Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8288

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/062HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 338
Faillissementswet 350
Grondwet 121
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 529
JWB 2000/200
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R00/062HR

Mr Strikwerda

Parket, 30 juni 2000

conclusie inzake

1. [Verzoeker 1]

2. [Verzoekster 2]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij uitspraak van 23 juni 1999 van de Rechtbank te Dor-drecht is ten aanzien van verzoe-kers van cassatie, hierna: het echtpaar [...], de toepas-sing van de schuldsaneringsrege-ling uitgesproken met benoeming van mevrouw M.P.J.M. van der Lee tot bewindvoerder. Voordien stond het echtpaar [...] reeds onder beschermingsbewind als bedoeld in art. 1:431 e.v. BW. Bewindvoerder was de heer dr W.B.M. Erich. Deze had ten behoeve van het echtpaar een zgn. budgetbeheer-rekening onder nr. 47.80.28.636 bij de ABN-AMRO bank te Culemborg geopend.

2. Nadat op 7 maart 2000 in het kader van de schuldsane-rings-regeling de verificatievergadering had plaatsgevonden, heeft genoemde Rechtbank bij vonnis van 22 maart 2000 uitspraak gedaan als bedoeld in art. 338 Fw en de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd op onder meer de gronden bedoeld in art. 350 lid 3 onder c (het niet naar behoren nakomen van de uit de schuldsa-neringsregeling voort-vloeiende ver-plichtingen) en onder e (het trachten te benade-len van schuldeisers) Fw, zodat ingevol-ge het bepaalde bij het vijfde lid van dit artikel het echtpaar [...], zodra de uitspraak van de Rechtbank in kracht van gewijs-de is ge-gaan, van rechts-wege in staat van faillissement verkeert.

3. In hoger beroep heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 2 mei 2000 het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Met de Rechtbank was het Hof van oordeel dat het echtpaar [...] niet heeft voldaan aan de uit de schuldsaneringsre-geling voortvloeiende ver-plich-tingen en heeft getracht de schuldeisers te benadelen. Daartoe over-woog het Hof:

"2. (...). De budgetbeheerrekening bedroeg op het tijd-stip van ingang van de

schuldsaneringsregeling ongeveer f 4.000,-. Dit bedrag is evenwel niettegenstaande het verzoek

van de bewindvoerder in de schuldsaneringsrege-ling niet op de boedelrekening gestort. Wel is

op 9 september 1999 f 1.000,- van die budgetbeheerrekening op de boedelrekening gestort.

Appellanten beschouwden dit als vervanging van de maandelijkse afloscapaciteit, welke door

de rechter-commissaris was bepaald op f 429,08 per maand. De rech-ter-commissaris heeft op

6 januari 2000 bepaald dat het restant van de budgetbeheerrekening niet mocht worden gezien

als vervanging van de aflossing. Desondanks hebben appellanten de aflossingen van juni, juli en

augustus 1999 nooit overgemaakt op de boedelreke-ning.

3. Ter zitting heeft [verzoekster 2] e/v [verzoeker 1] verklaard dat appellanten in tegenstelling tot

de eerdere opgave van f 2.500,- thans een gezamenlijk netto inkomen hebben van circa f

3.000,- per maand. Dit is echter niet gemeld aan de bewindvoerder. Verder is gebleken dat

[verzoekster 2] e/v [verzoeker 1] sinds 1 januari 1999 inkomsten uit arbeid genoot van circa f

150,- per maand, welke zij ook niet aan de bewindvoerder heeft gemeld. De bewindvoerder

moest hier door de postblokkade achterkomen."

4. Het echtpaar [...] is tegen het arrest van het Hof (tijdig; zie art. 341, lid 7 Fw) in cassatie gekomen met een middel dat vier klachten bevat.

5. De bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling heeft in haar hoedanigheid een ver-weer-schr-ift in cassatie inge-diend. De wet biedt de bewindvoerder daartoe de bevoegd-heid niet, zodat de Hoge Raad op dit ver-weer-schrift geen acht kan slaan. Voor zover de bewind-voerder al als belanghebbende zou moeten worden be-schouwd (i.v.m. met de vaststelling van haar salaris), kan op het ver-weersc-hrift evenmin acht worden gesla-gen, aangezien het verweer-schrift niet is ingediend door een advocaat bij de Hoge Raad.

6. De eerste klacht van het middel is gericht tegen het oor-deel van het Hof, in r.o. 2, dat het echtpaar [...] verwe-ten kan worden dat het niet heeft voldaan aan de verplichting om het bedrag dat nog op de budgetbeheerreke-ning stond op de boedelrekening te storten. Dit oordeel zou onbegrijpelijk, althans onvol-doende gemotiveerd zijn tegen de achtergrond van de door het echtpaar [...] in hoger beroep aangevoerde om-standigheden (a) dat het echtpaar feitelijk nimmer de be-schik-kingsmacht heeft gehad over de ten tijde van het uitspre-ken van de schul-dsaneringsre-geling bestaande budgetbeheerreke-ning, (b) dat het verzoek van de bewindvoerder om het restant van de budgetbe-heerrekening over te maken op de boedelrekening niet was gericht tot het echtpaar, maar tot de bewindvoerder in het beschermingsbe-wind, en (c) dat blijkens de overgelegde bankaf-schriften betreffende het verloop van de budgetbeheerre-kening vanaf de ingang van de schuldsaneringsregeling ten laste van die rekening slechts het toegestane leefgeld en vaste beta-lingsverplichtingen (huur, verzekeringspremies, gas, water, licht) zijn voldaan.

7. Ik acht de klacht gegrond. Door het vonnis van de Rechtbank te Dordrecht van 23 juni 1999, waarbij ten aanzien van het echtpaar [...] de toepassing van de schul-dsaneringsrege-ling werd uitgesproken, kwam niet van rechtswege een einde aan de bestaande onderbewindstelling ex art. 1:431 BW (zie art. 1:449 BW). Zolang door de kantonrechter dat bewind niet is opgeheven (of en, zo ja, wanneer dat is gebeurd, blijkt niet uit de gedingstukken) kon het echtpaar [...] niet zonder de mede-werking van de in het kader van de onderbewindstelling benoemde bewindvoerder over de budgetbe-heerrekening beschikken (art. 1:438 lid 2 BW). Tegen deze achtergrond en in aanmerking genomen dat namens het echtpaar [...], onder overlegging van correspondentie en bankafschriften, in hoger beroep naar voren is gebracht dat de be-wind-voerder in de schuldsanerings-regeling over afdracht van het restant van de budgetbeheerre-kening aan de boedel in overleg is getreden met de bewindvoer-der in het beschermings-bewind en dat het echtpaar [...] niet eigenmachtig over dat restant heeft beschikt, is zonder nadere motive-ring, die in het bestreden arrest ont-breekt, inderdaad niet begrij-pelijk dat het Hof heeft geoor-deeld dat het echt-paar [...] er een verwijt van kan worden gemaakt dat het op het tijdstip van ingang van de schuldsaneringsrege-ling bestaande restant van de budget-beheerre-kening niet op de boedelre-kening is ge-stort.

8. De tweede klacht verwijt het Hof onvoldoende te hebben gemotiveerd waarom, in afwijking van hetgeen namens het echt-paar [...] is gesteld met betrekking tot het verloop van de budgetbeheerrekening, de in opdracht van de bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling verrichte overboeking op 9 september 1999 van f 1.000,- van de budgetbeheerrekening naar de boedelrekening niet kon worden aangemerkt als een vervan-ging van de maandelijkse afloscapaciteit.

9. De klacht komt mij niet aannemelijk voor. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het ten tijde van de ingang van de schuldsaneringsregeling resterende bedrag op de budgetbe-heer-reke-ning aangemerkt dient te worden als een goed dat ingevolge art. 295 Fw in de boedel valt en daarom niet beschouwd kan worden als vervanging van de maandelijkse, op het inkomen van het echtpaar [...] geba-seerde en afgestemde, afloscapaci-teit. Dat is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

10. De derde en vierde klacht lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij keren zich met motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat het echtpaar [...] in gebreke is gebleven met het verstrekken van informatie aan de bewindvoer-der over hun inkomen.

11. De klachten lijken mij ongegrond. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof op 18 april 2000 is pas toen voor het eerst aan de bewindvoerder bekend gemaakt dat het gezamen-lijke maandelijkse inkomen van het echtpaar niet circa f 2.500, maar ongeveer f 3.000,- bedroeg. Bovendien is, blijkens de toen overgelegde pleitnota van mr. J.J. Weldam (onder 4), namens het echtpaar [...] niet ontkend dat is verzuimd aan de bewind-voerder opgave te doen van (de hoogte) van de inkom-sten uit arbeid van [verzoekster 2], doch is slechts aange-voerd dat, gezien het geringe bedrag van deze inkom-sten, dit eventuele verzuim buiten beschouwing dient te blijven. In het licht van het verhandelde ter terechtzitting is het aangevallen oordeel van het Hof, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk.

Waar ik de eerste klacht van het middel gegrond acht, strekt de conclusie tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslis-sing naar een ander gerechts-hof.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,