Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8253

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
C99/041HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 1
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 6
Grondwet 121
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 557
NJ 2001, 250 met annotatie van P.A. Stein
RvdW 2000, 224
JWB 2000/194
JAR 2000/250
Verrijkte uitspraak

Conclusie

<Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

>

Rolnr. C99/041HR Mr Strikwerda

Zt. 16 juni 2000 conclusie inzake

Tennisvereniging

L.T.C. "De Klinkaert"

tegen

G. Blom

Edelhoogachtbaar College,

1. Dit cassatieberoep betreft de vraag of de tussen partijen

gesloten overeenkomst van opdracht aangemerkt kan worden als

een arbeidsverhouding in de zin van art. 1 van het Buitenge

woon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en, zo ja, of de

rechter in geval van opzegging van deze arbeidsverhouding in

strijd met het ontslagverbod van art. 6 BBA bevoegd is de

loonvordering over de periode na het ontslag te matigen.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 3.2 van het bestreden

vonnis).

(i) Verweerster in cassatie, hierna: Blom, is vanaf 18

december 1989 voor eiseres tot cassatie, hierna: De Klinkaert,

gaan werken als tennislerares.

(ii) Bij de aanvang van hun rechtsrelatie hebben partijen een

schriftelijk contract ondertekend. Daarin is onder andere

opgenomen, dat Blom alle lessen voor de leden van "De Klin

kaert" verzorgd, dat aan geen andere trainster dan Blom werd

toegestaan om lessen te geven, dat voor wat betreft het lesta

rief en het lesreglement de voorgeschreven richtlijnen van de

Vereniging van Nederlandse Tennisleraren van toepassing zijn,

en dat "De Klinkaert" de tennisbanen ten behoeve van de te

geven tennislessen beschikbaar houdt.

(iii) Na afloop van het winterseizoen in 1989 en het zomersei

zoen 1990 is de rechtsrelatie tussen partijen op dezelfde voet

voortgezet.

(iv) "De Klinkaert" heeft op 15 augustus 1996 mondeling de

overeenkomst tussen partijen opgezegd zulks tegen 1 november

1996. Bij brief van 16 augustus 1996 heeft "De Klinkaert"

<Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

>

opzegging schriftelijk aan Blom bevestigd.

(v) Bij brief van 26 augustus 1996 heeft Blom te kennen gege

ven hiermee niet akkoord te gaan; zij heeft de nietigheid van

het gegeven ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard om de

afgesproken werkzaamheden te blijven verrichten.

(vi) "De Klinkaert" heeft Blom niet toegelaten tot het geven

van tennislessen en heeft aan haar na 1 november 1996 geen

vergoeding betaald.

3. Bij exploit van 17 december 1996 heeft Blom "De Klinkaert"

gedagvaard voor de Kantonrechter te Tilburg en onder meer

gevorderd - kort gezegd - nietigverklaring van het ontslag

wegens het ontbreken van een ontslagvergunning ex art. 6 BBA

en veroordeling van "De Klinkaert" tot doorbetaling van loon.

4. Na verweer door "De Klinkaert" heeft de Kantonrechter bij

vonnis van 12 juni 1997 de vorderingen van Blom afgewezen op

een grond die thans in cassatie niet meer van belang is.

5. Op het hoger beroep van Blom heeft de Rechtbank te Breda

bij vonnis van 27 oktober 1998 het vonnis van de Kantonrechter

vernietigd en, opnieuw recht doende, het ontslag nietig ver

klaard en de loonvordering toegewezen.

6. Ten aanzien van de vraag of de rechtsverhouding van partij

en kan worden aangemerkt als een arbeidsverhouding in de zin

van art. 1 BBA overwoog de Rechtbank onder meer (r.o. 3.5):

"De rechtbank stelt vast, dat tussen partijen buiten

debat staat, dat de arbeidsrelatie tussen partijen sedert

december 1989 gedurende zeven jaren onafgebroken heeft

voortgeduurd, dat appellante gehouden was om persoonlijk

arbeid te verrichten ten behoeve van geïntimeerde, dat

appellante in deze periode niet voor een of meer anderen

arbeid heeft verricht, dat zij wat betreft werk en inko

men gedurende deze periode afhankelijk was van geïnti

meerde, en dat geïntimeerde aan appellante hulpmiddelen

en materialen ten behoeve van de tennislessen ter be

schikking stelde, waartegenover appellante vrijwel louter

haar arbeidsprestatie inbracht.

Deze vaststellingen dwingen tot de slotsom, dat de

arbeidsverhouding van partijen onder de definitie valt

zoals tot uiting gebracht in artikel 1 aanhef sub b onder

2 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945

(BBA); een eenzijdige beëindiging van deze arbeidsverhou

ding kan ex art. 6 van dit BBA alleen met toestemming van

de Minister/Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorzie

ning, welke toestemming geïntimeerde niet heeft gekre

gen."

Volgens de Rechtbank vloeit hieruit voort dat bij gebreke van

een geldige opzegging de arbeidsverhouding tussen partijen ook

na 1 november 1996 voortduurt (r.o. 3.6) en dat de vordering

tot doorbetaling van loon zolang als de overeenkomst van

opdracht voortduurt dan ook toewijsbaar is (r.o. 3.7).

7. Met betrekking tot de door "De Klinkaert" subsidiair ver

zochte matiging van de loonvordering overwoog de Rechtbank

(r.o. 3.9):

"Ook dit verweer slaagt niet. De primaire vordering

immers van appellante betreft nakoming door geïntimeerde

van haar verplichtingen uit de arbeidsverhouding. De

rechtbank heeft niet de bevoegdheid om bij wege van

matiging aan geïntimeerde een lagere betalingsverplich

ting op te leggen."

8. "De Klinkaert" is tegen het vonnis van de Rechtbank

dig) in cassatie gekomen met twee middelen, die door Blom zijn

bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

9. Middel I is gericht tegen de overweging van de Rechtbank,

in r.o. 3.5 van het bestreden vonnis, "dat tussen partijen

buiten debat staat ... dat appellante gehouden was om persoon

lijk arbeid te verrichten ten behoeve van geïntimeerde ...".

Volgens het middel is deze overweging onbegrijpelijk, althans

onvoldoende met redenen omkleed, aangezien "De Klinkaert" de

verplichting tot persoonlijke dienstverrichting gemotiveerd

heeft betwist.

10. Zowel in haar memorie van antwoord als bij gelegenheid van

het pleidooi in hoger beroep heeft "De Klinkaert" gesteld dat

Blom niet gehouden was persoonlijk de overeengekomen arbeid te

verrichten en dat Blom bij het geven van de tennislessen ook

wel gebruik maakte van derden. Zie haar memorie van antwoord

blz. 6 (toelichting ad grief 3), blz. 6/7 (toelichting ad

grief 4) en blz. 11 (toelichting ad grief 11), en zie de

pleitaantekeningen van mr Vilé blz. 5 (onder 13) en blz. 7

(onder 18). Tegen deze achtergrond is zonder nadere motive

ring, die ontbreekt, niet begrijpelijk dat de Rechtbank heeft

geoordeeld dat tussen partijen buiten debat staat dat Blom

gehouden was om persoonlijk arbeid te verrichten ten behoeve

van "De Klinkaert".

11. Ook indien moet worden aangenomen dat de Rechtbank zich

heeft laten leiden door HR 21 maart 1969, NJ 1969, 321 nt. GJS

(zie daarover Arbeidsovereenkomst, losbl., BBA 1945, art. 1,

aant. 3, bew. C.E.M. van den Boom), waarin is beslist dat het

niet aankomt op de vraag of de arbeid in feite persoonlijk is

verricht, doch dat veeleer valt aan te nemen, dat van een

arbeidsverhouding in de zin van het BBA slechts kan worden

gesproken, indien de werknemer ingevolge de door hem met de

andere contractspartij gesloten overeenkomst verplicht is

persoonlijk de arbeid te verrichten, en heeft gemeend dat niet

van belang is dat, zoals "De Klinkaert" heeft gesteld, Blom de

tennislessen in feite niet (steeds) persoonlijk gaf, is de

beslissing van de Rechtbank niet begrijpelijk. Uit de hierbo

ven onder 10 genoemde vindplaatsen in de gedingstukken blijkt

immers dat "De Klinkaert" tevens heeft gesteld dat Blom ook

niet verplicht was de tennislessen persoonlijk te geven. Het

middel treft derhalve naar mijn oordeel doel.

12. Middel II keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank,

in r.o. 3.9 van het bestreden vonnis, dat haar niet de bevoegd

heid toekomt om bij wege van matiging aan "De Klinkaert" een

lagere betalingsverplichting op te leggen. Volgens het middel

moeten, anders dan de Rechtbank kennelijk heeft aangenomen, de

rechtspraak en de wetgeving op de matiging van loonvorderingen

in gevallen als dit, waarin het gaat om een arbeidsverhouding

voor de beëindiging waarvan toestemming ex art. 6 BBA vereist

is, van overeenkomstige toepassing worden geacht.

13. Volgens vaste - inmiddels in art. 7:680a BW gecodificeerde

- jurisprudentie van de Hoge Raad (zie met name HR 5 januari

1979, NJ 1979, 207 nt. PAS en HR 1 juni 1990, NJ 1990, 715 nt.

PAS) is de rechter bevoegd een vordering tot doorbetaling van

loon die gegrond is op de nietigheid (sinds de inwerkingtre

ding van de Wet Flexibiliteit en zekerheid: de vernietigbaar

heid; zie Arbeidsovereenkomst, losbl., BBA 1945, art. 6, aant.

5, bew. C.E.M. van den Boom) van de opzegging van de arbeids

overeenkomst te matigen, indien toewijzing in de gegeven

omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Het

middel stelt de vraag aan de orde of in een geval als het

onderhavige, waar het niet gaat om een arbeidsovereenkomst,

maar om een overeenkomst van opdracht de matigingsbevoegdheid

van overeenkomstige toepassing is, nu deze overeenkomst van

opdracht leidt tot een arbeidsverhouding in de zin van art. 1

BBA.

14. In HR 1 juli 1993, NJ 1993, 666 nt. PAS is beslist dat

voor matiging van een loonvordering ook plaats kan zijn in

gevallen die op één lijn zijn te stellen met het geval van een

nietige beëindiging van de dienstbetrekking. Betreffen deze op

één lijn te stellen gevallen ook de gevallen waarin niet

sprake is van een arbeidsovereenkomst?

15. Om twee redenen ben ik geneigd om deze vraag ontkennend te

beantwoorden.

16. In de eerste plaats berust de reeks van uitspraken waarin

de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat na een nietig ontslag de

loonvordering van de werknemer over de periode na het ontslag

vatbaar is voor matiging door de rechter, op analogie met het

specifiek voor arbeidsovereenkomsten geschreven art. 7A:1629r

(thans art. 7:680) BW. De reeks van uitspraken had (dan ook)

uitsluitend betrekking op arbeidsovereenkomsten. Geen van die

uitspraken betrof een arbeidsverhouding die voortvloeide uit

een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst. Zie

Arbeidsovereenkomst, losbl., art. 1638d, aant. 13, bew. M.M.

Olbers. Uit art. 7:680a BW, waarin de rechterlijke bevoegdheid

tot matiging van de loonvordering na een nietig (thans: ver

nietigbaar) ontslag is gecodificeerd, blijkt dat (ook) de

wetgever de matigingsleer slechts van toepassing acht op

arbeidsovereenkomsten. Naar zijn bewoordingen is dit artikel

uitsluitend van toepassing op arbeidsovereenkomsten in de zin

van art. 7:610 BW.

17. In de tweede plaats kent de wettelijke regeling van de

overeenkomst van opdracht een eigen specifieke bepaling met

betrekking tot de verschuldigdheid van loon bij een voortijdig

einde van de opdracht: art. 7:411 BW. Is het einde van de

overeenkomst aan de opdrachtgever toe te rekenen, dan behoudt

de opdrachtnemmer aanspraak op loon, indien dit, gelet op alle

omstandigheden van het geval, redelijk is (lid 2). Voor het

geval uit de overeenkomst van opdracht een arbeidsverhouding

in de zin van art. 1 BBA voortvloeit en de opzegging heeft

plaatsgevonden in strijd met het verbod van art. 6 BBA, be

staat aan overeenkomstige toepassing van de in het kader van

de arbeidsovereenkomst ontwikkelde matigingsleer naar mijn

mening dan ook geen behoefte. In een dergelijk geval kan art.

7:411 BW uitkomst bieden. Vgl. HR 8 november 1996, NJ 1997,

217 nt. PAS, waarin op vergelijkbare gronden analogische

toepassing van art. 7A:1639w (thans art. 7:685) BW, op een

overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten werd

afgewezen. Algemener gesteld: zolang matiging van de loonvor

dering mogelijk is krachtens de wettelijke regeling van de

overeenkomst waaruit de arbeidsverhouding in de zin van art. 1

BBA voortvloeit, dan wel krachtens de algemene regels van

verbintenissenrecht (waaronder art. 6:2 en 6:248 BW), is er

m.i. geen reden voor uitbreiding van de nu in art. 7:680a BW

neergelegde matigingsleer tot buiten het terrein van de ar

beidsovereenkomst.

18. Op grond van dit een en ander meen ik dat de door het

middel verdedigde opvatting niet als juist kan worden aanvaard

en dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

Wegens gegrondbevinding van middel I strekt de conclusie tot

vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de

zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechts

hof te 's-Hertogenbosch.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,