Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA7306

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2000
Datum publicatie
10-10-2000
Zaaknummer
01887/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7306
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de

Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 16 juni 1998 -

de verdachte ter zake van 1. en 2. “poging tot doodslag, meermalen gepleegd”

veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in

het arrest omschreven.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het

beroep zal verwerpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 485
NJ 2001, 4 met annotatie van Y. Buruma
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01887/99

Mr Machielse

Zitting: 13 juni 2000

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 14 juni 1999 is verzoeker door het gerechtshof te Amsterdam

veroordeeld ter zake van 1. primair en 2. primair “poging tot doodslag, meermalen

gepleegd” tot een gevangenisstraf van vijf jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van

cassatie voorgesteld.

Voorts is van verzoeker een geschrift ingekomen dat niet enig middel van cassatie

behelst.

3. Het middel keert zich met een aantal klachten tegen ’s hofs bewezenverklaring

onder 2. primair dat verzoeker “met [voorwaardelijk] opzet” jegens [slachtoffer A]

zou hebben gehandeld als is bewezenverklaard.

3.1. Onder 2. primair heeft het hof bewezenverklaard dat:

“hij op 3 maart 1995 te Amsterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A]

van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de

richting van [slachtoffer A] heeft geschoten”

3.2.1. ‘s Hofs bewezenverklaring berust op de in het aanvulling

verkort arrest weergegeven bewijsmiddelen. Ten eerste houden

deze ten aanzien van de feiten voorafgaande aan het onder 2.

bewezenverklaarde onder meer het volgende in. Verzoeker heeft

ter zitting van het hof verklaard dat hij op 3 maart 1995 in een

Amsterdams café met een door hem meegenomen pistool naar

[slachtoffer B] (het slachtoffer van het onder 1. primair ten

laste van verzoeker bewezenverklaarde; A.M.) is toegelopen. Met

deze man had verzoeker een maand tevoren problemen gehad en bij

deze gelegenheid had verzoeker van hem ook een pistool tegen

zijn hoofd gezet gekregen. Verzoeker heeft dat vuurwapen

vervolgens op [slachtoffer B] gericht (bewijsmiddel 1), waarna

[slachtoffer B] door verzoeker - met een (eerste) schot - is

neergeschoten en in zijn buik en rug werd geraakt

(bewijsmiddelen 7 en 3).

3.2.2. Het hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen

tevens vastgesteld dat verzoeker nog een tweede schot heeft

afgevuurd waarbij [slachtoffer A] in zijn rechter- en

linkerbovenbeen is geraakt (bewijsmiddelen 4, 5, 6 en 7).

3.2.3. Voorts heeft het hof onder 6. en 7. tot het bewijs

gebezigd de ter zitting van het hof afgelegde

getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Deze

behelzen - in het bijzonder ten aanzien van de precieze gang van

zaken tussen het eerste en het tweede door verzoeker afgevuurde

schot - het volgende:

(onder 6)

“Verdachte richtte op [slachtoffer B] (verzoeker; A.M.), dat

weet ik zeker. (..) Nadat het eerste schot was gevallen, heb ik

met mijn rechterarm verdachte vastgepakt om zijn nek en heb ik

met mijn linkerhand de arm van verdachte, waarmee hij het wapen

vasthad, gepakt en gedraaid. Ik draaide verdachte van

[slachtoffer B] af in de richting van de bar. Ik wilde verdachte

naar buiten werken. Toen viel het tweede schot, waardoor iemand

aan de bar, zo heb ik later gehoord, werd geraakt”.

(en onder 7)

(..) “verdachte schoot [[slachtoffer B]] neer. Ik pakte de hand

van verdachte. Vervolgens trok hij deze los en schoot voor de

tweede keer. [Getuige 1] stond er ook naast. [Getuige 1] had

zijn arm om de schouders van verdachte. (..) Na het eerste schot

pakten [getuige 1] en ik verdachte samen vast. [Getuige 1]

probeerde hem naar buiten te werken.”

3.2.4. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting van het

hof van 31 mei 1999 is daar - bij herhaling - door verzoeker

gesteld dat hij tijdens de worsteling “per ongeluk” (ook) op het

tweede slachtoffer heeft geschoten, alsmede nog dat verzoeker

vóór dat tweede schot “naar de deur [wilde] lopen”, waarna hij

(weer) werd vastgepakt en waarna het tweede schot viel.

Verzoekers raadsvrouw heeft daaraan op die zitting blijkens

genoemd proces-verbaal en haar pleitnotities toegevoegd ten

aanzien van feit 2, dat “het niet de bedoeling [was van

verzoeker om] de trekker over te halen”, dat “het gevolg is

opgetreden door toedoen van anderen”, dat het “een ongeluk is

geweest” en dat verzoeker “zegt dat hij niet het opzet heeft

gehad om het wapen te gebruiken”.

3.2.5. In zijn verkorte arrest heeft het hof onder het kopje

“overwegingen omtrent het bewijs van het onder 2. primair

bewezenverklaarde” het volgende overwogen:

Met betrekking tot de onder 2. primair tenlastegelegde poging

tot doodslag op [slachtoffer A] leidt het hof uit de

bewijsmiddelen het daarvoor vereiste opzet af.

Uit die bewijsmiddelen blijkt, kort samengevat, het volgende.

Verdachte bevond zich in een café waar een groot aantal

bezoekers aanwezig was. Hij was toen in het bezit van een

geladen vuurwapen. Hij is daar vrijwel onmiddellijk de

confrontatie aangegaan met [slachtoffer B], met wie hij ongeveer

een maand daarvoor een gewelddadig treffen had gehad. Verdachte

heeft vervolgens het vuurwapen gericht op [slachtoffer B] en hem

neergeschoten. Hierop is verdachte door twee omstanders

vastgepakt, teneinde hem uit het café te zetten en kennelijk op

die manier verdere ellende te voorkomen. Tijdens dat vastpakken

is het vuurwapen nogmaals afgegaan en is het slachtoffer [A] in

zijn benen getroffen.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte [slachtoffer B] reeds

had neergeschoten, had hij kunnen verwachten dat één of meer

aanwezigen in het café zouden trachten te voorkomen dat hij

nogmaals op [slachtoffer B] zou schieten of dat er nog meer

slachtoffers zouden vallen. Het vastpakken van verdachte was dan

ook - naar de algemene ervaring leert - een voorzienbare

reactie. Verdachte, die op het moment dat hij werd vastgepakt

niet het vuurwapen heeft laten vallen maar in zijn hand bleef

houden, heeft zich derhalve willens en wetens blootgesteld aan

de aanmerkelijke kans dat het vuurwapen onder die omstandigheden

zou afgaan en dat een ander (dodelijk) zou worden getroffen.

Aldus heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard en op de

koop toegenomen dat iemand in het zeer drukke café (dodelijk)

zou worden geraakt.

3.3.1. Het hof heeft de door verzoeker aangevoerde

omstandigheden, dat hij vóór dat tweede schot “naar de deur

[wilde; mijn onderstreping, AM)] lopen” en dat hij daarna werd

vastgepakt, in het midden gelaten. Maar het hof heeft ook voor

het bewijs gebezigd de verklaring van [getuige 1], inhoudend dat

deze direct na het eerste schot verzoeker, die nog naar

[slachtoffer B] stond toegewend, heeft vastgegrepen en hem in

een andere richting heeft gedraaid. En voorts is voor het bewijs

gebezigd de verklaring van [getuige 2], inhoudend dat [getuige

2] de hand van verzoeker heeft gepakt, dat verzoeker zich los

heeft getrokken en toen voor de tweede keer heeft geschoten. Dat

verzoeker al op weg zou zijn naar buiten toen hij werd

vastgegrepen en dat het tweede schot is afgegaan door toedoen

van anderen is aldus door het hof in de bewijsconstructie

uitgesloten. Ik acht het niet onwaarschijnlijk dat verzoeker

wilde wegkomen uit het café waarin zojuist twee mensen waren

neergeschoten, maar dat verzoeker zich na het eerste schot

meteen al zou hebben omgedraaid om te ontkomen wordt door de

verklaring van [getuige 1] weersproken.

3.3.2. Dat door omstanders, meer bepaald door de zich in de

directe nabijheid van verzoeker bevindende uitbater, in het

drukke café zou worden ingegrepen en dat getracht zou worden aan

verzoeker het wapen te ontnemen is naar mijn mening alleszins

voorzienbaar. Uit de inhoud der bewijsmiddelen blijkt dat de

uitbater - die naar verzoeker was gelopen om hem te begroeten -

verzoeker van achteren heeft vastgegrepen, nadat het eerste

schot was gelost en terwijl verzoeker zich nog niet van

[slachtoffer B] had afgewend. Voor de uitbater [getuige 1] was

er alle reden om op dat moment in te grijpen omdat het gevaar

dat van verzoeker uitging op dat moment objektief gezien nog

niet was verflauwd. Van het tweede schot kan wel de richting

zijn bepaald geworden door het ingrijpen van [getuige 1] en

[getuige 2], maar verzoeker heeft zelf, nadat hij de hand waarin

hij het wapen hield, had losgewerkt, voor de tweede maal

geschoten. Het was volgens [getuige 1] in die nacht erg druk in

het café en de kans dat onder die omstandigheden iemand dodelijk

wordt getroffen mag wel aanmerkelijk genoemd worden. Door onder

zulke omstandigheden - zelfs wellicht in het wilde weg - het

tweede schot te lossen heeft verzoeker minstens met

voorwaardelijk opzet op levensberoving gehandeld.

3.3.3. Strict genomen ligt in de verklaringen van [getuige 1] en

vooral van [getuige 2] zodanig belastend materiaal dat het mij

een beetje heeft verwonderd dat het hof slechts heeft gesproken

van “de aanmerkelijke kans dat het vuurwapen onder die

omstandigheden zou afgaan en dat een ander (dodelijk) zou worden

getroffen.” Het wapen blijkt immers niet zomaar te zijn afgegaan

maar door verzoeker voor de tweede maal te zijn afgeschoten.

Overigens is de overweging van het hof weer wel relevant

voorzover het gaat om de aanmerkelijke kans dat een derde

dodelijk door het tweede schot zou worden getroffen. Maar ook in

de zich hier niet voordoende situatie dat tijdens de worsteling

het wapen zou zijn afgegaan omdat anderen aan de hand van

verzoeker zouden hebben gewrongen en getrokken is voorwaardelijk

opzet te construeren. Ik moge verwijzen naar de overwegingen van

het hof in de zaak die eindigde in het arrest van de Hoge Raad

van 26 september 1995, nr. 100.597, DD 96.031. Het ging in die

zaak om een verdachte die veroordeeld werd voor doodslag;

tijdens een wordsteling was de tegenstander van verdachte op het

mes gevallen dat verdachte nog in zijn hand vasthield. Het hof

nam voorwaardelijk opzet aan: de risicoaanvaarding omvatte mede

de aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat de door verdachte

gehanteerde stiletto het slachtoffer (dodelijk) zou verwonden

tengevolge van onverwachte en niet uitdrukkelijk gewilde

bewegingen tijdens de worsteling.1

Ook moge ik wijzen op vaste rechtspraak van de BGH over het

voorwaardelijk opzet. Volgens de BGH handelt met voorwaardelijk

opzet

“wer den Erfolgseintritt als möglich - als nicht ganz

fernliegend - erkennt und ihn billigend in Kauf nimmt. In Kauf

nimmt der Täter auch einen an sich unerwünschten Erfolg, mit

dessen möglichen Eintritt er sich aber abfindet; anders ist es,

wenn der Täter ernsthaft - nicht nur vage - darauf vertraut, daß

der Erfolg nicht eintritt”.

Even verder overweegt de BGH:

Nach ständiger Rechtsprechung des BGH liegt es bei äußerst

gefährlichem Tun allerdings nahe, daß der Täter mit dem Tode des

Opfers rechnet, und daß er - falls er sein Handeln dennoch

fortsetzt - einen solchen Erfolg auch billigend in Kauf nimmt.”2

Hoe gevaarlijker het handelen, des te sterker is de aanwijzing

voor voorwaardelijk opzet.3 Het afvuren van een wapen in een

druk café is beslist een zeer gevaarlijk handelen.

Het middel dat uitgaat van de stelling dat het wapen als het

ware per ongeluk in de worsteling is afgegaan vindt zijn

weerlegging in de reeds herhaalde malen aangehaalde verklaring

van [getuige 2]. Het ingrijpen van derden heeft wel de richting

van het schot bepaald, maar verzoeker heeft het tweede schot

zélf afgevuurd.

4. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die

tot cassatie aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Deze passages zijn niet in het uittreksel in DD gepubliceerd.

2 BGH 7 juli 1999, NStZ 1999, p. 507.

3 Zie nog BGH 10 februari 1999, NStZ 1999, p. 300.