Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA7309

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00775/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7309
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 475
NJ 2000, 721 met annotatie van J. de Hullu
JOW 2000, 37
NTM/NJCM-bull. 2001, p. 35
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 775/99

Zitting 16 mei 2000

Mr Machielse

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker op 4 maart 1999 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken wegens opzetheling en schuldheling. Bovendien heeft het hof de teruggave gelast van 31 in beslag genomen lederen jassen en een in beslag genomen televisietoestel.

2. Mr H.J. Veen, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld. Mr M.W.G.J. IJsseldijk, eveneens advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3. Het middel klaagt over schending van het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht. Dat recht zou zijn geschonden door achtereenvolgens (1) het tijdverloop tussen de pleegdatum en de behandeling van de zaak in eerste aanleg; (2) het tijdverloop tussen het instellen van hoger beroep en de behandeling in appèl, en - wanneer ik het middel welwillend lees - (3) de behandeling van de zaak als geheel.

3.1. Voor de beoordeling van het middel is het volgende tijdverloop van belang:

24 en 26 november 1994: datum waarop de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd;

30 november 1994: huiszoeking bij verzoeker, verzoeker aangehouden en in verzekering gesteld;

1 december 1994: verzoeker bekent leren jassen te hebben geheeld;

1 december 1994: verzoeker in vrijheid gesteld;

7 februari 1996: dagvaarding eerste aanleg in persoon uitgereikt;

3 mei 1996: behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg;

15 mei 1996: verzoeker stelt zelf hoger beroep in;

18 september 1996: stukken ingekomen ter griffie van het hof;

22 januari 1998: dagvaarding hoger beroep wordt overeenkomstig art. 588, derde lid onder b, Sv betekend aan een door de geadresseerde mondeling gemachtigde;

18 februari 1998: behandeling ter terechtzitting in hoger beroep bij verstek;

4 maart 1998: arrest gewezen;

4 maart 1999: eerste poging om de mededeling van de uitspraak te betekenen aan het GBA-adres;

5 april 1999: mededeling van de uitspraak onjuist uitgereikt aan de echtgenote van verzoeker (onjuist omdat de schriftelijke machtiging niet aan de akte van uitreiking is gehecht);

14 april 1999: namens verzoeker wordt beroep in cassatie ingesteld;

26 juli 1999: stukken ingekomen ter griffie van de Hoge Raad;

18 april 2000: eerste behandeling van de zaak ter zitting van de Hoge Raad.

3.2. Voorzover de steller van het middel ervan uitgaat dat de redelijke termijn is beginnen te lopen op het moment dat de feiten werden gepleegd gaat het uit van een onjuiste opvatting. Dat is immers niet het moment waarop vanwege de Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft ontleend en in redelijkheid ook heeft kunnen ontlenen, dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen.1 In cassatie kan naar mij dunkt worden uitgegaan van de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld en waarop huiszoeking heeft plaatsgevonden. Het tijdverloop tussen die datum en de behandeling van de zaak in eerste aanleg is weliswaar lang maar met het verstrijken van iets meer dan zeventien maanden nog niet onredelijk.

3.3.

3.4. Ook het tijdverloop tussen het instellen van hoger beroep en de behandeling van de zaak ter terechtzitting acht ik niet onredelijk. Ten eerste niet omdat de stukken van het geding binnen acht maanden na het instellen van hoger beroep bij de griffie van het hof zijn ingekomen. Ik neem aan dat de termijn die de Hoge Raad hanteert om te beoordelen of de stukken tijdig zijn ingestuurd in de cassatiefase, evenzeer opgaat voor de beoordeling daarvan in de appèlfase.2 Ten tweede niet omdat het verstrijken van negentien maanden en drie dagen tussen het instellen van hoger beroep en de behandeling van het appèl ter terechtzitting weliswaar onwenselijk lang is maar nog niet onredelijk.

3.5.

3.4. Na enige aarzeling acht ik de behandeling van de zaak als geheel ook niet in strijd met het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht. De twijfel rees doordat pas op 4 maart 1999 de eerste poging is gedaan om de mededeling van de uitspraak in hoger beroep te betekenen.3 Uit de stukken blijkt ten minste niet van een eerdere poging. Die twijfel werd enigszins verminderd doordat verzoeker zelf hoger beroep had ingesteld maar vervolgens kennelijk niet meer heeft geïnformeerd hoe het daar mee stond.

3.6. Indien ik er van uit ga dat de huiszoeking en de inverzekeringstelling van verzoeker de dag markeren waarop de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde termijn aanvangt,4 dan heeft de behandeling van de zaak als geheel iets meer dan vijf jaar en vier maanden in beslag genomen. Dat acht ik weliswaar onwenselijk lang, maar voor verzoeker - die niet gedetineerd was - niet in strijd met het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht. Zie in dit verband HR 26 oktober 1999, NJ 2000, 143 waarin mijn ambtgenoot Jörg overschrijding van de redelijke termijn aannam omdat de behandeling van de zaak tot de eerste behandeling ter terechtzitting van de Hoge Raad vijf jaar en drie maanden in beslag had genomen. Uw Raad dacht daar anders over en verwierp het cassatieberoep. Bijzondere omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden in deze zaak daarover anders zou moeten worden gedacht heb ik niet aangetroffen.

3.7.

3.6. Het middel faalt.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Vgl. EHRM 10 december 1982, NJ 1987, 828 (Foti); HR NJ 1998, 289.

2 HR 22 september 1998, NJ 1998, 814 rov. 4.2. (acht maanden, cassatiefase); HR 1 juni 1999, NJ 1999, 588 rov. 4.3. (iets meer dan elf maanden, appèlfase; HR 22 juni 1999, nr. 110.815, rov. 3.4. (iets minder dan elf maanden, appèlfase).

3 Vgl. HR 11 januari 2000, nr. 111.799; HR 11 april 1995, DD 95.288.

4 HR 22 maart 1988, NJ 1988, 861 rov. 5.3.