Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA7235

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01978/00 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7235
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 460
NJ 2000, 702
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01978/00/U

mr N. Keijzer

zitting 25 juli 2000

conclusie inzake

[de opgeëiste persoon]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij uitspraak van 11 april 2000 heeft de Arrondissementsrechtbank te

Amsterdam de door het Verenigd Koninkrijk verzochte uitlevering ter

strafvervolging van [de opgeëiste persoon] voorzover betrekking hebbende op kort

gezegd attempt to pervert the course of justice ontoelaatbaar verklaard, en voor

het overige, dat wil zeggen voorzover betrekking hebbende op kort gezegd forcible

confinement en murder, toelaatbaar verklaard.

2. Tegen deze uitspraak heeft [de opgeëiste persoon] cassatieberoep ingesteld.

Het beroep is kennelijk niet gericht tegen de ontoelaatbaarverklaring. Namens

hem heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur twee

middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door de Rechtbank van het ter

zitting van de Rechtbank door de raadsvrouw gedane verzoek tot aanhouding van

de behandeling.

4. In het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank is dat verzoek als volgt

weergegeven:

“De raadsvrouw vraagt om aanhouding van de zaak - waartoe

zij haar pleitnotities aan de rechtbank overlegt, welke als

bijlage 1 aan dit proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de

inhoud als hier ingevoegd geldt - omdat zij Christopher

Gane, professor of Scottish Law aan de Universiteit van

Aberdeen als deskundige ter zitting wil horen. Zulks om

haar stelling te onderbouwen dat uitlevering van [de

opgeëiste persoon] aan Schotland een ernstig risico zou

opleveren voor een flagrante schending van het recht op een

“fair trial” (artikel 6 EVRM).

Die stelling houdt in dat in Schotland een overmaat aan,

voor [de opgeëiste persoon] zeer negatieve krantenartikelen

is verschenen en dat als gevolg daarvan geen onpartijdige

jury meer is samen te stellen. Naar haar oordeel geeft het

Schotse recht, en de praktische toepassing daarvan,

onvoldoende waarborgen dat een aan te stellen jury

onpartijdig zal zijn.”

5. De bedoelde pleitnotities houden onder meer in:

“In Engeland is men zeer strikt in de bescherming van de

verdachte teen een unfair trial in relatie tot de

publiciteit, hetgeen ertoe leidt [dat] in voorkomende

gevallen zaken niet worden aangebracht (…), in Schotland

geldt dit niet (…). Juryleden mogen bijvoorbeeld niet

ondervraagd worden over de eventuele beïnvloeding door

informaties uit de pers. Er is voorzover bekend nimmer een

verweer terzake gehonoreerd in Schotland. Voor deze

belangrijke finesses is een deskundige noodzakelijk.

Professor Christopher Gane van de Universiteit van Aberdeen

[heeft] zich bereid verklaard als getuige-deskundige een

rapport op te stellen en als zodanig ook ter zitting te

verschijnen. (…) Deze is in staat gebleken een voorlopige

eerste versie van het rapport gereed te krijgen, maar heeft

uitdrukkelijk aangegeven dat dit inderdaad pas een

voorlopige versie is en dat hij meer tijd en aandacht nodig

heeft om het rapport een definitieve vorm te geven, zodat

het aan de noodzakelijke kwaliteitseisen voldoet.”

6. De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen, met de volgende motivering:

“In het uitleveringsrecht is geen plaats voor een

dergelijke algemene toetsing van het rechtsstelsel van een

verzoekende staat, die immers verdragspartner is, terwijl

bovendien een dergelijk onderzoek, waarbij niet zou kunnen

worden volstaan met één, door de verdediging ingeschakelde

deskundige, zo veel omvattend zou zijn dat het daardoor

alleen al niet in een uitleveringsprocedure past.

Dit zou slechts anders kunnen zijn indien in het concrete

geval aanwijzingen bestaan dat een “fair trial” bij

voorbaat als uitgesloten moet worden geacht. Die

aanwijzingen heeft de rechtbank in het aangevoerde niet

aangetroffen.”

7. Tegen deze afwijzing komt het middel op met de klacht dat het in casu niet

gaat om een algemene toetsing van het rechtsstelsel van een verzoekende staat,

zoals de Rechtbank heeft geoordeeld, maar om toetsing van een concrete

kwestie, te weten of [de opgeëiste persoon] in deze zaak slachtoffer dreigt te

worden van een door een lawine aan stemming makende perspublicaties

veroorzaakte beïnvloeding van juryleden.

8. Deze klacht is gegrond. De stelling van de raadsvrouw is immers dat in

Schotland een overmaat aan, voor [de opgeëiste persoon] zeer negatieve

krantenartikelen is verschenen en dat als gevolg daarvan geen onpartijdige jury

meer is samen te stellen. Dat laatste kan slechts als een in casu concreet

dreigend gevaar worden aangemerkt. Dat de verdediging van de deskundige wil

vernemen in hoeverre het Schotse recht waarborgen inhoudt waardoor [de

opgeëiste persoon] tegen de gestelde dreiging van schending van art. 6, eerste lid

(impartial tribunal) en tweede lid (presumption of innocence) EVRM kan worden

beschermd doet daaraan niet af. De motivering door de Rechtbank van haar

afwijzing van het verzoek heeft mij dan ook enigszins verbaasd (in cassatietermen

gezegd: ik acht haar onbegrijpelijk).

9. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden, gelet op het navolgende.

10. Naar het schijnt heeft de raadsvrouw eraan voorbijgezien dat over de vraag of

de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden

dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld

aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, het oordeel is voorbehouden aan

de Minister van Justitie. Ik moge wijzen op HR 16 september 1991, NJ 1992, 63,

r.o. 5.2, en op HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533, m.nt. Sch, r.o. 5.3.1.1 Om die

reden had de verdediging bij haar verzoek geen rechtens te respecteren belang.

Derhalve heeft de Rechtbank het verzoek terecht afgewezen, wat er zij van de aan

die beslissing gegeven motivering.

11. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

12. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de

uitlevering wegens de eerder bedoelde dreigende schending ontoelaatbaar moet

worden verklaard.

13. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank (pleitnoties) heeft

de raadsvrouw aldaar de ontoelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering bepleit en

daartoe aangevoerd hetgeen in de uitspraak van de Rechtbank als volgt is

weergegeven:

“De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat

uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan Schotland een

ernstig risico zou opleveren voor flagrante schending van

het recht op “fair trial” (artikel 6 EVRM). Zij heeft zich

daarbij beroepen op de omstandigheden dat:

a. in Schotland (en Engeland) op zeer grote schaal zeer

negatieve perspublicaties over de zaak [de opgeëiste

persoon] zijn verschenen als gevolg waarvan het onmogelijk

zal zijn een onpartijdige jury samen te stellen. (Volgens

Schots recht zal [de opgeëiste persoon] moeten worden

berecht door de High Court of Judiciary waarbij de

beslissing over de feiten en derhalve over “schuldig”

(guilty), “onschuldig” (not guilty) en “niet bewezen” (not

proven) uitsluitend aan de jury is voorbehouden. De rol van

de rechter in het proces over de feitenvaststelling is

beperkt tot het geven van - bindende - aanwijzingen over

het geldende recht.)

b. het Schotse recht, en de feitelijke toepassing daarvan,

zou, in een geval als dit, waarin overvloedige negatieve

publiciteit een rol speelt, onvoldoende waarborgen bieden

voor de onpartijdigheid van de juryleden.”

14. De Rechtbank heeft dit verweer aldus verworpen:

“De rechtbank stelt zich op het standpunt dat binnen het

kader van het uitleveringsverzoek niet past een algemene

toetsing van het rechtsstelsel van de verzoekende staat. De

rechtbank dient ervan uit te gaan dat landen waaraan

Nederland uitlevert tenminste voldoen aan minimum-eisen van

rechtsbescherming, omvattende het recht op een “fair

trial”, omdat alleen wordt uitgeleverd aan landen waarmee

Nederland door een daartoe strekkend verdrag is verbonden.

De Nederlandse overheid sluit alleen uitleveringsverdragen

met staten in welks rechtssysteem zij voldoende vertrouwen

heeft.

De rechtbank kan in dit verband een uitlevering alleen

ontoelaatbaar verklaren indien op grond van bijzondere

omstandigheden in een concreet geval aannemelijk wordt dat

uitlevering een aanzienlijk risico zou opleveren voor een

flagrante schending van het recht op “fair trial” (artikel

6 EVRM). Bijzondere omstandigheden die dit aannemelijk

maken zijn in de onderhavige zaak gesteld noch gebleken.

Ook uit het advies van Gane blijkt van dergelijke

omstandigheden niet.

Daarbij komt nog het volgende.

Uit een door het Crown Office aan de officier van justitie

gezonden brief van 1 maart 2000, die aan het dossier is

toegevoegd, blijkt dat de Schotse autoriteiten zich

evenzeer zorgen maken over de overvloedige publiciteit

omdat ook naar hun oordeel als gevolg daarvan een fair

trial kan worden bemoeilijkt. Als bijlage bij die brief

bevindt zich de tekst van de “Contempt of Court2 Act 1981”

die het mogelijk maakt nieuwsmedia strafrechtelijk te

vervolgen indien zij zich schuldig maken aan “publication

which creates a substantial risk that the course of justice

in the proceedings in question will be seriously impeded or

prejudiced” (artikel 2, lid 2), welke bepalingen volgens de

brief ook worden toegepast.

Voorts heeft de opgeëiste persoon de mogelijkheid bij de

Schotse rechter de bescherming van artikel 6 EVRM in te

roepen.

Het “United Kingdom”, Schotland omvattende, heeft het

individueel klachtrecht ex artikel 6 EVRM erkend.

Samenvattend komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen

aanleiding is reeds thans te vrezen dat de opgeëiste

persoon in Schotland geen eerlijk proces kan krijgen,

terwijl daarenboven ook en beroep op het Europese Hof,

zonodig, mogelijk is. Het beroep wordt derhalve verworpen.”

15. De steller van het middel komt tegen deze motivering op met de volgende

klachten.

16. In de toelichting op het middel onder 5 wordt betoogd dat onbegrijpelijk is de

overweging van de Rechtbank dat bijzondere omstandigheden, die aannemelijk

maken dat uitlevering een aanzienlijk risico zou opleveren voor een flagrante

schending van het recht op “fair trial” (artikel 6 EVRM), in de onderhavige zaak

noch zijn gesteld noch zijn gebleken.

17. Dat het zich voordoen van omstandigheden op grond waarvan uitlevering een

aanzienlijk risico zou opleveren voor een flagrante schending van het recht op “fair

trial” niet is gesteld, kan de Rechtbank niet hebben bedoeld. De raadsvrouw heeft

immers gesteld dat in casu op zeer grote schaal zeer negatieve perspublicaties

over de zaak [de opgeëiste persoon] zijn verschenen als gevolg waarvan het

onmogelijk zal zijn een onpartijdige jury samen te stellen. De desbetreffende

passage uit de motivering door de Rechtbank zal derhalve aldus moeten worden

verstaan dat de gestelde omstandigheden naar het oordeel van de Rechtbank niet

een aanzienlijk risico opleveren voor een flagrante schending van het recht op “fair

trial”. Bij die lezing van de desbetreffende passage faalt de klacht.

18. In de toelichting op het middel onder 3 en 4 wordt evenbedoeld oordeel van de

Rechtbank bestreden, met een beroep op het door de verdediging overgelegde

rapport van professor Gane alsmede de door het Crown Office aan de officier van

justitie gezonden brief van 1 maart 2000.

19. Dat de Rechtbank het risico voor een flagrante schending van het recht op “fair

trial” niet aanzienlijk acht, acht ik echter niet onbegrijpelijk, in aanmerking

genomen dat die brief, die zich bij de stukken bevindt, onder meer inhoudt:

“Since proceedings became active, only one newspaper has

published an article which the Lord Advocate considers to

be in contravention of the 1981 Act. The Lord Advocate has

instituted proceedings under the Contempt of Court Act 1981

against the Evening News, a local paper in Edinburgh. It

will be argued on behalf of the Crown that the publication

of the article relating to the death of Barry John Wallace

was made after it could and should have been known to the

newspaper that criminal proceedings against [de opgeëiste

persoon] were active, in terms of Section 2 of and Schedule

1 of the Contempt of Court Act 1981.

Since the publication of the article referred to (on 18

January 2000), there has been no further media coverage of

the death of Barry John Wallace.”

20. In de toelichting op het middel onder 6 wordt de begrijpelijkheid

aangevochten van de passage in de hiervoren weergegeven motivering door de

Rechtbank die inhoudt dat de Contempt of Court Act 1981 het mogelijk maakt

nieuwsmedia strafrechtelijk te vervolgen indien zij zich schuldig maken aan

publication which creates a substantial risk that the course of justice in the

proceedings in question will be seriously impeded or prejudiced. Aangevoerd

wordt, als ik het goed begrijp, dat de mogelijkheid van zodanige strafrechtelijke

vervolging in de toekomst geen remedie biedt tegen een in zijn uitlevering gelegen

inbreuk op fundamentele rechten van de opgeëiste persoon.

21. Naar ik meen kan de bedoelde passage aldus worden opgevat dat, naar het

oordeel van de Rechtbank, verwacht mag worden dat door dreigende toepassing

van de Contempt of Court Act 1981 verdere schendingen van de sub judice regel

achterwege zullen blijven. Aldus verstaan acht ik de bedoelde passage niet

onbegrijpelijk.

22. Voor geval de in de toelichting op het middel onder 6 vervatte klacht mocht

berusten op de gedachte dat het verschenen zijn van de bedoelde negatieve

perspublicaties op zichzelf reeds een schending van art. 6, tweede lid, EVRM

oplevert, merk ik nog op dat van een schending van het in die bepaling

neergelegde recht door publicaties eerst sprake kan zijn indien deze een justitieel

oordeel3 bevatten of afkomstig zijn van publieke autoriteiten.4

23. Tenslotte, in de toelichting op het middel onder 7, wordt de juistheid bestreden

van de volgende passage uit de motivering van de Rechtbank:

“Voorts heeft de opgeëiste persoon de mogelijkheid bij de

Schotse rechter de bescherming van artikel 6 EVRM in te

roepen.”

24. De klacht omtrent de juistheid van het gestelde stuit echter af op het

bepaalde in art. 99, eerste lid aanhef en onder 2 , RO, volgens hetwelk schending

van het recht van vreemde staat geen cassatiegrond oplevert.

25. Wel kan deze overweging van de Rechtbank op haar begrijpelijkheid worden

getoetst. Ik acht haar niet onbegrijpelijk. Zelfs al zou, gelijk in de toelichting op

het middel wordt gesteld,5 de Human Rights Act 1998 in Schotland nog niet in

werking zijn getreden, bezwaarlijk valt in te zien dat dit de Schotse rechter zou

beletten art. 6 EVRM reeds na te leven indien daarop in voorkomend geval een

beroep zou worden gedaan.6

26. Of de motivering door de Rechtbank de verwerping van het verweer kan dragen

kan echter in het midden blijven omdat, zoals reeds opgemerkt naar aanleiding

van het eerste middel, de beoordeling of de gevraagde uitlevering achterwege moet

blijven om redenen als in casu aangevoerd niet toekomt aan de uitleveringsrechter

maar aan de Minister van Justitie. Derhalve heeft de Rechtbank het verweer

terecht verworpen, wat er zij van de door haar aan die beslissing gegeven

motivering.

27. Ook het tweede middel is dan ook tevergeefs voorgesteld.

28. Ambtshalve heb ik geen reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak

niet in stand zou mogen blijven. De middelen ongegrond achtende concludeer ik

daarom tot verwerping van het beroep.

Voor de Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Zie ook HR 10 mei 1994, DD 94.348, alsmede het ook in de toelichting op het middel genoemde arrest HR 9 april 1991, NJ 1991, 696, volgens welke rechtspraak het oordeel over een schending die reeds plaats zou hebben gehad toekomt aan de uitleveringsrechter, maar dat over een na uitlevering dreigende schending aan de Minister van Justitie.

2 In de bestreden uitspraak staat als gevolg van een kennelijke vergissing: Contempt of Law.

3 Vgl. EHRM 25 maart 1983, A 62, (Minelli), NJ 1986, 698, m.nt. EAA (r.o. 37).

4 Vgl. EHRM 10 februari 1995, A 308, (Allenet de Ribemont), NJCM-Bulletin 1995, blz. 488, m.nt. EM (r.o. 36).

5 Het zich bij de stukken bevindende ongetekende concept-advies vermeldt in § 4.1.1, § 4.3.1 en § 4.3.2 dat de Human Rights Act 1998 met ingang van 20 mei 1999 tot op zekere hoogte wel geldt en wordt toegepast in Schotland.

6 Op het Internet (http://www.wgreen.co.uk/news/court2-12-1999-17-17-16.html) wordt melding gemaakt van Starrs v. Ruxton, 11 November 1999 (1999 GWD 37-1793), waarbij de Schotse rechter een beroep op art. 6 EVRM had toegewezen.