Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA7787

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
112916
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7787
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr.112.916

Mr Fokkens

Zitting 9 mei 2000

Conclusie inzake: [Verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verdachte is door het gerechtshof te Amsterdam wegens het medeplegen van

het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 lid 1 onder A van de

Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar.

2. Namens verdachte heeft mr H.R. Kant, advocaat te Krommenie, een schriftuur

ingediend, welke twee klachten bevat.

3. Allereerst stelt de indiener dat de bewezenverklaring niet naar behoren is

gemotiveerd, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat er sprake is

van “medeplegen.”

4. Het hof heeft, voor zover relevant, bewezenverklaard dat verdachte

“tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.”

5. In het middel wordt niet uiteengezet waarom de bewezenverklaring niet uit de

bewijsmiddelen kan volgen. Dat zou de steller ook niet meegevallen zijn, omdat

het hof uit de bewijsmiddelen zonder enige twijfel kon afleiden dat verdachte

zodanig bij de uitvoer van 100 gram cocaïne betrokken was dat dit het

tenlastegelegde medeplegen opleverde. De bewijsmiddelen houden immers in dat

verdachte op bestelling 100 gram cocaïne - dus vele malen meer dan de

gebruikershoeveelheid - heeft verkocht aan de daarvoor uit Duitsland gekomen

“Meyer auf der Heide”. Daaruit heeft het hof - mede gelet op de ruime

omschrijving van het begrip “buiten het grondgebied brengen” in artikel 1 lid 5 van

de Opiumwet, waarnaar de tenlastelegging verwijst - niet alleen kunnen afleiden

dat verdachtes gedragingen medeplegen van het buiten het grondgebied brengen

van cocaïne opleverden, maar ook kunnen concluderen dat verdachte minst

genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die cocaïne

vervolgens naar Duitsland vervoerd - en aldus buiten het grondgebied van

Nederland gebracht - zou worden en derhalve heeft gehandeld met het

tenlastegelegde opzet. Het middel faalt.

6. In de tweede plaats wordt er in de schriftuur geklaagd over de motivering van de

strafmaat, die ondeugdelijk zou zijn. De indiener betoogt: “Het hof kan niet

volstaan met de zinsnede “mede gelet op de persoon van de verdachte zoals door

het hof verwoord in de eerste alinea onder het kopje “De bewijslevering.”

7. Als gezegd heeft het hof verdachte veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf. Het

hof heeft die straf, behalve met de standaardmotivering, gemotiveerd met de

overweging: ”Verdachte heeft samen met anderen opzettelijk een aanzienlijke

hoeveelheid cocaïne buiten het grondgebied van Nederland gebracht. Cocaïne is

een voor de volksgezondheid schadelijke stof en de verspreiding daarvan gaat

gepaard met door verslaafden gepleegde criminaliteit. De procureur-generaal heeft

in hoger beroep terzake van het onder 1 en 7 tenlastegelegde dezelfde

gevangenisstraf van eenentwintig maanden gevorderd als door de rechtbank

opgelegd. Zoals hierboven reeds is overwogen, acht het hof - kort gezegd - de

criminele organisatie niet bewezen. Een gevangenisstraf van een jaar is naar het

oordeel van het hof een alleszins passende sanctie op het bewezenverklaarde,

mede gelet op de persoon van de verdachte zoals door het hof verwoord in de

eerste alinea onder het kopje “De bewijslevering.”

8. Anders dan de indiener stelt, heeft het hof níet volstaan met de in de schriftuur

geciteerde zinsnede. De klacht mist feitelijke grondslag.

9. De klachten kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde

motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer

dat het beroep wordt verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,