Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA7788

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00711/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7788
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 518
NJ 2001, 12
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00711/99

Mr Wortel

Zitting: 27 juni 2000

Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft verzoeker wegens overtreding van

art. 30 lid 2 WAM veroordeeld tot twee weken hechtenis. Voorts heeft de

Rechtbank aan verzoeker een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te

besturen voor de duur van vier maanden opgelegd.

2. Namens verzoeker heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, twee middelen

van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte een

bezwaar tegen het wijzigen der tenlastelegging heeft verworpen, althans

de verwerping van dat bezwaar onvoldoende met redenen heeft omkleed.

4. Nadat bij twee eerdere gelegenheden geen inhoudelijke behandeling had

kunnen plaatsvinden (ter zitting van 20 april 1998 is het onderzoek op verzoek van

de verdediging terstond geschorst en ter zitting van 21 september 1998 moest het

onderzoek opnieuw worden geschorst omdat de tolk en opgeroepen getuigen niet

waren verschenen) heeft het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

plaatsgevonden op 15 maart 1999. Toen moest worden vastgesteld dat de

opgeroepen getuigen wederom niet waren verschenen, waarop de officier van

justitie een vordering tot wijziging van de tenlastelegging heeft gedaan.

De vordering hield in dat aan het feit dat op de tenlastelegging was

vermeld, kort gezegd: als degene aan wie het kenteken is opgegeven het

motorvoertuig op de voor het openbaar verkeer openstaande weg laten

staan zonder daarvoor een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid

te hebben gesloten en in stand gehouden (art. 30 lid 1 WAM), in

subsidiaire zin zou worden toegevoegd, wederom samengevat: als

degene aan wie het kenteken is opgegeven voor het motorrijtuig niet een

dergelijke verzekering te hebben gesloten en in stand gehouden (art. 30

lid 2 WAM).

5. Daarop heeft de raadsman verklaard dat door die wijziging de noodzaak tot het

horen van de getuigen was komen te vervallen, en hij van dat horen dan ook

afstand deed, maar dat hij tegen het toelaten van de wijziging bezwaar maakte

omdat die wijziging tardief was. Naar het inzicht van de raadsman had de officier

van justitie in een eerder stadium al de gelegenheid gehad die wijziging te

vorderen.

Naar aanleiding van die vordering en dat verweer heeft de Rechtbank overwogen:

“De rechter verwerpt dit verweer. Het onderzoek in de zaak is tweemaal

geschorst. De eerste maal gebeurde dat op verzoek van verdachte

omdat hij ziek was en de tweede maal, omdat de getuigen niet waren

verschenen. De officier van justitie heeft thans een subsidiair feit

toegevoegd. Het feitencomplex blijft echter hetzelfde.

De rechter wijst de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toe. Zij stelt vast

dat de tenlastelegging is gewijzigd als vermeld in de vordering wijziging

tenlastelegging, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als

hier ingelast dient te worden beschouwd. Aan de verdachte wordt een door de

griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen uitgereikt, aangezien de rechter

van oordeel is dat daarmee kan worden volstaan.

6. De reden waarom de steller van het middel deze beslissing onjuist acht zal

gevonden moeten worden in de nogal rethorisch klinkende uitroep die in de

toelichting op het middel te vinden is: “Het gaat toch niet aan om eerst twee en

een half jaar na de ‘pleegdatum’ met een wijziging te komen en dan subsidiair een

feit ten laste te leggen (de overtreding van artikel 30 lid 2 van de WAM) dat

bovendien inmiddels is verjaard.”

7. Aangezien de inleidende dagvaarding in deze zaak na 2 november 1996 is

uitgebracht is op de bevoegdheid een wijziging van de tenlastelegging te vorderen

art. 313 Sv (in verband met de art. 425 Sv en 415 Sv) toepasselijk zoals die

bepaling sinds die datum luidt. De officier van justitie was derhalve bevoegd die

vordering ook in hoger beroep te doen.

De wet stelt aan die bevoegdheid nog slechts één beperking: een vordering tot

wijziging van de tenlastelegging mag niet worden toegelaten indien daardoor de

tenlastelegging niet langer hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr zou vormen.

Ten aanzien van het tijdstip waarop wijziging van de tenlastelegging kan worden

gevorderd stelt de wet geen beperkingen meer, afgezien van de wel zeer voor de

hand liggende voorwaarde - voortvloeiend uit de omstandigheid dat art. 313 Sv is

opgenomen in de zesde titel van het tweede boek van het Wetboek van

Strafvordering - dat de vordering tijdens het onderzoek ter terechtzitting moet

worden gedaan.

8. In de gang van zaken gedurende het onderzoek ter terechtzitting zal niet dan

met de grootst mogelijke terughoudendheid een aanleiding gevonden mogen

worden aan de ter zitting optredende vertegenwoordiger van het openbaar

ministerie desalniettemin de bevoegdheid te ontzeggen om desnoods nog in een

zeer laat stadium van de behandeling, hetzij in eerste aanleg, hetzij in hoger

beroep, met een door hem noodzakelijk geachte vordering tot wijziging van de

tenlastelegging te komen. De bij Wet van 14 september 1995, Stb. 1995, 441

ingevoerde verruiming van de mogelijkheid daartoe is immers ingegeven door het

verlangen zo veel mogelijk te voorkomen dat een overigens aangewezen

veroordeling niet kan worden bereikt door onvolkomenheden in de tenlastelegging

of door niet voorziene ontwikkelingen tijdens de behandeling ter zitting

(Kamerstukken II, 1993-1994, 23 705, nr 3, p. 5/6, p. 9 e.v., Handelingen II, 16

maart 1995, p. 59 - 3620/3621). Er moet rekening mee worden gehouden dat

dergelijke onvolkomenheden, en vanzelfsprekend in nog sterkere mate zulke

onvoorziene omstandigheden, pas aan de orde kunnen komen indien het

onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg of zelfs in hoger beroep in een ver

gevorderd stadium verkeert.

9. Wat er zij van de vraag of de Rechtbank juist zou hebben gehandeld door de

vordering tot wijziging van de tenlastelegging af te wijzen indien zij had moeten

vaststellen dat de officier van justitie er in meerdere of mindere mate een verwijt

van had moeten worden gemaakt een eerdere gelegenheid voorbij te hebben laten

gaan, heeft de Rechtbank, in haar overwegingen klaarblijkelijk betrekkend dat, in

verband met de eerder gebleken noodzaak de behandeling in hoger beroep te

schorsen, niet gezegd kan worden dat onnodig lang is gewacht met het doen van

de wijzigingsvordering, het bezwaar van de raadsman op alleszins juiste gronden

verworpen.

Daarnaast geeft het oordeel dat het tenlastegelegde, gelet op de strekking van de

in het eerste lid, onderscheidenlijk het tweede lid van art. 30 WAM opgenomen

strafbaarstellingen en het verwijt dat ten aanzien van overtreding daarvan moet

worden gemaakt, ook na wijziging van de tenlastelegging nog steeds hetzelfde feit

in de zin van art. 68 betrof, geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting.

10. Waarom in de toelichting op het middel het standpunt is betrokken dat als

gevolg van de wijziging der tenlastelegging een feit is tenlastegelegd dat inmiddels

was verjaard ontgaat mij ten enenmale. Het ziet er naar uit dat de steller van het

middel - nog daargelaten dat naar luid van art. 36 WAM alle in art. 30 WAM

strafbaar gestelde gedragingen overtredingen opleveren, zodat een eventuele

vervolgingsverjaring met betrekking tot de bij wijziging van de tenlastelegging

ingevoegde beschuldiging op hetzelfde tijdstip zou intreden als ten aanzien van

het reeds in de inleidende dagvaarding opgenomen verwijt - is uitgegaan van een

onjuist begrip van de vervolgingsdaden die de verjaring stuiten.

11. Ter zake van het op 9 juli 1996 gepleegde feit is de inleidende dagvaarding op

de in art. 588 lid 3 onder c Sv voorziene wijze aan de griffier uitgereikt op 4 februari

1997 en per post naar het van verzoeker bekende adres verzonden op 5 februari

1997. Uit de omstandigheid dat hoger beroep is ingesteld volgt dat verzoeker

bekend is geworden met het op 18 april 1997 in eerste aanleg gewezen vonnis (uit

het dossier dat aan de Hoge Raad is toegezonden blijkt niet van betekening van

dit vonnis), zodat ingevolge HR NJ 1999, 179 een nieuwe verjaringstermijn is

aangevangen op 19 april 1997. Binnen die opnieuw aangevangen verjaringstermijn

is de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig betekend op 6 maart 1998. Ook

nadien is er tussen de diverse vervolgingsdaden in de zin van art. 72 Sr nimmer

een periode van twee jaar of meer verstreken.

Het middel is in alle onderdelen ondeugdelijk.

12. Het tweede middel klaagt over schending van het recht op berechting binnen

een redelijke termijn.

13. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 maart

1999, naar aanleiding waarvan de bestreden uitspraak is gewezen en op welke

zitting zowel verzoeker als zijn raadsman tegenwoordig zijn geweest, blijkt niet

dat door of namens verzoeker een beroep is gedaan op schending van het recht

op berechting binnen een redelijke termijn tot en met de behandeling in hoger

beroep. Indien in hoogste feitelijke aanleg geen verweer is gevoerd omtrent een

inbreuk op dat recht is de rechter niet gehouden te doen blijken van een

onderzoek naar eventuele overschrijding van de redelijke termijn, en kan daarover

niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd (HR NJ 1991, 752 en

HR NJ 1998, 115).

14. Aangezien de klacht behelst dat de vervolging van verzoeker, niet alleen in de

diverse instanties maar ook over het geheel genomen, met inbegrip van de

behandeling in cassatie, onredelijk lang geduurd heeft merk ik nog het volgende

op.

Voor zover in het middel is bedoeld te betogen dat de dag waarop het

bewezenverklaarde feit is begaan, 9 juli 1996, het beginpunt van de redelijke

vervolgingstermijn moet vormen berust het - aangezien dienaangaande in feitelijke

aanleg niets is vastgesteld of zelfs maar aangevoerd - op een stelling die te laat

is opgeworpen. Zonder nader onderzoek van feitelijke aard, waarvoor in cassatie

geen ruimte is, kan niet worden vastgesteld dat verzoeker reeds op 9 juli 1996 in

redelijkheid kon verwachten dat hij ter zake strafrechtelijk zou worden vervolgd

(vgl. HR 21 maart 2000, griffienr. 113.031). Dat klemt in dit geval temeer

aangezien uit het dossier blijkt dat het feit ‘op kenteken’ is bekeurd, zonder

staandehouding of verhoor van verzoeker. Daarom zal in cassatie de betekening

van de dagvaarding in eerste aanleg, 4 februari 1997, als aanvangstijdstip van de

voor de redelijke vervolgings- en berechtingstermijn relevante periode hebben te

gelden.

15. Daarvan uitgaande, en in aanmerking nemende dat in eerste aanleg vonnis is

gewezen op 18 april 1997 terwijl aan verzoeker, die op 24 september 1997

daartegen hoger beroep deed instellen, op 6 maart 1998 de dagvaarding is

betekend om in hoger beroep terecht te staan ter terechtzitting van 20 april 1998,

dat op die terechtzitting het onderzoek op verzoek van de verdediging is

aangehouden en ter terechtzitting van 21 september 1998 opnieuw moest worden

aangehouden, kan niet worden gezegd dat de Rechtbank ter terechtzitting van 15

maart 1999 ten onrechte heeft nagelaten ambtshalve te onderzoeken of met de

vervolging van verzoeker een zo groot tijdsverloop gemoeid was dat de redelijke

termijn voor vervolging en berechting, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, was

overschreden.

16. Het cassatieberoep is ingesteld op 15 maart 1999. De stukken zijn bij de

Hoge Raad binnengekomen op 19 juli 1999, terwijl de zaak voor de eerste maal

ter zitting van de Hoge Raad is behandeld op 13 juni 2000. Van overschrijding van

de in HR NJ 1999, 326 geformuleerde termijn voor inzending van de stukken is

derhalve geen sprake, terwijl van de periode die gelegen is tussen binnenkomst

van het dossier bij de Hoge Raad en de eerste behandeling op zijn zitting, minder

dan twaalf maanden, allerminst gezegd kan worden dat zij kan bijdragen tot het

oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, vgl. HR NJ 2000, 143.

17. Evenmin kan die termijnoverschrijding worden gevonden in de tijd die is

verstreken tussen het betekenen van de inleidende dagvaarding en de behandeling

door de Hoge Raad.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

18. De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 101a RO. Gronden

waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de

bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze

conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,