Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA7038

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R99/150HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA7038
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 415
JWB 2000/126

Conclusie

Mr. Hartkamp

Conclusie inzake

nr. R99/150HR [De man]

parket, 28 april 2000 Tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1) Tussen partijen, die op 6 juli 1968 met elkaar zijn gehuwd, is bij beschikking van 2 juli 1997 de echtscheiding uitgesproken; de beschikking is augustus 1997 in de regis-ters van de burgerlijke stand ingeschreven.

In deze procedure heeft de vrouw de rechtbank verzocht de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud van ¦ 2.500,- per maand. De rechtbank heeft bij beschikking van 1 oktober 1998 met ingang van de dag dat de beschikking van kracht zou zijn, de vrouw ten laste van de man een uitkering tot levensonderhoud toegekend van ¦ 1.000,- per maand.

2) De man is van die beschikking in appèl gekomen, de vrouw stelde incidenteel beroep in. Het hof heeft de be-schik-king in zijn uitspraak van 29 juni 1999 vernietigd. Het hof overwoog (r.o. 3.5) dat de vrouw alleenstaand was; dat haar inkomen, na de beëindiging van de arbeidsover-eenkomst met haar vorige werkgever, over de maanden januari en februari 1999 bestond uit een WW-uitkering; dat deze uitkering ingaande 1 maart was opgeschort, omdat de vrouw vanaf 11 februari in dienst was getreden als Public Rela-tions Marketing Manager in een hotel te Costa Rica; dat zij daar tot 11 oktober een bedrag van 1.000,- US$ per maand verdiende en daarna (aangezien zij dan naar [plaats B] zou verhuizen alwaar haar huisvesting en eten zouden worden verschaft) 400,- US$. Vervolgens overwoog het hof (r.o. 4.1) dat de man had aangevoerd dat de vrouw, die de laatste 15 jaar van het huwelijk fulltime als secretaresse werkzaam is geweest, in haar eigen levensonderhoud kan voorzien; en dat deze stelling door de vrouw was betwist, waarbij zij onder meer had gewezen op de welstand die zij en de man tijdens het huwelijk hadden genoten en op het feit dat zij sedert 1 januari 1999 werkloos was. Het hof was van oordeel dat de vrouw - gelet op de lange duur van het huwelijk met de man, de hoogte van de gezamenlijke inkomens ten tijde van dat huwelijk en de hoge levensstandaard die partijen er op nahielden - in ieder geval vanaf 1 januari 1999 behoefte heeft aan een bijdrage van de man. Het heeft vervolgens de draagkracht van de man beoordeeld (r.o. 4.2. - 4.11) en de vrouw met ingang van 1 januari 1999 een alimentatie van

¦ 2.500,- per maand toegekend (r.o. 4.12).

3) De man is (tijdig) van deze beschikking in cassatie gekomen onder aanvoering van drie middelen van cassatie, waarvan het derde subsidiair wordt voorgesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

Bespreking van de cassatiemiddelen

4) In middel I wordt geklaagd dat het hof zou zijn voorbijgegaan aan het in een brief van 18 juni 1999 na afloop van de mondelinge behandeling van 3 juni zijdens de man gevoerde verweer, dat de keuze van de vrouw om voor een lager inkomen een baan in Costa Rica aan te nemen geen invloed behoort te hebben op de alimentatieverplichting van de man. Het is zeer aannemelijk dat de vrouw, gezien haar langdurige werkervaring en het tekort aan ervaren secreta-ressen, in Nederland een passende werkkring kan vinden, aldus de man in deze brief.

Het middel mist m.i. feitelijke grondslag. 's Hofs beschikking biedt geen aanleiding voor de veronderstelling dat het hof de door de man gestelde omstandigheid over het hoofd heeft gezien. Het hof heeft haar echter kennelijk van onvoldoende gewicht geacht om van invloed te zijn op de behoefte van de vrouw. Het hof was niet gehouden dit oor-deel, dat deel uitmaakt van de aan het hof voorbehouden weging van factoren die de draagkracht en behoefte bepalen, nader te motiveren (zie recent HR 24 april 1998, NJ 1998, 603).

5) Middel II faalt, omdat het daar gestelde nog geen begin van weerlegging inhoudt van 's hofs bestreden overweging.

6) Middel III klaagt dat het hof met de huurlast van de vrouw ad ¦ 978,50 (zie r.o. 3.6) slechts rekening had mogen houden voor wat betreft de periode tot eind oktober 1999, nu zij die huur immers naar haar eigen stelling tegen die datum had opgezegd. De klacht faalt, omdat uit r.o. 3.5 blijkt dat het hof dat heeft gedaan. Maar het hof heeft er kennelijk, zoals de vrouw ook had gesteld, eveneens reke-ning mee gehouden dat de opzegging van de huur gepaard is gegaan met een daarmee verband houdende vermindering van het salaris van 1000 US$ naar 400 US$ per maand. De be-slissing is daarom geenszins onbegrijpelijk.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(Advocaat-Generaal)