van het proces-verbaal van 28 maart 1996 aan de Keuringsdienst van Waren verzonden, met daarbij het verzoek om in te gaan op het verweer van verzoekster, zoals verwoord in haar brief van 28 december 1995. Bij brief van 7 mei 1996, die blijkens een daarop geplaatst stempel op 29 mei 1996 is ingekomen bij het parket van de officier van justitie, heeft de keuringsdienst van waren op dit verzoek gereageerd. Volgens de stukken heeft de keuringsdienst van waren vervolgens op 20 augustus 1996 de Officier van Justitie wederom een schriftelijke kennisgeving verstuurd van een jegens verzoekster opgemaakt proces-verbaal. Op 12 december 1996 heeft de Officier van Justitie het besluit genomen om de op 3 mei 1996 inbeslaggenomen ladders van verzoekster te deponeren. Tot zover de verrichte onderzoekshandelingen jegens verzoekster, waarna de zaak zijn juridische beslag begint te krijgen.

Vanwege het O.M. is op 21 april 1997 de inleidende dagvaarding aan verzoekster betekend. Het hiertegen gerichte bezwaarschrift van verzoekster van 28 april 1997 is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal van raadkamer op 28 mei 1997 door de rechtbank ongegrond verklaard. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de (eerste) zitting in eerste aanleg op 28 mei 1997 bij de Politierechter plaatsgevonden, waarbij deze de zaak, gelet op de complexiteit daarvan, naar de meervoudige kamer heeft verwezen. Blijkens het proces-verbaal van de rechtbank van 24 juli 1997 is het onderzoek ter terechtzitting aldaar voor onbepaalde tijd geschorst, met oproeping van de verdachte en met berichtgeving aan de raadsman. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 januari 1998 is de verdachte aldaar evenals zijn raadsman en alle opgeroepen getuigen verschenen. De rechtbank heeft vervolgens op 5 februari 1998 haar vonnis jegens verzoekster gewezen.

3.3.4. Anders dan de steller van het middel meent, volgt uit het hiervoor weergegevene dat van de desbetreffende periode van ruim tweeëneenhalf jaar niet gezegd kan worden dat daarmee sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Ik geef toe dat sprake is van een behoorlijk langdurig voorbereidend onderzoek, maar dit neemt niet weg - en daar gaat het tenslotte bij de onderhavige rechtsvraag in deze processuele fase om - dat het O.M. niet heeft stilgezeten in de desbetreffende periode.1 Van inactiviteit van het O.M. is immers nauwelijks sprake geweest. ’s Hofs hiermee volledig sporende oordeel geeft dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting van art. 6 EVRM en is, ook zonder nadere motivering, evenmin onbegrijpelijk gemotiveerd.

3.3.5. In dit verband mag tot slot maar terzijde niet onvermeld blijven dat het hof - ondanks zijn evenbedoelde oordeel - aanleiding heeft gezien, gelet op de “geruime tijd [die] is verstreken”, “om de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete te minderen” (lees: halveren; A.M.). Aan verzoekster is dus met het oog op het hiervoor genoemde verstreken tijdsverloop ruimschoots tegemoetgekomen.

3.4. Het eerste middel faalt.

4. Het tweede middel stelt aan de orde dat de Nederlandse norm waaraan klimmaterieel moet voldoen ingevolge het Besluit draagbaar klimmaterieel en de Regeling voor onderzoek draagbaar klimmaterieel - het bieden van weerstand tegen 3500 Newton - strijdig is met de in EN 13-1 en EN 13-2 neergelegde Europese norm - volgens welke klimmaterieel (slechts) weerstand behoeft te bieden aan 2600 Newton. De steller van het middel beroept zich hierbij naar ik begrijp niet alleen op art. 30 (oud) EG-verdrag maar ook op art. 36 (oud) EG-verdrag alsmede op het arrest van de Hoge Raad gepubliceerd in HR NJ 1999, 774. De klacht luidt dat het hof geheel voorbij is gegaan aan verzoekers stelling dat de veiligheid voor de gebruiker evengoed beschermd kan worden met de genoemde Europese norm. “Niet duidelijk is waarom het veiligheidsbelang in Nederland een veel strengere eis zou rechtvaardigen”.

4.1. Het middel kan reeds niet tot cassatie leiden omdat daarin wordt miskend dat de in het middel genoemde verdragsbepalingen in de onderhavige zaak iedere toepassing missen. Anders dan in de zaak die leidde tot het genoemde arrest HR NJ 1999, 774, is hier namelijk sprake van een Nederlandse ladderfabrikant, wiens afzetgebied óók in Nederland is gelegen.2 Van in-, uit-, of doorvoer van ladders is in casu geen sprake. Ik citeer in dit verband uit de pleitnota in appèl: “[verdachte] (verzoekster; A.M.) is één van de grootste leveranciers van glazenwasserladders in het westen van het land. Haar grootste afzetmarkt bevindt zich in Amsterdam (...)” (pleitnota p. 10) en “Daar komt nog bij dat buiten Nederland er nergens van dit soort ladders worden gebruikt” (pleitnota, p. 6).

Terzijde merk ik op dat blijkens het proces-verbaal in hoger beroep en de daarin geïnsereerde pleitnota aldaar niet een verweer met de in het middel bedoelde strekking is gevoerd. Dat de deskundige Klaverstijn in dit verband een betoog heeft gevoerd terzake de in EN 131-1 en EN 131-2 neergelegde normen, maakt dit, anders dan in het middel wordt verondersteld, niet anders.

4.2. Ten overvloede merk ik nog kort op dat het hof terecht is uitgegaan van de (strenge) Nederlandse normen. Kortheidshalve verwijs ik in dit verband naar rechtsoverweging 6.4 van HR NJ 1999, 774, waarin de Hoge Raad uitsprak dat de normen EN 131-1 en EN 131-2 geen onderdeel uitmaken van het recht van de Europese Unie. Kortom: dat de wet- en regelgever voor de productie van waren in sommige gevallen strengere Nederlandse normen hanteert dan elders in Europa gebruikelijk is, is in beginsel een puur Nederlandse kwestie; het primaat ligt bij de Nederlandse autoriteiten. Dit is slechts niet meer het geval indien de feiten en omstandigheden waaronder die regelgeving toepassing vindt aanleiding geven tot de veronderstelling dat daarmee eventueel sprake is van een (impliciete) niet gerechtvaardigde handelsbelemmering. Daarvan is evenwel thans zelfs in de verste verte geen sprake.

4.3. Het tweede middel treft dus evenmin

doel.

5. De beide middelen lenen zich overigens naar mijn smaak voor de zogenoemde 101A RO-afdoening.

6. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, vierde druk, p. 177.

2 In HR NJ 1994, 774 betrof het een Belgische ladderfabrikant (die naar de normen van België een aldaar goedgekeurde reformladder fabriceerde), die zijn (uiteindelijke) afzetgebied (mede) in Nederland had. De tenlastelegging in die zaak was dan ook toegesneden op - kort gezegd - het in de handel brengen van een ladder die niet aan de Nederlandse normen van weerstand en belasting voldeed. In casu gaat het om het voorhanden hebben van ladders in Nederland die niet voldoen aan de evenbedoelde Nederlandse normen.