Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA7792

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00082/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7792
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 520
NJ 2001, 33
Module Privacy en persoonsgegevens 2000/636
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Wortel

Nr. 00082/00

Zitting 27 juni 2000

Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage wegens valsheid in

geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien

maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr G. Meijers, advocaat te Amsterdam, drie middelen

van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel is in voorwaardelijke vorm voorgesteld en zal, nu de

voorwaarde (dat alsnog een gewaarmerkt afschrift van de bestreden

uitspraak in het dossier wordt gevoegd) in vervulling is gegaan, als

ingetrokken kunnen worden aangemerkt.

4. Het tweede middel betreft de verwerping van een in hoger beroep

gevoerd verweer dat ik meen aldus te kunnen samenvatten: art. 67 AWR

bevat voor ambtenaren van de belastingdienst een

geheimhoudingsplicht. Ingevolge het tweede lid van die bepaling kan

daarvan ontheffing worden verleend. Tot het regelen van de

omstandigheden waaronder die ontheffing in algemene zin is, of per

geval kan worden, verleend strekt het Voorschrift Informatieverstrekking

1993 (VIV 1993). Dat Voorschrift, zoals het luidde ten tijde van de

informatieverstrekking door ambtenaren van de belastingdienst in deze

zaak, onderscheidt tussen het aan derden verstrekken van gegevens die

zijn opgeslagen in door de Belastingdienst aangehouden

persoonsregistraties - als omschreven in de Wet Persoonsregistraties -

enerzijds, en gegevens die zijn opgenomen in een legger of dossier

anderzijds. Ten aanzien van de verstrekking van gegevens uit een bij de

Belastingdienst berustende persoonsregistratie in de zin van de Wet

Persoonsregistraties is in het VIV 1993 onder meer bepaald dat zij

slechts op verzoek kan plaatsvinden; spontane verstrekking van zulke

gegevens is niet toegestaan. De verdediging heeft aannemelijk gemaakt

dat de Belastingdienst in dit geval eigener beweging gegevens heeft

verstrekt uit een persoonsregistratie. Bovendien blijkt uit het dossier niet dat

een voorstel tot verstrekking van gegevens ter beslissing is voorgelegd aan het

hoofd van de eenheid van de Belastingdienst, zoals in het VIV 1993

voorgeschreven.

Dientengevolge is het bewijsmateriaal slechts door onrechtmatig handelen - in de

kern beschouwd: schending van art. 67 AWR - vergaard kunnen worden; daardoor

is een norm geschonden die beoogde belangen van verzoeker te beschermen en

is verzoeker daadwerkelijk in zijn belangen getroffen, terwijl de begane

onrechtmatigheden van dien aard zijn dat al het vergaarde materiaal van gebruik

tot bewijs moet worden uitgesloten.

5. Ook het middel, waarin verschillende klachten te onderkennen zijn, vat ik

samen: het Hof heeft zijn oordeel dat niet is gebleken dat de verstrekte gegevens

uit een persoonsregistratie afkomstig waren, en zijn oordeel dat geen betekenis

toekomt aan het niet gebleken zijn van toestemming van het hoofd van de eenheid

van de Belastingdienst tot het verstrekken van gegevens aan de

opsporingsfunctionarissen van GAK Nederland B.V. (hierna: ‘het GAK’), telkens

op ontoereikende gronden doen steunen (de toelichting op het middel onder a tot

en met c), de bestreden uitspraak vertoont hetzelfde manco ten aanzien van het

oordeel dat geen sprake kan zijn geweest van een zodanig ernstig verzuim dat

bewijsuitsluiting daarvan het gevolg zou moeten zijn (toelichting onder d en e), en

de overweging dat het verstrekken van informatie door de Belastingdienst ook kon

worden gebaseerd op art. 162 Sv getuigt van een onjuiste wetsuitleg (toelichting

onder f).

6. Bij beoordeling van dit middel komt belang toe aan de vraag onder

welke omstandigheden een verzameling van gegevens aangemerkt moet

worden als een ‘persoonsregistratie’ in de zin van de Wet

Persoonsregistraties.

7. In de toelichting onder a. wordt het bezwaar opgeworpen dat het Hof

heeft overwogen dat nergens uit blijkt dat de door de Belastingdienst

verstrekte startinformatie uit een persoonsregistratie afkomstig is

geweest, hetgeen van een onjuiste rechtsopvatting zou getuigen omdat

met betrekking tot de feitelijke grondslag van een gevoerd verweer niet

méér mag worden verlangd dan dat het gestelde aannemelijk is

geworden. Dit laatste is zeker juist. Dat het Hof blijk zou hebben gegeven

van miskenning van deze processuele maatstaf lijkt mij uit zijn

overweging evenwel niet te mogen worden afgeleid.

Die overweging luidt:

“Anders dan de raadsman kennelijk veronderstelt, blijkt nergens uit dat de

door de Belastingdienst verstrekte startinformatie, inhoudende “dat de

inkomsten hoger waren dan door [verzoeker] werd aangegeven op zijn

aangiftebiljet IB” afkomstig was uit een persoonsregistratie. Veeleer is

aannemelijk dat deze startinformatie afkomstig was uit een inmiddels

met betrekking tot de verdachte aan de hand van zijn aangifte IB gevormd

belastingdossier (pagina’s 8 en 9). Een dossier valt niet onder het begrip

“persoonsregistratie” in de zin van de Wet persoonsregistraties

(paragraaf 5.1 VIV 1993).”

Dit laat zich aldus verstaan dat het Hof, anders dan de verdediging, in de stukken

van het dossier geen aanknopingspunten heeft gevonden dat de verstrekte

gegevens afkomstig waren uit een persoonsregistratie, maar wèl aanwijzingen dat

die gegevens afkomstig waren uit een met betrekking tot verzoeker gevormd

dossier. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat een aan het verweer ten

grondslag gelegde feitelijke stelling niet aannemelijk is geworden.

8. Vervolgens wordt er over geklaagd (toelichting op dit middel onder b) dat het

Hof niet inhoudelijk is ingegaan op de redenen die de verdediging heeft opgegeven

ten betoge dat de door de Belastingdienst verstrekte informatie wel afkomstig

moet zijn geweest, of deel uitgemaakt moet hebben, van een persoonsregistratie.

Die door de verdediging aangevoerde argumenten, waarnaar in de toelichting wordt

verwezen, waren de volgende. Uit een door de verdediging geproduceerde brief van

de voorzitter van de Registratiekamer blijkt dat naar het inzicht van dat College

onder het begrip ‘persoonsregistratie’ een gegevensverzameling valt die een

duidelijke, vooraf bepaalde structuur heeft en die is aangelegd met het oog op

doeltreffende raadpleging van de gegevens. In bijlagen bij het proces-verbaal van

opsporingsonderzoek zijn gegevens van de Belastingdienst opgenomen

waaronder overzichten van opgaven van inkomsten, overzichten van resultaten,

loonopgaven, jaarrekeningen en controlerapporten. Daarnaast blijkt uit een bijlage

bij de genoemde brief van de voorzitter van de Registratiekamer dat de

Belastingdienst een aantal persoonsregistraties heeft aangemeld.

Daarmee achtte de verdediging haar stelling dat er sprake is geweest van het

verstrekken van gegevens uit een persoonsregistratie voldoende onderbouwd.

9. In de bestreden overwegingen is vastgesteld dat door de Belastingdienst te

Gorinchem op 29 mei 1995 mededeling is gedaan (aan functionarissen van het

GAK) van de omstandigheid dat verzoeker naast zijn arbeidsongeschikt-

heidsuitkering (andere) inkomsten had ontvangen, en dat een door de

Belastingdienst ingesteld onderzoek had uitgewezen dat de inkomsten hoger

waren dan door verzoeker opgegeven in een aangiftebiljet betreffende de

inkomstenbelasting. Ook is daarin vastgesteld dat op 22 mei 1996 door een aan

het GAK verbonden verbalisant een onderzoek is ingesteld in hem door de

Belastingdienst ter beschikking gestelde belastingdossiers betreffende verzoeker,

waarbij een belastinginspecteur het door de Belastingdienst ingestelde onderzoek

heeft toegelicht. In dit verband verwees het Hof naar het in het arrest opgenomen

bewijsmiddel 3, inhoudende de resultaten van dat onderzoek.

10. In deze overwegingen kan besloten worden geacht dat het Hof inhoud en

structuur van de door de Belastingdienst aan de opsporingsfunctionarissen van

het GAK verstrekte en ter inzage gegeven informatie in zijn beschouwingen heeft

betrokken. Anders dan in dit onderdeel van het middel wordt betoogd is het Hof

derhalve niet voorbijgegaan aan hetgeen de verdediging, onder verwijzing naar de

brief van de voorzitter van de Registratiekamer, naar voren had gebracht.

11. In de toelichting op dit middel onder b. is nog weer een andere klacht

opgenomen. Gesteld wordt dat ’s Hofs oordeel dat de ter beschikking van de

verbalisanten gestelde startinformatie wel afkomstig moet zijn uit een met

betrekking tot verzoeker gevormd belastingdossier ‘in cassatie waarschijnlijk

gerespecteerd zal moeten worden’, maar dat uit hetgeen het Hof heeft vastgesteld

niet kan volgen dat een dergelijk dossier niet valt onder het begrip

‘persoonsregistratie’ in de zin van de Wet Persoonsregistraties.

12. Naar luid van art. 1 Wet Persoonsregistraties wordt onder ‘persoonsregistratie’

verstaan:

een samenhangende verzameling van op verschillende personen

betrekking hebbende persoonsgegevens, die langs geautomatiseerde

weg wordt gevoerd of met het oog op een doeltreffende raadpleging van

die gegevens systematisch is aangelegd.

13. Gelet op doel en strekking van deze Wet is de omstandigheid dat de

gegevensverzameling betrekking moet hebben op verschillende personen een

wezenlijk element van de definitie van een persoonsregistratie. Dat is ook

benadrukt in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat de Wet

Persoonsregistraties heeft opgeleverd:

“Verder stelt de definitie het vereiste dat de verzameling op verschillende personen

betrekking hebbende gegevens bevat. Een groot aantal gegevens omtrent één

persoon is dus niet een persoonsregistratie in de zin van de Wet.” (Kamerstukken

II, 1984-1985, 19 095, nr 3, p. 17).

14. Deze definitie van een persoonsregistratie is herhaald in par. 2.4.1. van het

bovengenoemde VIV 1993, waaraan de vaststelling is verbonden dat een legger of

dossierverzameling bij de Belastingdienst niet wordt beschouwd als een

persoonsregistratie en dus niet onder de werking van de Wet Persoonsregistraties

valt, met uitzondering van informatie, zoals uitdraaien van geautomatiseerde

bestanden, die uit een persoonsregistratie afkomstig zijn en in een legger zijn

gevoegd. In overeenstemming met de Wet Persoonsregistraties is in par. 5.1. VIV

1993 voorts bepaald dat het op eigen initiatief verstrekken van gegevens uit (door

de Belastingdienst aangehouden) persoonsregistraties niet mogelijk is, maar

spontane gegevensverstrekking uit andere gegevensverzamelingen, zoals een

legger die, of een dossier dat bij een eenheid van de belastingdienst is aangelegd,

wel toelaatbaar is. Ik merk op dat deze bepalingen ook in de huidige tekst van het

VIV 1993, na laatste wijziging gepubliceerd in Stcrt 1998, 243, nog in dezelfde

formulering zijn opgenomen.

15. De steller van het middel zal ik toegeven dat nergens nadrukkelijk is bepaald

wat onder een dossier van de Belastingdienst, of onder een legger moet worden

verstaan. Het ontbreken van een omschrijving daarvan zal wellicht hierdoor

verklaard kunnen worden dat de inhoud van die begrippen voor de fiscale

regelgever te zeer vanzelfsprekend is geweest om tot nadere omschrijving te

inspireren.

Inderdaad zal niet als een gegeven van algemene bekendheid kunnen worden

beschouwd dat een ‘legger’ in de terminologie van ambtenaren van de

Belastingdienst een map is waarin met het oog op aanslagregeling en invordering

gegevens omtrent de belastingplichtige zijn opgenomen, ook met betrekking tot

voorgaande tijdvakken, zoals eerder door of namens hem gedane aangiftes,

renseignementen van financiële instellingen, branchegegevens en door de

Belastingdienst opgestelde controlerapporten.

Daarentegen zou ik menen dat er geen enkel bezwaar tegen bestaat aan het

begrip ‘dossier’ de betekenis toe te kennen die uit algemeen aanvaard

spraakgebruik volgt: een verzameling van gegevens betreffende één bepaald

onderwerp, zodat ook zonder verwijzing naar een bron waarin dat nog eens

uitdrukkelijk is omschreven onder een ten name van

een bepaalde persoon gesteld ‘belastingdossier’ kan worden verstaan: een

verzameling van voor de werkzaamheden van de Belastingdienst relevante

gegevens betreffende die ene persoon.

16. Nu het Hof blijkens zijn, hierboven samengevatte, overwegingen heeft kunnen

vaststellen dat er gegevens zijn verstrekt, respectievelijk ter inzage gegeven, uit

een of meer dossiers die specifiek gericht waren op verzoeker en zijn fiscale

verplichtingen, kon het vaststellen dat die dossiers niet onder het begrip

‘persoonsregistratie’ in de zin van art. 1 Wet Persoonsregistraties en par. 2.4.1.

VIV 1993 vielen, zodat de in par. 5.1. VIV 1993 neergelegde belemmering voor het

op eigen initiatief van de Belastingdienst verstrekken van die gegevens zich niet

heeft voorgedaan.

17. De omstandigheid dat de verdediging verwees naar bepaalde bijlagen bij het

proces-verbaal van opsporing kon aan dat oordeel niet in de weg staan. Die

bijlagen zijn, achtereenvolgens, een overzicht, opgesteld door C.H.L. Arisse

(blijkens de stukken de belastinginspecteur die de aan de verbalisant verstrekte

gegevens heeft toegelicht), van inkomensgegevens betreffende verzoeker over een

aantal jaren met daarbij gevoegde kopieën van loonbelastingkaarten,

resultatenoverzichten en stukken betreffende jaarrekeningen van de besloten

vennootschap Adfiman (bijlage B 4) een drietal door de Belastingdienst

opgestelde controlerapporten betreffende die vennootschap Adfiman (bijlage B 5),

betreffende VDC Management Inc (bijlage B 6) en betreffende AFB Adviseurs

Leerdam B.V. (bijlage B 7), kopieën van stukken betreffende het aanvragen van

een hypothecaire geldlening door verzoeker (bijlage B 8), een aan verzoeker

geadresseerd en kennelijk door hem ingevuld en ondertekend formulier betreffende

‘ziekenfondsbeoordeling’ (bijlage B 9) en een brief met bijlagen, afkomstig van de

belastingdienst, betreffende de beslissingen op bezwaarschriften tegen

aanslagen, opgelegd aan de drie zo-even genoemde ondernemingen, aan

verzoeker en aan - kennelijk - zijn echtgenote (bijlage B 10). Blijkens de stukken

heeft verzoeker door tussenkomst van de drie genoemde ondernemingen

werkzaamheden verricht waaruit hij inkomsten heeft genoten.

Inhoud en structuur van deze bijlagen onderstrepen dat hetgeen de

Belastingdienst aan de opsporingsfunctionarissen ter beschikking heeft gesteld

afkomstig is geweest uit een gegevensverzameling (een ‘belastingdossier’) die

geheel gericht is geweest op de belastingplichtigheid van verzoeker. Enige

aanwijzing dat die gegevens geheel of ten dele afkomstig waren uit een

samenhangende verzameling van gegevens betreffende verschillende personen,

bijeengebracht om gegevens betreffende die verschillende personen - als een

samenhangend geheel - op doeltreffende wijze te kunnen raadplegen valt ook aan

deze bijlagen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek niet te ontlenen.

18. De in de toelichting op het middel betrokken stelling dat naar aanleiding van

het onderzoek ter terechtzitting niet duidelijk is geworden welke informatie zich in

het belastingdossier heeft bevonden miskent dat het Hof wel degelijk heeft

vastgesteld wat de aard van die informatie, voor zover aan de

opsporingsfunctionarissen verstrekt of ter inzage gegeven, is geweest. Evenmin

juist is de stelling dat het Hof zich heeft schuldig gemaakt aan een

cirkelredenering door uitsluitend op grond van de tekst van par. 5.1. VIV 1993 vast

te stellen dat de uit het dossier verstrekte inlichtingen niet onder het bereik van de

Wet Persoonsregistraties vielen.

’s Hofs oordeel dat de verstrekte informatie afkomstig is geweest uit een op

verzoeker toegespitst, door de Belastingdienst aangelegd, dossier dat niet is aan

te merken als een ‘persoonsregistratie’ in de zin van de Wet Persoonsregistratie

is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Het middel, voor zover nader toegelicht onder a tot en b, is dan ook vruchteloos

voorgesteld.

19. In de toelichting onder c. wordt betoogd dat ’s Hofs oordeel dat het,

gelet op de in het dossier (hier is duidelijk gedoeld op het dossier

betreffende de strafzaak) opgenomen fiscale gegevens, zeer

onwaarschijnlijk is dat het hoofd van de eenheid de startinformatie niet

aan het GAK zou hebben verstrekt, om twee redenen op ondeugdelijke

gronden berust.

De eerste reden vindt de steller van het middel hierin gelegen dat ’s Hofs

overwegingen dubbelzinnig zouden zijn. Het zou onduidelijk zijn of het

Hof heeft bedoeld dat, ofschoon zulks uit het dossier niet blijkt, het hoofd

van de eenheid de startinformatie wel zelf heeft verstrekt, dan wel dat het

hoofd van de eenheid in verstrekking van de informatie zou hebben

toegestemd indien hem een daartoe strekkend verzoek zou zijn

voorgelegd ofschoon dat in werkelijkheid niet is gebeurd. Voorts wordt

betoogd dat de overweging ook nog de uitleg zou toelaten dat het Hof

heeft gemeend dat het geven van toestemming door het hoofd van de

eenheid niet uit het dossier behoeft te blijken.

20. Ik kan die onduidelijkheid of dubbelzinnigheid in de bestreden

overweging niet terugvinden. Zij luidt:

“Voor zover in casu niet zou zijn voldaan aan het voorschrift dat een

voorstel om spontaan informatie te verstrekken ter beslissing wordt

voorgelegd aan het hoofd van de eenheid, waarbij het belang bij de

informatieverstrekking moet worden aangegeven, hetgeen overigens niet

uit de aan het hof ter beschikking staande gegevens is gebleken, lijkt het,

gelet op de zich in het dossier bevindende fiscale gegevens, zeer

onwaarschijnlijk dat het hoofd van de eenheid die startinformatie niet aan

het GAK zou hebben verstrekt. Hierbij neemt het hof in aanmerking de

aard van de verstrekte startinformatie, te weten de enkele mededeling dat

“de inkomsten hoger waren dan door [verzoeker] werd aangegeven op

zijn aangiftebiljet IB.” Vervolgens is verder onderzoek van de

opsporingsfunctionarissen van het GAK verricht en heeft de officier van

justitie toestemming gegeven om relevante bescheiden uit te wisselen

met de belastingdienst.”

21. In hierop volgende overwegingen heeft het Hof de inhoud

weergegeven van de paragrafen 2.2. en 4.2. van het VIV 1993 en van de

bij dat voorschrift gevoegde bijlage 2B en voorts overwogen:

“Voor zover de verbalisanten Talamini en Van Apeldoorn na

bovengenoemde spontane mededeling van de Belastingdienst

zelfstandig dossier- en boekenonderzoek bij de Belastingdienst hebben

verricht bevatten de artikelen 50a, eerste tot en met derde lid, en 50,

letter e, eerste lid, (oud) van de Organisatiewet Sociale Verzekeringen

hiervoor de wettelijke basis, namelijk een door die bepalingen

voorgeschreven inlichtingen-verplichting.”

22. Tezamen genomen laten deze overwegingen zich slechts als volgt

verstaan. De verstrekking van gegevens aan de verbalisant van het GAK

ter gelegenheid van diens bezoek aan de eenheid van de Belastingdienst

op 22 mei 1996 vond plaats op diens verzoek, zodat de verplichting aan

dat verzoek te voldoen voortvloeide uit de art. 50a en 50e Organisatiewet

Sociale Verzekeringen, zoals die bepalingen toen luidden, en ingevolge

paragraaf 4.2. van het VIV 1993 was instemming van het hoofd van de

eenheid geen vereiste.

Voor zover die instemming wel een vereiste was heeft het Hof niet

kunnen vaststellen dat daaraan is voldaan. Het Hof heeft daarbij het oog

op de ‘startinformatie’ en derhalve op de gegevens die de Belastingdienst

eigener beweging aan het GAK verstrekte op 29 mei 1995. Aan de

omstandigheid dat uit het dossier niet blijkt dat aan het vereiste van

instemming van het hoofd van de eenheid is voldaan heeft het Hof geen

gevolgen willen verbinden, waarbij het belang heeft toegekend aan de

inhoud van de verstrekte informatie, die naar het inzicht van het Hof

meebrengt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het hoofd van de eenheid

zijn instemming zou hebben onthouden.

23. In paragraaf 2.2. van het VIV 1993, één der algemene bepalingen die

zijn opgenomen in het tweede hoofdstuk van dat voorschrift, is bepaald

dat, indien in een wettelijke bepaling aan de Belastingdienst de

verplichting is opgelegd informatie te verstrekken, geen ontheffing van de

op ambtenaren van de Belastingdienst rustende geheimhoudingsplicht

behoeft te worden verleend alvorens tot het verstrekken van die

informatie over te gaan. Ten tijde van het verstrekken van gegevens door

de Belastingdienst in deze zaak vloeide die verplichting ten aanzien van

(ambtenaren van) het GAK voort uit de art. 50a en 50e van de inmiddels

vervallen Organisatiewet Sociale Verzekeringen. Uit paragraaf 4.2. van

het VIV 1993 vloeit voort dat bij informatieverstrekking op grond van een

wettelijke verplichting voor het hoofd van de eenheid geen andere taak is

weggelegd dan er bij zijn superieur melding van maken indien naar zijn

inzicht het voldoen aan het verzoek een te grote werklast op de eenheid

legt. Krachtens paragraaf 5.3., betrekking hebbend op de verstrekking

van informatie aan overheidsinstanties op eigen initiatief van de

Belastingdienst, dient een voorstel daartoe aan het hoofd van de eenheid

te worden voorgelegd. Die zal moeten onderzoeken of de te verstrekken

informatie van belang kan zijn voor, en naar verwachting ook zal worden

gebruikt bij, de voorkoming of bestrijding van misbruik of oneigenlijk

gebruik van regelingen van de overheid. Voorts dient spontane

informatieverstrekking achterwege te blijven bij een te gering financieel

belang, en dient te worden voorkomen dat informatie wordt verstrekt

zonder dat daarvan een (beoogd) effect te verwachten valt.

24. Ten aanzien van de informatieverstrekking aan de verbalisant bij

gelegenheid van diens bezoek aan de eenheid van de Belastingdienst op

22 mei 1996 - en dus noodzakelijkerwijs op diens verzoek - heeft het Hof

zich er rekenschap van gegeven dat het verstrekken van die informatie

voldeed aan de criteria gesteld in paragraaf 4.2. van, en bijlage 2B bij, het

VIV 1993 zoals het ten tijde van de informatieverstrekking luidde.

Ten aanzien van de spontane informatieverstrekking op 29 mei 1995

heeft het Hof vastgesteld dat weliswaar niet blijkt dat het hoofd van de

eenheid toestemming had gegeven, zoals krachtens paragraaf 5.3. van

het VIV 1993 vereist was, maar dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het

hoofd van de eenheid zijn toestemming niet zou hebben verleend, gelet

op de aard van de verstrekte inlichtingen. Klaarblijkelijk heeft het Hof

geoordeeld dat het hoofd van de eenheid, gelet op de in paragraaf 5.3.

van het VIV 1993 gestelde criteria voor toelaatbaarheid van

informatieverstrekking uit eigen beweging, geen aanleiding had kunnen

vinden de informatieverstrekking niet toe te staan.

Dat oordeel is noch onbegrijpelijk, noch onvoldoende met redenen

omkleed.

25. De tweede reden waarom dit onderdeel van ’s Hofs overwegingen

onjuist wordt geacht is er in gelegen dat er voor de rechtsbescherming

van de burger ‘barre tijden aanbreken’ indien inbreuken op grondrechten

ongeclausuleerd worden toegestaan indien achteraf, en met

inachtneming van de resultaten van (onrechtmatig) optreden, vastgesteld

wordt dat benodigde ambtelijke toestemming, ofschoon kennelijk niet

gevraagd, toch wel zou zijn gegeven. In dit verband wordt gesproken over

strijd met art. 8 EVRM in verband met het vereiste van optreden “in

accordance with the law”.

Het argument miskent dat weliswaar het maken van inbreuken op in art.

8 EVRM gewaarborgde rechten slechts is toegelaten indien daarbij

wettelijke vereisten in acht worden genomen, maar dat de rechter die

over de rechtmatigheid van overheidsoptreden moet oordelen niet de

vrijheid kan worden ontzegd - achteraf - vast te stellen dat een bij of

krachtens de wet voorziene procedure weliswaar niet is gevolgd, maar

dat het opgetreden verzuim niet zodanige nadelen voor de betrokken

burger heeft gehad dat daaraan gevolgen moeten worden verbonden.

26. In de toelichting onder c wordt bezwaar gemaakt tegen de

overweging dat er naar ’s Hofs inzicht in ieder geval geen sprake kan zijn

geweest van een zodanig ernstig vormverzuim dat daaraan

bewijsuitsluiting als sanctie zou moeten worden verbonden.

Gesteld wordt dat ook in deze overweging een onduidelijkheid te vinden

is. In het midden zou zijn gelaten of de verstrekte informatie naar het

inzicht van het Hof afkomstig was uit een persoonsregistratie (zoals door

de vedediging betoogd) of dat het Hof hier uitsluitend het oog heeft gehad

op het verstrekken van informatie zonder (gebleken) toestemming van

het hoofd van de eenheid. In werkelijkheid kan die onduidelijkheid in de

overweging niet gevonden hebben: zij heeft onmiskenbaar betrekking op

de omstandigheid dat niet is gebleken dat het hoofd van de eenheid

toestemming is gevraagd voor spontane informatieverstrekking in het ene

geval waarin dat aan de orde was.

27. Voorts wordt betoogd dat de verwerping van het gevoerde verweer

ongenoegzaam is omdat het Hof, uitgaande van een vormverzuim, niet

had mogen volstaan met de vaststelling dat er geen reden was voor

bewijsuitsluiting, maar ambtshalve had behoren te onderzoeken of er

aanleiding was één der andere, in art. 359a Sv genoemde gevolgen aan

dat verzuim te verbinden.

28. Ook deze klacht faalt. In HR NJ 1999, 104 is benadrukt dat art. 359a

Sv de rechter in staat stelt binnen het wettelijk kader sancties op

vormverzuimen af te stemmen op de omstandigheden van het geval, en

dat "(a)ls de rechter heeft vastgesteld dat zich een onherstelbaar

verzuim als bedoeld in art. 359a Sv heeft voorgedaan en hij tot het

oordeel komt dat de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde belangen

rechtvaardigen dat het verzuim zonder rechtsgevolgen dient te blijven,

(…) een redelijke uitleg van art. 359a derde lid Sv mee(brengt) dat hij die

beslissing eveneens in zijn vonnis vermeldt en met redenen omkleedt"

(cursivering van mij, JW).

In de onderhavige zaak heeft het Hof vastgesteld dat, ofschoon niet is

gebleken dat het hoofd van de eenheid van de Belastingdienst zijn

toestemming heeft gegeven tot het op eigen initiatief verstrekken van

gegevens aan het GAK, het zeer onwaarschijnlijk is dat die functionaris

de toestemming niet zou hebben verleend. Daarmee heeft het Hof, dunkt

mij, vastgesteld dat zich geen onherstelbaar verzuim heeft voorgedaan,

in ieder geval niet een verzuim waardoor verzoeker in enig rechtens te

respecteren belang is getroffen. In het licht daarvan geeft het in de

bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat het geconstateerde

verzuim tot geen enkele van de in art. 359a Sv genoemde consequenties

behoort te leiden geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, terwijl het

geen nadere motivering behoefde. In dit verband valt nog te wijzen op HR

7 maart 2000, griffienr. 112.180.

29. In de toelichting onder f, ten slotte, wordt gesteld dat het Hof ten

onrechte heeft overwogen:

"De toelaatbaarheid van de door de Belastingdienst aan het GAK

verstrekte startinformatie kan ook worden gebaseerd op het bepaalde in

het eerste lid van artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering, een

bepaling die instanties en personen verplicht misdrijven als waarvan in de

onderhavige zaak sprake is aangifte te doen bij de officier van justitie,

met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken. De door de

Belastingdienst verstrekte informatie is uiteindelijk immers door

tussenkomst van de opsporingsfunctionarissen van het GAK bij de

officier van justitie terechtgekomen en zou, achteraf bezien, kunnen

worden aangemerkt als een aangifte als bedoeld in evengenoemd

artikellid."

30. Deze klacht acht ik terecht. In de eerste plaats is hier miskend dat de

eigener beweging verstrekte inlichtingen (daarop heeft het Hof kennelijk

het oog, aangezien ook hier wordt gesproken van de 'startinformatie')

betrekking hadden op het vermoedelijk ten onrechte genieten van een

uitkering. Dat zou een feit opleveren dat is strafbaar gesteld in de sociale

zekerheidswetgeving of als valsheid in geschrift, maar dat noch een

misdrijf als bedoeld in het eerste lid van art. 162 Sv onder a) of b), noch

een misdrijf waardoor onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een

regeling waarvan de uitvoering aan ambtenaren van de Belastingdienst is

opgedragen, als bedoeld in art. 162 lid 1 onder c) Sv kon zijn. De

uitkering in kwestie was krachtens een werknemersverzekering verstrekt,

en daarmee heeft de Belastingdienst, anders dan het geval is ten

aanzien van volksverzekeringen, ook wat de invordering van premies

betreft geen enkele bemoeienis.

Deze door het Hof gevolgde redenering is krom en vergezocht, en lijkt mij

ook in een ander opzicht te berusten op een verkeerde wetsuitleg. Uit de

aanhef van het eerste lid van art. 162 Sv, en ook uit art. 163 lid 5 Sv, volgt

dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat de in art. 162 Sv bedoelde

aangifte alleen gedaan kan worden bij de officier van justitie of bij een

hulpofficier van justitie.

Overigens is bovendien nog uit het oog verloren dat het al meermalen

genoemde VIV 1993 ook ten aanzien van het doen van aangifte

bijzondere bepalingen inhoudt (hoofdstuk 6).

31. De hier bestreden overweging is blijkens haar bewoordingen en

gezien de plaats die zij in het geheel der overwegingen inneemt evenwel

aan te merken als een overweging ten overvloede. Aangezien de er aan

voorafgaande overwegingen de verwerping van het verweer zelfstandig

dragen kan de klacht daarom niet tot cassatie leiden, vgl.HR DD 94.122.

32. Het middel is derhalve in alle onderdelen vruchteloos voorgesteld.

33. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft

nagelaten het VIV 1993 onverbindend te verklaren. Daarmee wordt aan

de Hoge Raad een principiële vraag voorgelegd die de verdediging -

zoals in de toelichting op het middel ook wordt gesignaleerd - bij het Hof

niet heeft opgeworpen.

De steller van het middel acht het VIV 1993 in strijd met art.8 EVRM, en

verwijst naar passages uit een publicatie van de Registratiekamer.

34. In die passages is het evenwel niet het VIV 1993 dat door de

Registratiekamer - uit een oogpunt van privacy en in verband met het

legaliteitsbeginsel - ongenoegzaam wordt bevonden, maar art. 67,

tweede lid, AWR. Naar het inzicht van de Registratiekamer biedt het op

die bepaling berustende systeem van ministeriële, of door de minister

(staatssecretaris) gedelegeerde, ontheffing van de in art. 67 lid 1 AWR

opgenomen geheimhoudingsplicht, waarbij geen beperkingen zijn

aangegeven (bedoeld zal zijn: in de wet in formele zin) geen adequate

wettelijke grondslag voor het verstrekken van fiscale persoonsgegevens.

35. In zoverre lijkt dit middel een uitnodiging aan de Hoge Raad om niet

zozeer het VIV 1993, alswel art. 67 lid 2 AWR, als wettelijke grondslag

voor het verstrekken van informatie door de Belastingdienst aan derden

(in het bijzonder overheidsinstanties, belast met de uitvoering van, of het

toezicht op, andere delen van de wetgeving), onverbindend te verklaren.

Dat is naar mijn overtuiging aanzienlijk veel te veel gevraagd. Ik meen niet

dat het een begaanbare weg is om in deze cassatieprocedure vast te

stellen dat een wettelijke bepaling onverbindend verklaard behoort te

worden omdat de Registratiekamer als haar inzicht te kennen heeft

gegeven dat die bepaling niet langer voldoet aan eigentijdse opvattingen

omtrent een doeltreffende bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Met alle respect voor de inzichten van de Registratiekamer, en de

belangrijke rol die dat College vervult bij de bescherming van de

persoonlijke levenssfeer, zou zulk onverbindend verklaren van art. 67 lid

2 AWR niet te verenigen zijn met de taakverdeling tussen wetgever en

rechter, en in strijd komen met het in art. 11 Wet algemene bepalingen

tot de rechter gerichte verbod de innerlijke waarde van de wet te

beoordelen.

36. Opmerking verdient in dit verband - ook met het oog op art. 94 Gr -

dat in de publicatie van de Registratiekamer, voor zover aangehaald in de

toelichting op het middel, niet is betoogd dat art. 67 lid 2 AWR, en de

praktijk van gegevensverstrekking op grond van deze bepaling, duidelijk in

strijd komen met art. 8 EVRM en de verplichtingen die daaruit voor de

lidstaten voortvloeien. Evenmin kan er naar mijn inzicht voor de Hoge

Raad aanleiding zijn die strijdigheid met de verdragsbepaling vast te

stellen. Het is mijn overtuiging dat het aan andere instanties ter

beschikking stellen van gegevens door de Belastingdienst - gegevens die

zij zelf heeft kunnen verkrijgen omdat belasting- en inhoudingsplichtigen

wettelijk verplicht zijn die aan haar op te geven - aangemerkt moet

worden als een vorm van inmenging in de uitoefening van het recht op

een persoonlijke levenssfeer in de zin van art. 8 EVRM. Die is evenwel bij

wet voorzien. Het lijkt mij niet goed verdedigbaar dat aan dit

verdragsrechtelijke vereiste niet langer voldaan kan zijn omdat - van zeer

gezaghebbende zijde - is betoogd dat de bestaande wettelijke regeling is

verouderd, en ontwikkelingen rond de bescherming van de persoonlijke

levenssfeer thans vergen dat de aan ambtenaren van de Belastingdienst

op te leggen beperkingen ten aanzien van het bekend maken van hen ter

beschikking staande persoonsgegevens aan andere

(overheids)instanties worden opgenomen in de wet in formele zin, in

plaats van (zoals thans het geval is) in een uitvoeringsvoorschrift.

37. Hier zou een taak liggen voor de wetgever, niet voor de rechter.

Reeds daarom moet het middel falen. Voor zover in de toelichting op dit

middel wordt betoogd dat het VIV 1993 onverbindend verklaard zou

moeten worden omdat het ontbreken van een adequaat te achten

wettelijke grondslag voor hetgeen daarin is bepaald in strijd komt met het

legaliteitsbeginsel in de zin van art. 1 Sv kan dat betoog evenmin worden

gevolgd. Nog daargelaten dat het maar de vraag is of het ter beschikking

stellen van gegevens, die een overheidsinstantie uit hoofde van haar

controlerende en uitvoerende taken heeft verkregen, aan functionarissen

van een met de uitvoering van andere wetten belast orgaan, opdat de

laatsten die gegevens in een opsporingsonderzoek zullen betrekken, als

een daad van opsporing in de zin van art. 1 Sv moet worden beschouwd,

kan niet worden gezegd dat er toepassing is gegeven aan een

bevoegdheid die geen grondslag in de wet kent. Ofschoon naar het

inzicht van de Registratiekamer verouderd, blijft art. 67 AWR die

grondslag bieden. Art. 1 Sv verzet zich er niet tegen dat nadere regels

omtrent de uitoefening van een bevoegdheid worden opgenomen in

andere vormen van regelgeving dan een wet in formele zin.

38. Ook het argument dat het VIV 1993 buiten toepassing zou moeten

blijven omdat het geen voor de gemiddelde burger toegankelijke regeling

is snijdt geen hout. Met name op het gebied van de sociaal-economische

en fiscale wetgeving zijn er tal van uitvoeringsvoorschriften waarin nader

wordt bepaald hoe overheidsfunctionarissen hun taken dienen te

verrichten, en overigens soms ook hoe ver de verplichtingen van

ingezetenen strekken. De 'gemiddelde burger' zal zich grote moeite

moeten getroosten om precies te achterhalen wat er op dat vlak is

geregeld. Het is echter mogelijk: ook het VIV 1993 is in de Staatscourant

gepubliceerd, en ook de uitgevers zijn aan die regeling niet

voorbijgegaan, vgl (met betrekking tot de situatie ten tijde van de

gegevensverstrekking in deze zaak) de bij deel 82, zesde druk, van de

Schuurman en Jordens-reeks behorende 2de gecumuleerde aanvulling

van 1 oktober 1994, p. 1017.

39. Ten slotte wordt, naar ik begrijp, als redenen om het VIV 1993

onverbindend te achten aangevoerd dat de omstandigheden waaronder

gegevensverstrekking aan derden kan plaatsvinden daarin met zo weinig

nauwkeurigheid zijn beschreven dat niet voorzienbaar zou zijn wanneer

die gegevensverstrekking, en daarmee een inmenging in de persoonlijke

levenssfeer, mogelijk is, terwijl de regeling onvoldoende waarborgen biedt

voor een verantwoord omgaan met de bevoegdheid gegevens aan

andere instanties te verstrekken omdat het oordeel daaromtrent binnen

het bestuursorgaan (medewerker of hoofd van de eenheid van de

Belastingdienst) wordt gegeven.

Als voorbeeld van het gebrek aan duidelijkheid omtrent de

omstandigheden waaronder gegevens aan derden kunnen worden

verstrekt wordt genoemd de onduidelijkheid die zou zijn blijven bestaan

met betrekking tot het begrip 'dossier op een eenheid'. In het voorgaande

is er op gewezen dat die onduidelijkheid niet blijkt te bestaan indien aan

'dossier' de betekenis wordt toegekend die met algemeen geaccepteerd

spraakgebruik overeenkomt. Ook overigens meen ik niet dat de

omstandigheden waaronder bij de Belastingdienst berustende gegevens

aan derden kunnen worden verstrekt zo gebrekkig zijn omschreven dat

het VIV 1993 onmogelijk kan gelden, tezamen met het tweede lid van art.

67 AWR, als de wettelijke voorziening bedoeld in art. 8, lid 2, EVRM. Dat

kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat het besluit tot

gegevensverstrekking binnen het bestuursorgaan zelf moet worden

genomen, overigens een niet ongebruikelijke figuur in het bestuursrecht.

40. Ook het laatste middel is vruchteloos voorgesteld. Gronden waarop

de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de

bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen vond ik niet. Deze

conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,