Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8103

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/016HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8103
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 526
JWB 2000/186
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnummer R00/016 HR

Mr. Bakels

Parket, 25 juli 2000

Conclusie inzake

[Verzoeker]

t e g e n

Mr. N. HIJMANS in diens hoedanigheid van curator in het faillissement van BLM B.V.

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of de rechtbank [verzoeker] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep tegen een door de rechter-commissaris in het faillissement van BLM BV gegeven beschikking.

1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(a) [Verzoeker] is op 7 september 1988 in staat van faillissement verklaard. Dit faillissement is nog niet opgeheven of anderszins beëindigd. Mr. N. Hijmans is in dit faillissement benoemd tot curator.

(b) Mr. Hijmans is eveneens benoemd tot curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BLM International BV (hierna: BLM). Dit faillissement is uitgesproken op 11 december 1990. [Verzoeker] is directeur geweest van BLM.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft [verzoeker] bij brief van 11 november 1999 een verzoek gericht tot de door de rechtbank Amsterdam in het faillissement van BLM benoemde rechter-commissaris, zulks op voet van art. 69 Faillissementswet.

Bij beschikking van 16 november 1999 heeft de rechter-commissaris [verzoeker] niet- ontvankelijk verklaard in zijn verzoek omdat laatstgenoemde in dit faillissement noch schuldeiser is, noch de gefailleerde zelf.

1.4 Bij rekest van 22 november 1999 is [verzoeker] in beroep gekomen tegen deze beschikking bij de rechtbank te Amsterdam. Hij verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de gevraagde voorzieningen alsnog te treffen.

1.5 Na mondelinge behandeling heeft de rechtbank bij beschikking van 22 november 1999 [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Zij overwoog daartoe dat het beroep te laat is ingesteld.

Ten overvloede voegde zij daaraan toe, kort weergegeven, dat [verzoeker] in het onderhavige beroep dezelfde gronden aanvoert als hij eerder heeft gedaan tegen een beschikking van de rechter-commissaris van 2 juli 1998. In het tegen die beschikking ingestelde beroep heeft de rechtbank [verzoeker] bij beschikking van 15 oktober 1998 niet-ontvankelijk verklaard, waartoe zij in de kern heeft overwogen dat de gestelde vordering in beginsel in [verzoeker]s faillissement valt. Daarom was niet [verzoeker] zelf bevoegd die vordering in te stellen, maar alleen zijn faillissementscurator. Het door [verzoeker] tegen deze beschikking ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen bij beschikking van 5 maart 1999.1 Nu [verzoeker] geen andere ter zake dienende feiten stelt dan reeds zijn beoordeeld in de beschikking van 15 oktober 1998, faalt zijn beroep ook op die grond, aldus nog steeds de rechtbank.

1.6 Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] tijdig beroep in cassatie ingesteld.2 De curator is in cassatie niet verschenen. Het beroep is door [verzoeker] niet nader schriftelijk toegelicht.

2. Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel betoogt op zichzelf terecht dat de dragende overweging voor de bestreden beschikking onjuist is. De in art. 67 lid 1 Faillissementswet voorziene beroeps-termijn bedraagt immers vijf dagen. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de bestreden beschikking is gegeven3, dus op 17 november 1999. Zij verstreek derhalve op 21 november 1999, welke datum op een zondag viel. Ingevolge art. 1 van de Algemene Termijnenwet werd de beroepstermijn daarom verlengd tot 22 november 1999, de datum waarop het appelrekest ter griffie van de rechtbank Amsterdam is binnengekomen.

2.2 [Verzoeker] heeft bij het slagen van het middel echter geen belang. De door de rechtbank ten overvloede gegeven overweging, die thans dragend wordt, houdt immers reeds stand omdat [verzoeker] daartegen in zijn in het cassatierekest geen klacht heeft geformuleerd die voldoet aan de ingevolge art. 407 Rv aan een middel tot cassatie te stellen eisen.

2.3 Overigens merk ik nog op dat de ten overvloede gegeven overweging mij juist voorkomt. Gegeven het feit dat het faillissement van [verzoeker] nog steeds voortduurt en gelet op art. 20 Fw, valt zijn eventuele salarisvordering op BLM immers in zijn failliete boedel en is dus niet [verzoeker] zelf bevoegd deze in te dienen in het faillissement van BLM, maar slechts de curator in het faillissement van [verzoeker], zoals rechtbank terecht heeft overwogen. De vraag of het onderhavige verzoek inderdaad strekte tot indiening van de desbetreffende salarisvorde-ring en niet tot beroep tegen de weigering van de curator om die gestelde vordering ter verificatie in te dienen in het faillissement van BLM, kan onbesproken blijven, reeds omdat het cassatierekest over deze uitleg van het verzoek niet klaagt.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Ambtshalve heb ik de stukken in deze procedure opgevraagd. Daaruit blijkt dat de Hoge Raad bij beschikking van 5 maart 1999, rolnummer R 98/143 HR, in deze zaak, aanhangig tussen dezelfde partijen als thans, het door [verzoeker] ingestelde cassatieberoep heeft verworpen met toepassing van art. 101a RO. Uit de conclusie van de A-G Mok, die ik aanhecht, blijkt dat toen inderdaad dezelfde vraag aan de orde was als in dit geding.

2 Het cassatierekest is op de 4 februari 2000 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.

3 HR 10 januari 19