Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA8079

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/100HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA8079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 530
NJ 2000, 717
RvdW 2000, 217
JWB 2000/185
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R 00/100 HR

Mr. Langemeijer

Parket, 15 september 2000

(Wet Bopz)

Conclusie inzake:

[verzoeker=betrokkene]

Edelhoogachtbaar College,

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Op 19 juli 2000 heeft de officier van justitie in het arrondissement Assen gevorderd dat de rechtbank aldaar een voorlopige machtiging zal geven om - thans - verzoeker in cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven (art. 2 Wet Bopz). Bij de vordering was gevoegd een geneeskundige verklaring met toelichting d.d. 18 juli 2000 van de psychiater mw. J. Snijder.

1.2. De rechtbank heeft gehoord: betrokkene en zijn raadsman, de psychiater voornoemd, de ouders en een broer van betrokkene. Bij beschikking van 20 juli 2000 heeft de rechtbank de gevorderde machtiging verleend voor de duur van vier maanden.

1.3. Namens betrokkene is tijdig beroep in cassatie ingesteld.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. De eerste drie onderdelen van het cassatiemiddel hebben betrekking op het onderzoek van de psychiater. Art. 6 in verbinding met art. 5 Wet Bopz vereist, voor een geval als het onderhavige, een verklaring van een psychiater die de betrokkene met het oog op een gedwongen opname kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken is. Onderdeel I neemt tot uitgangspunt dat de psychiater vóór het opstellen van de geneeskundige verklaring niet met betrokkene zelf heeft gesproken en hem niet heeft onderzocht. Dit strookt met de verklaring van de psychiater ter terechtzitting: “Contact zoeken met [verzoeker] is niet gelukt” (p.-v. blz. 2). In feitelijke aanleg is namens betrokkene het verweer gevoerd dat geen geneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden dat aan de wettelijke vereisten voldoet. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen:

(…) dat de psychiater in deze situatie uiteen dient te zetten, waarom betrokkene niet onderzocht kon worden en op welke gronden, mede aan de hand van informatie van derden, [lees: hij] niettemin tot het oordeel gekomen is dat betrokkene gestoord is in zijn geestesvermogens en dat een geval als bedoeld in artikel 2 BOPZ zich voordoet.

De rechtbank constateert dat de psychiater, mevrouw Snijder, zowel in het weekend van 15 en 16 juli 2000, als ook op maandag 17 juli 2000 in de ouderlijke woning, alwaar betrokkene verblijft, is geweest, doch dat betrokkene aldaar niet aanwezig was. Wel heeft de psychiater van dr. C.J. Sloof, psychiater Psychosencluster GGZ Drenthe, recente informatie ontvangen over de situatie van het gezin en de individuele leden.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de psychiater gedaan heeft wat redelijkerwijs van haar verwacht kan worden om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden.

Vervolgens dient de rechtbank na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat zich een geval als bedoeld in artikel 2 BOPZ voordoet.”

De formulering van de rechtbank is kennelijk ontleend aan HR 6 november 1998, NJ 1999, 103; kBJ 1998, 60 m.nt. W. Dijkers1. Het middel bestrijdt dan ook niet dit criterium, maar beperkt zich tot een motiveringsklacht. Samengevat houdt deze klacht in, dat de rechtbank op de aangegeven gronden niet tot het oordeel heeft kúnnen komen dat de psychiater alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht kon worden, aangezien de rechtbank de in feitelijke aanleg aangevoerde stelling onbesproken heeft gelaten dat de psychiater bij haar onderzoek slechts is afgegaan op informatie van derden en geen contact met betrokkene heeft gezocht.

2.2. Art. 5, lid 1 onder e, EVRM vereist voor een detentie op grond van geestesziekte dat de ziekte wordt vastgesteld op basis van een objectief medisch onderzoek. Dit is een belangrijke waarborg om te voorkómen dat personen willekeurig worden opgesloten2. Een arts is echter niet steeds in staat de betrokkene te spreken en te onderzoeken: de betrokkene kan onbereikbaar of onaanspreekbaar zijn of weigeren aan het onderzoek mede te werken. De rapporterende psychiater moet dan afgaan op zijn eigen observaties en daarnaast - of, indien observatie niet mogelijk is, zelfs uitsluitend - op mededelingen van anderen over de patiënt. Ondanks het evidente bezwaar dat de psychiater in zulke gevallen conclusies trekt op basis van onvolledige informatie, kan nog steeds sprake zijn van een objectief medisch onderzoek. In de reeds aangehaalde beschikking, HR 6 november 1998, ging het om een patiënt die vanachter een gesloten slaapkamerdeur de psychiater liet weten geen prijs te stellen op een gesprek3. Op zich zou de Hoge Raad in 1998 hebben kunnen volstaan met de regel dat de rechter onderzoekt of, ondanks de aan een onderzoek zonder inhoudelijk contact met de patiënt klevende beperkingen, voldoende vaststaat dat de betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat zich een geval voordoet als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. Een daartoe beperkte regel zou het echter mogelijk hebben gemaakt steeds met een geneeskundige verklaring de auditu te volstaan. Aan de regel heeft de Hoge Raad dan ook de eis vooraf doen gaan, dat de rechter nagaat of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek (van de patiënt) te doen plaatsvinden. In HR 24 september 1999, NJ 1999, 752 ging het om een psychiater, die diverse pogingen had ondernomen om, tevoren schriftelijk aangekondigd, de patiënte te bezoeken en die de patiënt wel persoonlijk had gezien doch van deze te verstaan had gekregen dat zij medewerking aan het onderzoek weigerde.

2.3. In de wet noch in de beschikking van 1998 is nader omschreven hoeveel en welke pogingen de psychiater, die de geneeskundige verklaring opstelt, behoort te doen om met de patiënt zelf in gesprek te komen. Diverse vragen dringen zich hier op. In de eerste plaats de vraag of de psychiater mag volstaan met een passieve houding: er is een afspraak gemaakt, maar de patiënt komt niet opdagen. In de tweede plaats de vraag of de psychiater mag afgaan op de mededeling van een derde, inhoudend dat de patiënt geen gesprek met de arts wenst4. In de derde plaats de vraag of de psychiater zich ervan moet vergewissen dat de weigering niet is beïnvloed door bijv. het gebruik van medicijnen, alcohol of verdovende middelen of psychische druk vanuit de directe omgeving. Het antwoord op deze derde vraag lijkt mij afhankelijk van de omstandigheden. Indien, bijv. een weigering blijkt te zijn ingegeven door angst voor het onderzoek en de consequenties daarvan, mag in het algemeen van de psychiater worden verwacht dat deze niet meteen na het horen van de weigering wegloopt, doch zich de moeite getroost de betrokkene te informeren over het voorgenomen onderzoek en de consequenties daarvan5. Indien bijv. de patiënt tijdelijk niet aanspreekbaar is, mag in het algemeen, tot binnen redelijke grenzen, worden verwacht dat de arts op een andere dag terugkomt. Het onderhavige cassatiemiddel ziet niet op deze derde vraag, maar op de twee eerste vragen.

2.4. De toelichting van de psychiater bij de geneeskundige verklaring vermeldt:

“Sinds de tweede opname van moeder heb ik enkele malen geprobeerd [verzoeker] te spreken te krijgen. Vader meldt eerst dat [verzoeker] naar afspraak zal gaan, en naar huisarts zal gaan. Maar vader staat pas 17-7 gesprek toe. Dan zijn beide zoons echter bij familie. (…) Gedurende alle kontakten sinds ik hen ken is het me nooit gelukt [verzoeker] te zien. Hij zit boven op zijn kamer en ik mag van ouders niet naar hem toe.”

Uit de vaststelling van de rechtbank valt af te leiden dat de psychiater inderdaad op 17 juli 2000 in het (ouderlijk) huis van betrokkene is geweest, maar dat betrokkene toen niet aanwezig was. Betrokkene heeft bij de rechtbank verklaard: “Er is nooit contact gezocht door de G.G.Z. Drenthe6. Ik heb ook geen behoefte aan contact”. De rechtbank overweegt aan het slot van haar beschikking dat betrokkene zich aan het onderzoek heeft onttrokken, maar waarop die vaststelling gebaseerd is, blijkt niet. De rechtbank heeft niet vastgesteld dat de psychiater met betrokkene zelf de afspraak heeft gemaakt, noch dat betrokkene anderszins ervan op de hoogte was dat de psychiater hem op 17 juli wilde spreken. Bij de eerdere huisbezoeken is het contact tussen betrokkene en de psychiater klaarblijkelijk afgehouden door de vader. Bij een eerdere gelegenheid zou de psychiater betrokkene en zijn broer vergeefs hebben uitgenodigd voor een gesprek - aldus de mededeling van de psychiater ter zitting, maar die uitnodiging had klaarblijkelijk betrekking op de opname van de moeder en niet op de opname van betrokkene zelf.

2.5. In beginsel is het aan de feitenrechter overgelaten, te beoordelen of de psychiater voldoende moeite heeft gedaan om met betrokkene in contact te komen. Aan de feitenrechter kan daarbij enige beoordelingsruimte worden vergund: anders dan het verhoor door de rechter op grond van art. 8 Wet Bopz, zijn de oproeping door en het gesprek met de psychiater niet formeel geregeld7. Wordt echter, zoals hier in feitelijke aanleg, het verweer gevoerd dat de psychiater onvoldoende heeft getracht met betrokkene in contact te komen en dat het psychiatrisch onderzoek door het gemis van het persoonlijk contact ontoereikend is geweest om de geestesziekte en het door de Wet Bopz vereiste gevaar vast te stellen, dan zal de rechter op dat verweer moeten ingaan. Het enkele mislopen van betrokkene door de psychiater op 17 juli vormt m.i. geen deugdelijke weerlegging van dat verweer; het feit dat de vader bij een eerdere poging het contact tussen psychiater en betrokkene verbood evenmin. Nu kan het zijn, dat de rechtbank na de mislukte poging op 17 juli geen heil heeft gezien in nieuwe pogingen omdat betrokkene, ook indien de psychiater hem zou hebben bereikt, toch geen medewerking zou hebben gegeven aan het onderzoek8. Ook is denkbaar, dat de rechtbank genoegen heeft genomen met de observaties, die de psychiater ter zitting heeft verricht toen betrokkene wel aanwezig was. Uit de redengeving van de bestreden beschikking blijkt hiervan echter niets. Ik acht beide mogelijkheden te speculatief om daarvan in cassatie uit te gaan. De slotsom is dat onderdeel I slaagt.

2.6. In geval van vernietiging van de bestreden beschikking behoeven de overige klachten geen bespreking. Niettemin ga ik er kort op in. Onderdeel II bestrijdt, primair met een rechtsklacht en subsidiair met een motiveringsklacht, de verwerping van het verweer dat de psychiater, die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld, onvoldoende onafhankelijk is.

2.7. Art. 6 jo. 5 Wet Bopz stelt de eis van een psychiater, die niet betrokken is bij de behandeling van degene ten aanzien van wie de machtiging wordt gevorderd. Er is rechtspraak over dit vereiste:

- HR 15 december 1995, NJ 1996, 365, waar niet werd aanvaard de geneeskundige verklaring van de psychiater, die bijna een jaar tevoren betrokkene in behandeling had en nadien nog een advies over de behandeling aan het behandelteam had gegeven.

Wél werd de geneeskundige verklaring aanvaard in:

- HR 30 juni 1995, NJ 1996, 217 m.nt. JdB, waar het ging om een psychiater, die meer dan vijf jaar geleden voor het laatst bij de behandeling was betrokken;

- HR 16 augustus 1996, NJ 1997, 358 m.nt. JdB, waar het ging om een psychiater, die enkele maanden eerder, op verzoek van anderen, een enkel contact met betrokkene en gesprekken met diens moeder had gehad;

- HR 17 oktober 1997, NJ 1998, 816, waar het ging om een psychiater die vijf maanden eerder betrokkene (in het kader van een aanvraag voorlopige machtiging) had onderzocht en met de huisarts overleg had gehad over de medicatie;

- HR 8 mei 1998, NJ 1998, 796, waar het ging om een psychiater, die sedert meer dan één jaar geen contact of bemoeienis met de betrokkene had gehad.

2.8. In dit geval heeft de rechtbank vastgesteld dat mw. Snijder niet valt aan te merken als de behandelend psychiater van betrokkene. Deze vaststelling getuigt m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat deze psychiater de moeder van betrokkene (tot aan haar opname) in behandeling had, maakt haar niet, in elk geval niet zonder meer, tot de behandelend psychiater van betrokkene zelf. In feitelijke aanleg was in discussie of er indirect sprake is geweest van een behandelrelatie, in die zin dat de behandeling van de moeder zich in feite uitstrekte over het hele gezin. Zou dat waar zijn, dan is de psychiater ook ten opzichte van betrokkene als behandelend arts te beschouwen, ten minste voor de toepassing van art. 5 Wet Bopz. De rechtbank is echter van oordeel dat de hier bedoelde situatie zich niet voordoet. Dat oordeel was voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De redengeving van de rechtbank is niet onbegrijpelijk: de rechtbank heeft uiteengezet, dat de psychiater weliswaar getracht heeft met betrokkene in contact te komen, maar daarin niet is geslaagd9. Het onderdeel faalt.

2.9. Onderdeel III richt een motiveringsklacht tegen het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan de vereisten van art. 2, lid 2 onder a en b, Wet Bopz. De rechtbank heeft niet volstaan met een standaardmotivering maar toegelicht op grond waarvan zij tot het oordeel komt dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat zich hier een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz voordoet. Het middel brengt hiertegen in dat de diagnose “schizofrenie” pas kan worden gesteld na een langdurige observatie. Voor zover de klacht is bedoeld als een herhaling van onderdeel I, deelt zij het lot daarvan. Voor zover de klacht is bedoeld als de stelling dat in het algemeen de diagnose schizofrenie slechts gesteld zou mogen worden na een langdurige observatie, kan zij niet tot cassatie leiden omdat een stelling van die strekking niet in feitelijke aanleg is aangevoerd. Aan de rechtbank kan dus niet met vrucht worden verweten dat zij in haar motivering hierop niet is ingegaan.

2.10. Onderdeel IV klaagt tenslotte dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom zij de gevorderde machtiging heeft toegewezen voor minder dan de wettelijke maximumduur van zes maanden (zie art. 10 Wet Bopz). Bij deze klacht heeft betrokkene geen belang: het gaat immers niet om een machtiging op eigen verzoek. De suggestie, welke in het middel wordt uitgesproken, dat de rechtbank door de kortere duur de verwerping van het eerste verweer heeft willen vergoelijken, mist feitelijke grondslag. Iets heel anders is, dat elders het voorstel is gedaan dat de rechter in gevallen waarin de psychiater noodgedwongen zijn onderzoek heeft moeten beperken tot verklaringen van horen zeggen maar niettemin is voldaan aan de wettelijke eisen voor het verlenen van de voorlopige machtiging, de machtiging tot een korte tijd beperkt. Tijdens de opname in het psychiatrisch ziekenhuis, waarin wél persoonlijk onderzoek van de patiënt mogelijk is, kan dan de conclusie van de geneeskundige verklaring worden bevestigd of ontkracht10. Overigens kan betrokkene op grond van art. 49 Wet Bopz ook zelf ontslag uit het ziekenhuis verzoeken.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank ter verdere afdoening.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Zie ook: Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 2.3 op art. 5 Wet Bopz (Dijkers).

2 EHRM 24 oktober 1979, NJ 1980, 114 m.nt. EAA (Winterwerp), rov. 39, ook opgenomen en becommentarieerd in: R.A. Lawson en H.G. Schermers, Leading Cases of the European Court of Human Rights (1999) blz. 95 e.v. Zie i.h.b. punt 8 van hun noot: “Detention based only on statements by the patient’s relatives or neighbours clearly involves a serious risk of abuse”. Het arrest is recent becommentarieerd door M. Kuijer in de bundel 50 jaar EVRM, NJCM-bulletin 2000 nr. 1, blz. 61 e.v. Zie ook: EHRM 24 september 1992, NJ 1993, 523 m.nt. HER onder nr. 524, (Herczegfalvy), rov. 63.

3 Zie voor soortgelijke gevallen: Rb. Assen, 19 februari 1999, kBJ 1999, 30 m.nt. red.; HR 24 september 1999, NJ 1999, 752, kBJ 1999, 54 m.nt. red; Rb. Amsterdam 4 februari 2000, kBJ 2000, 25 m.nt. red. Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, aant. 2.3 op art. 5 Wet Bopz (Dijkers).

4 Bij de beantwoording van deze vraag kan nog onderscheid worden gemaakt: is de derde wel of niet de wettelijk vertegenwoordiger van de patiënt?

5 Vgl. HR 9 januari 1998, NJ 1998, 456 m.nt. van Wijmen, over de informatieverplichting van een keuringsarts.

6 P.-v. blz. 1. De G.G.Z. Drenthe is de eenheid, waartoe de psychiater behoort die de geneeskundige verklaring heeft afgegeven.

7 Art. 8 lid 1 Wet Bopz regelt het verhoor. De oproeping voor het verhoor door de rechter wordt, ingevolge art. 78 Wet Bopz jis. art. 429f en art. 429r Rv, geregeld in het Besluit oproepingen, mededelingen en zendingen verzoekschriftprocedure (KB van 14 november 1986, Stb. 578, nadien gewijzigd; wetgevingseditie v.d. rechtspraak V.12).

8 De psychiater verklaarde ter zitting: “Ontkenning behoort bij het ziektebeeld. Hij zegt dat iemand anders, in dit geval zijn vader, ziek is.” (p.-v. blz. 2).

9 De rechtbank doelt kennelijk op de hierboven aan het slot van alinea 2.4 besproken poging van de psychiater.

10 Zie de noot van Dijkers onder HR 6 november 1998, kBJ 1998, 60.