Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA7105

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/038HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 8
Uitvoeringswet Betekeningsverdrag 1965 11
Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, 's-Gravenhage, 15-11-1965 1
Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, 's-Gravenhage, 15-11-1965 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 428
NJ 2000, 642
JWB 2000/136
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R00/038HR

Parket, 9 mei 2000

Mr Strikwerda

conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

1. Stichting Sociaal Vormings-

en Ontwikkelingsfonds in het

Bakkersbedrijf

2. Stichting Bedrijfspensioenfonds

voor het Bakkersbedrijf

3. Stichting Uittreden Brood- en Banketbakkersbedrijf, Subroba

Edelhoogachtbaar College,

1. Op verzoek van verweersters in cassatie, hierna: de Stichtingen, zijn bij vonnis van de Rechtbank te Amsterdam d.d. 28 september 1999 in staat van faillissement verklaard de vennootschap onder firma Jerusalem Bakery B.V. i.o., alsmede haar beherende vennoten [..] en - bij verstek - [..], verzoeker van cassatie.

2. Het vonnis is op 17 december 1999 door een Belgische deurwaarder aan [verzoeker] op zijn woonadres te [woonplaats], België, betekend.

3. Bij een op 24 december 1999 ter griffie van genoemde Rechtbank ingekomen verzoekschrift is [verzoeker] in verzet gekomen tegen het vonnis van 28 september 1999.

4. Bij beschikking van 14 januari 2000 heeft de Rechtbank [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzet wegens overschrijding van de in art. 8 lid 2 Fw voor het instellen van dit rechtsmiddel in een geval als het onderhavige, waarin de schuldenaar tijdens de uitspraak zich niet binnen het Rijk in Europa bevindt, voorgeschreven termijn van één maand na de dag der uitspraak.

5. Op het door [verzoeker] tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 7 maart 2000 de uitspraak van de Rechtbank, die het Hof heeft gelezen en verbeterd als zijnde een vonnis, bekrachtigd.

6. [Verzoeker] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. De Stichtingen hebben geen verweerschrift in cassatie ingediend.

7. Middel I (cassatierekest, blz. 5) klaagt, als ik het goed zie, dat het Hof ten onrechte in de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding heeft gezien om [verzoeker], ondanks de overschrijding van de door de wet voorgeschreven termijn voor het instellen van dat rechtsmiddel, ontvankelijk te achten in zijn verzet.

8. [Verzoeker] had onder meer aangevoerd (grief 2) dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] voor de eerste behandeling van het verzoekschrift tot faillietverklaring op de bij de wet voorgeschreven wijze is opgeroepen. Hij stelde dat hij de volgens de Rechtbank door de faillissementsgriffie per aangetekende brief aan zijn woonadres verzonden oproeping voor de eerste behandeling van het faillissementsrekest niet heeft ontvangen en dat hij ook onkundig is gebleven van de zittingen na de eerste behandeling. Voorts had [verzoeker] aangevoerd (grief 5) dat de Rechtbank eraan voorbij is gegaan dat [verzoeker] (ruim) binnen één maand, nadat hij van het vonnis van faillietverklaring kennis heeft genomen (en redelijkerwijs kennis kon nemen) in verzet is gekomen.

9. Het middel faalt. Op de onderhavige kwestie is het op 15 november 1965 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, Trb. 1966, 91, zowel materieel (faillissementsprocedures zijn van het toepassingsgebied van het verdrag niet uitgesloten) als formeel ([verzoeker] heeft een bekend adres in een andere verdragsluitende staat, België; zie art. 1) van toepassing. Art. 16 van dit verdrag jo. art. 11 van de Wet van 8 januari 1975 tot uitvoering van het verdrag, Stb. 1975, 5, biedt de verweerder tegen wie bij verstek uitspraak is gedaan en die stelt niet de gelegenheid te hebben gehad zich te verweren, doordat het stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk hem niet (tijdig) heeft bereikt, de gelegenheid de rechter, indien de termijn waarbinnen een rechtsmiddel had moeten worden aangewend inmiddels is verstreken, te verzoeken hem een nieuwe termijn toe te staan binnen welke hij het rechtsmiddel alsnog kan aanwenden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat [verzoeker] van deze gelegenheid gebruik gemaakt heeft. Er is reeds daarom geen grond om, zoals [verzoeker] kennelijk wenst, af te wijken van het in art. 8 lid 2 Fw voorgeschreven aanvangstijdstip van de verzettermijn, zodat 's Hofs oordeel, wat er ook zij van de gronden waarop het berust, juist is.

10. Middel II (cassatierekest, blz. 16) klaagt dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden, nu [verzoeker], hoewel daarom niet is gevraagd, failliet is verklaard.

11. Ook dit middel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Waar 's Hof oordeel dat [verzoeker] in zijn verzet niet kan worden ontvangen in cassatie stand kan houden, was het Hof niet bevoegd, laat staan gehouden, te onderzoeken of de Rechtbank in haar vonnis waartegen verzet al dan niet terecht heeft geoordeeld dat het door de Stichtingen ingediende verzoekschrift mede strekte tot de faillietverklaring van [verzoeker].

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,