Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA6337

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/376HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA6337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 2, geldigheid: 2000-06-30
Wet op de rechterlijke organisatie 24, geldigheid: 2000-06-30
Wet op de rechterlijke organisatie 28a, geldigheid: 2000-06-30
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 44, geldigheid: 2000-06-30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 29, geldigheid: 2000-06-30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 157b, geldigheid: 2000-06-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 382
NJ 2001, 316
RvdW 2000, 170
JWB 2000/109

Conclusie

C 98/376 HR Mr. Langemeijer

Zitting 21 april 2000 Conclusie inzake:

(bij vervroeging) [Eiser]

tegen

1. de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond ANWB

2. de Nederlandse Centrale Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek.

Edelhoogachtbaar College,

In dit geding is verwijzing van de zaak naar een andere rechtbank gevraagd wegens bezwaren tegen de samenstelling van het college. In cassatie is de vraag, of de regel van art. 157b Rv van toepassing is op de beslissing op dit verzoek1.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

1.1.1. Eiser tot cassatie, […], is ontwerper van een zgn. koppelingsstabilisator onder de naam Stabifix. Dit is een koppeling tussen caravan en auto, welke tot doel heeft het slingeren van de caravan te beperken.

1.1.2. TNO heeft in 1991 onderzoek gedaan naar een drietal caravankoppelingen, waaronder de Stabifix. Op basis van dat onderzoek heeft de ANWB een artikel gepubliceerd in het novembernummer van haar blad Kampeer- en Caravankampioen. [Eiser] heeft in een eerste kort geding van de ANWB een rectificatie gevorderd, stellend dat het artikel in genoemd blad ten onrechte de indruk wekte dat de Stabifix onveilig was. Bij vonnis van 30 december 1992 is de vordering afgewezen2.

1.2. In het onderhavige kort geding, aangevangen bij dagvaarding d.d. 4 februari 1997, heeft [eiser] de ANWB en TNO gedagvaard voor de president van de rechtbank te ’s-Gravenhage. De ANWB en TNO zijn in eerste aanleg verschenen. Bij de aanvang van de behandeling ter terechtzitting heeft [eiser] de president verzocht de zaak te verwijzen naar een andere rechtbank. Bij tussenvonnis van diezelfde dag, 10 februari 1997, heeft de president het verzoek afgewezen en bepaald dat de behandeling van het geding zou worden voortgezet.

1.3. Bij exploit van 21 februari 1997 is [eiser] van dit tussenvonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Hij heeft primair gevorderd dat het hof de behandeling van het hoger beroep zal verwijzen naar een gerechtshof dat geen enkele binding heeft met (het kantoor van) de raadslieden van de ANWB en TNO. Subsidiair heeft hij gevorderd dat het hof het tussenvonnis van de president zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de zaak zal verwijzen naar een rechtbank die geen enkele binding heeft met (het kantoor van) de raadslieden van de ANWB en TNO.

1.4. Aan de subsidiaire vordering heeft [eiser], blijkens de memorie van grieven (blz. 2), ten grondslag gelegd dat een “nauwe verstrengeling” bestaat tussen de rechtbank te ‘s-Gravenhage en het advocatenkantoor, waartoe de advocaten behoren door wie de ANWB en TNO zich hebben laten bijstaan. Deze verstrengeling bestaat hieruit, dat acht advocaten van datzelfde kantoor - anderen dan de advocaten die in dit geding voor de ANWB en TNO zijn opgetreden - tevens rechter-plaatsvervanger zijn in de rechtbank te ’s-Gravenhage. Voorts merkt [eiser] op dat de advocaat, die in dit geding in eerste aanleg voor de ANWB optrad, ook hoogleraar is aan de Vrije Universiteit te Amsterdam terwijl twee andere hoogleraren van diezelfde universiteit rechter-plaatsvervanger in de rechtbank te ’s-Gravenhage zijn.

1.5. In de tweede plaats heeft [eiser] aangevoerd dat de vice-president, die het beroepen tussenvonnis heeft gewezen, deel heeft uitgemaakt van de Raad van Discipline (als bedoeld in de Advocatenwet) te ’s-Gravenhage, van welk tuchtcollege ook een kantonrechter deel uitmaakte die weer een schoonzuster is van de toenmalige directeur van de ANWB. Daarop geattendeerd, zou de vice-president hebben laten weten hierin geen reden te zien zich te verschonen (MvG punt 13-14). Aan dit alles verbindt [eiser] de conclusie dat in het tussenvonnis niet de schijn is vermeden dat het ontbreekt aan voldoende onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter.

1.6. Bij arrest van 25 november 1997 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen om de procureur van [eiser] gelegenheid te geven een vormfout te herstellen (het ondertekenen van de memorie van grieven) en zich uit te laten over de vraag, of de regel van art. 157b Rv in de weg staat aan dit hoger beroep. Bij akte van 26 februari 1998 heeft [eiser] zich ontkennend over deze vraag uitgelaten.

1.7. Bij arrest van 22 september 1998 heeft het hof [eiser] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hof overwoog, kort samengevat, dat het standpunt van [eiser] inhoudt dat de rechtbank te ’s-Gravenhage relatief onbevoegd is. Art. 157b lid 1 Rv bepaalt dat tegen een vonnis, waarin de rechter zijn bevoegdheid aanneemt, te dien aanzien alleen een hogere voorziening openstaat op grond dat de rechter onbevoegd is uit hoofde van het onderwerp van het geschil, en slechts tegelijk met beroep tegen het eindvonnis. De absolute bevoegdheid is hier niet in discussie. Omdat er geen sprake is van een eindvonnis, kan [eiser] ook om díe reden in zijn hoger beroep niet worden ontvangen (rov. 2). Omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, komt volgens het hof de gevraagde verwijzing naar een ander hof niet aan de orde (rov. 3). Ten overvloede heeft het hof overwogen dat de enkele omstandigheid dat kantoorgenoten van de raadslieden van de ANWB en TNO in eerste aanleg als rechter-plaatsvervanger aan de rechtbank, resp. aan dit hof, zijn verbonden onvoldoende zwaarwegend is voor een objectief gerechtvaardigde twijfel aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die rechtbank resp. van dit hof. Bijzondere omstandigheden, die dit anders zouden maken, zijn niet gesteld (rov. 4).

1.8. Tegen dit arrest heeft [eiser] tijdig (art. 295 lid 4 Rv) cassatieberoep ingesteld. Tegen de ANWB en TNO is in cassatie verstek verleend. Het cassatieberoep is schriftelijk summier toegelicht3.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel I richt zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Het middel bevat geen klacht tegen de afwijzing door het hof van [eiser]’ primaire verzoek om de gehele behandeling van het hoger beroep (waaronder de beslissing omtrent de ontvankelijkheid van het hoger beroep) aan een ander hof over te dragen. Op de vraag of het hof terecht zelf het hoger beroep heeft afgedaan, behoeft dus niet te worden ingegaan.

2.2. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering maakt onderscheid tussen de absolute bevoegdheid en de relatieve bevoegdheid van de rechter. De absolute bevoegdheid van de president van de rechtbank staat - zowel in de opvatting van [eiser] als in de redenering van het hof - niet ter discussie. De relatieve bevoegdheid ziet op de vraag, welke rechter van gelijke rang bevoegd is. In dit geval dus op de vraag: van wélke rechtbank is de president bevoegd de onderhavige vordering in kort geding te behandelen? De ANWB en TNO zijn beide gevestigd in het arrondissement ’s-Gravenhage, zodat de rechtbank van dit arrondissement relatief bevoegd is (art. 126, lid 1 en lid 7, Rv). Zo dit al niet terstond duidelijk was, heeft [eiser] bij akte in hoger beroep d.d. 26 februari 1998 sub 3 uitdrukkelijk aangevoerd dat het niet zijn bedoeling is te stellen dat de president van de rechtbank te ’s-Gravenhage relatief of absoluut onbevoegd zou zijn.

2.3. De vaststelling in het thans bestreden arrest dat [eiser] zich beroept op relatieve onbevoegdheid van de (president van de) rechtbank te ’s-Gravenhage wordt in onderdeel I dan ook terecht aangevallen. De verwarring is ontstaan doordat de procureur van [eiser] het woord “onbevoegd” op een oneigenlijke wijze gebruikt. De procureur heeft kennelijk slechts willen betogen dat art. 6 EVRM verbiedt dat de zaak wordt berecht door een rechter, die niet voldoet aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid als bedoeld in dat artikel, en dat om deze reden een verwijzing van de zaak naar een ander college van gelijke rang behoort te volgen. Aanvaarding van dat standpunt maakt de (president van de) Haagse rechtbank niet onbevoegd.

2.4. Zoals ook het hof vermeldt, is art. 157b Rv in het wetboek opgenomen bij wet van 21 januari 1954, Stb. 27. De memorie van toelichting geeft aan dat door de ontwikkeling van de mogelijkheden van vervoer tussen de plaatsen waar gerechten zijn gevestigd, het voor procespartijen niet van veel belang is, welke rechter relatief bevoegd is van een zaak kennis te nemen. Partijen hebben er slechts belang bij, dat snel een rechter wordt aangewezen4. Daarom is in het eerste lid bepaald dat, wanneer een rechter zich bevoegd verklaart om van de zaak kennis te nemen, het beroep zich slechts kan uitstrekken over de beslissing omtrent de absolute bevoegdheid en eerst kan worden ingesteld nadat het eindvonnis gewezen is5. Men kan zich de vraag stellen of deze strekking met zich meebrengt dat het appèlverbod, althans het verbod van tussentijds appèl, zich niet alleen uitstrekt over kwesties van relatieve bevoegdheid waarbij de rechter zich bevoegd heeft geacht, maar in het algemeen betrekking moet hebben op alle geschillen - dus ook het onderhavige - waarbij de vraag aan de orde is of de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt dan wel een andere rechter van gelijke rang de zaak zal behandelen. Het komt mij voor, dat de wet voor een dergelijke ruime uitleg van het appèlverbod geen grondslag biedt. Ook het spoedeisend karakter van het kort geding verzet zich niet tegen een tussentijds hoger beroep. Art. 337 lid 2 Rv geeft de rechter, die een tussenvonnis wijst, immers de mogelijkheid te bepalen dat hoger beroep slechts kan worden ingesteld tegelijk met beroep tegen het eindvonnis. Hiermee kan een ongewenste vertraging van het geding door een tussentijds hoger beroep worden voorkomen. Die bepaling kan ook in een kort geding worden toegepast6. In dit geval heeft de president van art. 337 lid 2 Rv geen gebruik gemaakt.

2.5. Ter informatie kan worden opgemerkt dat het bij de Tweede Kamer ingediende wetsontwerp voor de herziening van het burgerlijk procesrecht7 in ontwerp-art. 2.2.12 de behandeling van geschillen over de relatieve bevoegdheid van de rechter opnieuw regelt. De memorie van toelichting vermeldt dat het voorgestelde artikel geen wijziging brengt in het geldende recht, met dien verstande dat de categorische uitsluiting van hoger beroep in de eerste zin van het derde lid iets verder gaat dan het huidige artikel 157b Rv, dat in sommige gevallen hoger beroep toelaat. Deze keuze hangt samen met de eveneens voorgestelde nieuwe regeling in ontwerp-art. 1.8.3 voor verwijzing bij absolute onbevoegdheid.

2.6. De slotsom is dat de klacht van onderdeel I gegrond is en [eiser] niet op deze grond in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk had mogen worden verklaard. Om dezelfde reden ben ik van mening dat art. 157b Rv evenmin in de weg staat aan de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep. Aangezien het hof in rov. 4 ten overvloede, voor het geval het hoger beroep ontvankelijk zou zijn bevonden, de grieven inhoudelijk heeft beoordeeld en verworpen, zal ook onderdeel II moeten worden behandeld8.

2.7. Over onderdeel II eerst een algemene opmerking. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 29 e.v.) voorziet in een regeling waarbij, op verzoek van een procespartij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Wordt het wrakingsverzoek ingewilligd, of berust de desbetreffende rechter in de wraking, dan wordt de gewraakte rechter vervangen. [Eiser] had in eerste aanleg van de mogelijkheid tot wraking gebruik kunnen maken, maar heeft dat niet gedaan.

2.8. De wet kent niet de mogelijkheid van verwijzing op de grond die [eiser] heeft aangevoerd. Reeds om deze reden is de in onderdeel II aangevallen beslissing juist, wat er zij van de gronden waarop zij berust. De vraag kan worden gesteld of art. 6 EVRM ertoe dwingt desnoods buitenwettelijk een verwijzing op de aangevoerde grond toe te staan. Ik acht in dit geval de noodzaak hiertoe niet aanwezig. Voor gevallen waarin een verzoeker bevreesd is dat een wraking hem niet zal helpen omdat, wanneer de rechter(s) na inwilliging van zijn wrakingsverzoek wordt/worden vervangen, voor de nieuw aan te wijzen rechter(s) uit hetzelfde gerecht dezelfde wrakingsgrond zal gelden, biedt de wet een oplossing. Krachtens art. 3 van de Wet op de samenstelling van de burgerlijke gerechten zijn de president, de (coördinerend) vice-presidenten en de rechters in een rechtbank van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken. Langs deze weg kunnen, zo nodig, leden van een andere rechtbank worden aangewezen om als rechter-plaatsvervanger in de Haagse rechtbank de zaak te behandelen.

2.9. Niettemin wil ik op de klacht ingaan. Het middel zoekt kennelijk aansluiting bij de discussie die sinds enkele jaren wordt gevoerd over de vraag of het gewenst is dat advocaten een functie als rechter-plaatsvervanger vervullen9. Naar huidig recht is deze combinatie van functies toegestaan. De Wet op de rechterlijke organisatie kent, naast hen die het rechterschap als hoofdfunctie hebben, rechters-plaatsvervanger10. Zij moeten aan dezelfde wettelijke eisen voldoen als een rechter. In veel gevallen gaat het om een zgn. aanloop- of afbouwfunctie: personen die, in opleiding voor rechter, als rechter-plaatsvervanger ervaring opdoen of gepensioneerde rechters die tot hun 70e periodiek als rechter-plaatsvervanger worden ingeschakeld. Daarnaast omvat de groep van rechters-plaatsvervanger de collega’s uit de gerechten van dezelfde rang (zie alinea 2.8 hierboven) alsmede juristen die hun hoofdfunctie elders hebben en af en toe als rechter-plaatsvervanger zitting nemen. In deze categorie bevinden zich veel, doch niet uitsluitend, advocaten en universitair docenten. Rechters-plaatsvervanger worden door het rechterlijk college voor zittingen uitgenodigd, hetzij als vervanger wegens ziekte, vakantie of ander personeelstekort, hetzij vanwege hun specialistische kennis (hoogleraren bijv.). Art. 44 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalt dat rechterlijke ambtenaren met uitzondering van de plaatsvervangers niet tevens advocaat, procureur of notaris kunnen zijn, dan wel anderszins van het verlenen van rechtskundige bijstand een beroep kunnen maken11. De benoeming van een advocaat tot rechter-plaatsvervanger is naar geldend recht dus toegestaan. De discussie heeft aanvankelijk ertoe geleid dat de toenmalige minister van Justitie een wetswijziging in voorbereiding heeft genomen met de strekking dat advocaten niet langer in hun eigen arrondissement als rechter-plaatsvervanger werkzaam zouden kunnen zijn. Later heeft de minister van dit voornemen afgezien12. Het heeft weinig zin om de grens te leggen bij het eigen arrondissement, omdat advocaten tegenwoordig veelvuldig buiten het eigen arrondissement optreden.

2.10. Binnen de rechterlijke macht geldt de ongeschreven regel dat de advocaat als rechter-plaatsvervanger zich onthoudt van het behandelen van en beslissen in zaken, waarmee hijzelf of één van zijn kantoorgenoten als advocaat van doen heeft gehad13. Rechtspraak over dit onderwerp ontbreekt, hetgeen erop duidt dat zulke problemen in de praktijk worden voorkómen doordat de advocaat/rechter-plaatsvervanger niet door de rechtbank voor zo’n zaak wordt gevraagd of zich vóór de behandeling van de zaak als rechter-plaatsvervanger terugtrekt. De problematiek van de kantoorgenoot als rechter-plaatsvervanger is onlangs in ander verband aan de Hoge Raad voorgelegd14. Het ging daarbij om een officier van justitie die, in een ander dan het eigen arrondissement, als rechter-plaatsvervanger zitting had in twee strafzaken. In die strafzaken was een ambtgenoot van deze officier van justitie (d.w.z. een andere officier van justitie uit hetzelfde arrondissementsparket) betrokken geweest bij het voorbereidend onderzoek, resp. bij de strafvervolging ter terechtzitting. Het hof had de bezwaren van de verdachte tegen deze gang van zaken verworpen; de Hoge Raad heeft die beslissing vernietigd.

2.11. Ook de gedragsregels voor advocaten voorzien in normering. Regel 34 luidt:

1. De advocaat die een functie vervult bij enig college dat met rechtspraak (…) is belast, onthoudt zich van elke bemoeienis met een zaak waarin hij in die functie werkzaam is, is geweest of zal worden betrokken.

2. Het staat de advocaat, die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband, niet vrij bemoeienis te hebben met een zaak die beoordeeld is of wordt door een college waarin een tot hetzelfde samenwerkingsverband behorende advocaat een functie vervult indien deze bij de behandeling door het college is of zal worden betrokken.

Het tweede lid van deze gedragsregel verbiedt dus niet het optreden als advocaat voor een rechterlijk college, waarin een kantoorgenoot als rechter-plaatsvervanger is benoemd. Wel verbiedt deze regel het optreden als advocaat voor een rechterlijk college indien een kantoorgenoot als rechter-plaatsvervanger (of in enige andere functie, bijv. als griffier) daadwerkelijk bij de behandeling van de zaak is of zal worden betrokken. Schending van deze gedragsregel door een advocaat kan leiden tot disciplinaire sancties. Hierover is één tuchtrechtelijke uitspraak bekend15. Daarnaast vindt controle plaats door het rechterlijk college zelf: doorgaans is uit het dossier zichtbaar of de advocaat/rechter-plaatsvervanger, dan wel een van diens kantoorgenoten, bemoeienis heeft gehad met de zaak. Mocht de controle vooraf tekort schieten, dan is er steeds de mogelijkheid van wraking.

2.12. In de onderhavige zaak is in eerste aanleg vonnis gewezen door een vice-president van de rechtbank te ’s-Gravenhage, dus door een professionele rechter en niet door een advocaat/rechter-plaatsvervanger16. Dat maakt deze zaak minder geschikt voor een principiële uitspraak over de vraag of art. 6 EVRM zich verzet tegen advocaten als rechter-plaatsvervanger. Tóch heeft [eiser] vrees voor onvoldoende onpartijdigheid gesteld, op de hierboven (alinea’s 1.4 en 1.5) genoemde gronden.

2.13. In art. 6 EVRM is het recht op een eerlijke en openbare behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht verankerd17. Zoals bekend, hanteert het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bij de beoordeling van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid een subjectieve en een objectieve maatstaf18. De subjectieve benadering zoekt naar de “personal conviction of a given judge in a given case”. Daarbij geldt: “the personal impartiality of a judge must be presumed until there is proof to the contrary” (EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627, rov. 47). Omdat eventuele vooringenomenheid van een rechter voor een procespartij in het algemeen moeilijk op te sporen is, hanteert het EHRM daarnaast een objectieve benadering. In het Engels wordt het onderscheid wel aangeduid als actual bias tegenover appearance of bias. Het EHRM omschrijft de objectieve benadering als volgt:

“Under the objective test, it must be determined whether, quite apart from the judge’s personal conduct, there are ascertainable facts which may raise doubts as to his impartiality. In this respect even appearances may be of a certain importance. What is at stake is the confidence which the courts in a democratic society must inspire in the public (…). This implies that in deciding whether in a given case there is a legitimate reason to fear that a particular judge lacks impartiality, the standpoint of the accused is important but not decisive (…). What is decisive is whether this fear can be held objectively justified”.19

De Hoge Raad heeft deze benaderingswijze tot de zijne gemaakt:

“Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6 eerste lid EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.”20

2.14. In rov. 4 heeft het hof aansluiting gezocht bij deze jurisprudentie. Het hof heeft dus de juiste maatstaf gehanteerd. De klachten van onderdeel II komen erop neer dat de stellingen van [eiser] het hof hadden moeten doen concluderen dat de bij [eiser] bestaande vrees voor onvoldoende onpartijdigheid van de Haagse rechtbank objectief gerechtvaardigd was. De toelichting op het middel verwijst naar het arrest in de zaak Van de Hurk (EHRM 19 april 1994, NJ 1995, 462, m.nt. EAA) en dat in de zaak Procola (EHRM 28 september 1995, NJ 1995, 667 m.nt. EAA). Die uitspraken gaan weliswaar over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, maar in een niet vergelijkbaar geval. In die zaken ging het om de vraag of er nog sprake is van een berechting door een onafhankelijk gerecht wanneer een minister op grond van de wet de rechterlijke uitspraak ter zijde kan stellen, respectievelijk om de vraag of voldoende waarborgen voor een onafhankelijk en onpartijdig oordeel aanwezig zijn, wanneer een instantie, die eerder inhoudelijk advies heeft uitgebracht over een bepaald vraagstuk, later als rechter moet oordelen over datzelfde vraagstuk. Geen van beide vragen is thans aan de orde.

2.15. De toelichting op het middel verwijst voorts naar een interview met mr P.P.M. Ruijs, die blijkens de inleidende dagvaarding als juridisch adviseur van [eiser] optreedt (Adv. blad 1998, blz. 1093-1096). In dit interview maakt Ruys bezwaar tegen de grote advocatenkantoren als “hofleveranciers” van rechters-plaatsvervanger bij verscheidene rechtbanken. Daardoor zou een “conglomeraat van invloed en macht” ontstaan, waarvan de kleine advocatenkantoren het slachtoffer worden. De toelichting op het middel stelt dat er geen waarborgen tegen onderlinge beïnvloeding zijn.

2.16. De toelichting op het middel maakt helaas niet duidelijk, in welk opzicht voor beïnvloeding moet worden gevreesd. Het petitum noopt tot de opmerking dat van een rechterlijk college als zodanig bezwaarlijk kan worden verwacht geen enkele betrekking met de advocatenkantoren in zijn werkgebied te onderhouden, al was het maar het contact over het griffierecht en over het inzenden van gedingstukken. Het middel heeft vermoedelijk het oog op informeel contact tussen professionele rechters en rechters-plaatsvervangers die tevens advocaat zijn in het bedoelde advocatenkantoor. De wet biedt evenwel de nodige waarborgen op dit punt. Contact - direct of indirect, anders dan ter terechtzitting of in de geregelde proceduregang - van rechters met partijen of hun advocaten over rechtszaken, waarin die rechters moeten beslissen, wordt verboden door art. 24 RO. Aan dit verbod wordt in de praktijk streng de hand gehouden, al was het maar omdat art. 11, aanhef en onder d sub 3, RO voor overtreding van deze regel dreigt met ontslag. Daarnaast is er de waarborg van de geheimhoudingsplicht van art. 28a RO. Voor zover advocaten als rechter-plaatsvervanger de uitkomst van een lopend geschil zouden willen beïnvloeden ten nadele van de cliënten van advocaten van concurrerende kantoren - een stelling die ik niet voor mijn rekening neem - strekt hun beïnvloedingsmogelijkheid zich niet verder uit dan tot de zaak waarop zij zelf als rechter-plaatsvervanger zitten; in dat geval bestaat de mogelijkheid van wraking. In de maatschappelijke discussie is wel eens het argument gebruikt van de persoonlijke bekendheid van de professionele rechters met de advocaten/rechter-plaatsvervanger in hun college (het “ons-kent-ons”-argument21). Dat, m.i. gedateerde, argument behoeft sterk relativering: de rechtbank te ’s-Gravenhage, waarom het hier gaat, telde in 1998 niet minder dan 106 professionele rechters en 248 rechters-plaatsvervanger22.

2.17. [Eiser] heeft nog andere verbindingen genoemd tussen enerzijds de rechtbank (en speciaal de behandelend vice-president) en anderzijds de ANWB en het kantoor waaraan haar raadsman verbonden is (zie 1.4 en 1.5 hierboven). Daarover valt het volgende op te merken. Iedere persoon in de samenleving heeft verbindingen met anderen en met maatschappelijke organisaties; dat geldt ook voor rechters. Niet elk verband dat gelegd kan worden met de persoon van de rechter is relevant. Relevant zijn slechts die omstandigheden welke - subjectief of objectief - een vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. De overweging van het EHRM, welke het middel aanhaalt, (rov. 45 uit het Procola-arrest: “That doubt in itself, however slight its justification, is sufficient to vitiate the impartiality of the tribunal in question”) kan inderdaad tot leidraad dienen, mits men zich realiseert dat deze zinsnede werd voorafgegaan door de zin: “Procola had legitimate grounds for fearing that the members of the Judicial Committee had felt bound by the opinion previously given”. Het uitspreken van twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter is niet voldoende: er dienen omstandigheden vastgesteld te worden, die de vrees voor onvoldoende onafhankelijkheid of onpartijdigheid rechtvaardigen. Zijn die omstandigheden er, dan behoeft niet te worden aangetoond dat de oordeelsvorming van de rechter daadwerkelijk door die omstandigheden is beïnvloed.

2.18. Het hof heeft, gemeten naar objectieve maatstaven, kunnen oordelen dat de door [eiser] gestelde verbindingen de vrees voor vooringenomenheid niet rechtvaardigen. Het gestelde verband is te ver verwijderd of duidt niet op de aanwezigheid van een bij de rechter aanwezig belang of mogelijk motief om de beslissing in deze of gene zin te laten uitvallen. Een verband dat neutraal van aard is behoeft de neutrale opstelling van de rechter niet in gevaar te brengen. Waar ligt dan de grens? Bij wijze van gedachtenoefening - [eiser] heeft dit niet aangevoerd -, heb ik mij afgevraagd of de enkele omstandigheid dat een rechter lid is van de ANWB, één van de procespartijen, naar objectieve maatstaf een beletsel zou zijn in deze zaak als rechter te oordelen. Aangezien de ANWB meer dan 3 miljoen leden telt die zich, naar algemeen bekend is, voor het overgrote deel niet inzetten voor deze vereniging maar uitsluitend als consument geïnteresseerd zijn in de door het lidmaatschap geboden faciliteiten, zou ik, als die vraag gesteld zou zijn, in het enkele lidmaatschap van de ANWB geen beletsel zien om als rechter in dit geschil te oordelen. De beoordeling zou eerst anders uitvallen wanneer een rechter binnen de ANWB actief zou zijn, bijvoorbeeld als bestuurslid, als redacteur van de Kampeer- en Caravankampioen of als lid van een werkgroep over het desbetreffende onderwerp. Een dergelijke betrokkenheid - behoeft niet noodzakelijk, doch - kán erop duiden dat de desbetreffende rechter wordt geassocieerd met het belang dat de ANWB heeft bij de uitkomst van dit geschil.

2.19. Wel kan reden tot zorg zijn dat rechterlijke colleges (niet: individuele rechters), die door een structureel tekort aan rechters te zeer moeten leunen op de inzet van rechters-plaatsvervanger, op den duur afhankelijk kunnen worden van de welwillende medewerking van die advocatenkantoren, welke toestaan dat hun advocaten in kantooruren als rechter-plaatsvervanger optreden. Zolang het nog niet zover is, kan het feit dat een college gebruik maakt van de incidentele inzet van advocaten/rechters-plaatsvervanger naar objectieve maatstaven de vrees voor een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de leden van dat college niet rechtvaardigen. In elk geval heeft [eiser] op het vlak van een dergelijke structurele afhankelijkheid noch in feitelijke aanleg noch in cassatie klachten geuit.

2.20. De slotsom is dat het arrest op de subsidiaire grond stand houdt, zodat, ondanks de gegrondbevinding van onderdeel I, het cassatieberoep niet slaagt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Een verwant probleem doet zich voor in de zaak C 98/315, waarin ik heden concludeer.

2 In zijn hoger beroep tegen dat vonnis is [eiser], bij gebreke van grieven, niet-ontvankelijk verklaard. [Eiser] heeft nadien bij diverse instanties klachten ingediend. Het vonnis van 28 april 1999 geeft op blz. 2 - 4 daarvan een uitgebreid overzicht.

3 Bij de overgelegde gedingstukken bevindt zich inmiddels ook het eindvonnis d.d. 28 april 1999 van de president van de rechtbank te ’s-Gravenhage, waarbij zowel de vordering van [eiser] in conventie als de vordering van de ANWB in reconventie zijn afgewezen.

4 TK 1951/52, 2601, nr. 3 blz. 2.

5 Zie ook: losbl. Rechtsvordering, aant. 1 en 2 op art. 157b; Snijders/Wendels, Civiel appel (1999) blz. 29 - 42 over absolute en relatieve bevoegdheid in eerste en in tweede aanleg.

6 HR 3 januari 1975, NJ 1975, 205, m.nt. WLH en LWH.

7 TK 1999/2000, 26 855. MvT op blz. 96/97. Ontwerp-art. 2.2.12 houdt in, voor zover thans van belang:

1. Het verweer dat de rechter niet relatief bevoegd is, wordt op straffe van verval van het recht daartoe gevoerd vóór alle weren ten gronde.

2. Indien de rechter beslist dat niet hij, maar een andere rechter relatief bevoegd is, verwijst hij de zaak naar deze rechter (…).

3. Tegen een vonnis waarbij een verweer als bedoeld in het eerste lid wordt verworpen of de zaak naar een andere rechter wordt verwezen, is geen hogere voorziening toegelaten. (…)

8 Rov. 4 heeft een argumentatieve (te weten: subsidiaire) functie. Zie ook: H.J. Plug, Wat wordt ten overvloede overwogen?, TCR 1995 blz. 5 e.v.

9 Zonder pretentie van volledigheid zij verwezen naar:

F.A.M. Stroink en M.F.J.M. de Werd, Advocaat en rechter?, Trema 1994 blz. 307 e.v.

T.K.A.B. Eskes en L.E. de Groot-van Leeuwen, De plaatsvervanger tussen rechtspraak en opspraak, Trema 1996 blz. 197 e.v.

P. Ingelse, De blinddoek van de advocaat-rechter-plaatsvervanger zit niet goed, NJB 1996 blz. 632 e.v. (met reactie van E.M. Polak in NJB 1996 blz. 637 e.v.)

Verslag NVvR/SSR-symposium, Trema 1996 blz. 305 e.v.

P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, diss. 1996, blz. 297

H.F. van den Haak e.a., De plaatsvervanger (Prinsengracht-reeks 1997-2)

H. Rem e.a., Rapport integriteit rechterlijke macht (1996), besproken door J.T.M. Nijenhof en W.H.J. Stemker Köster in AA 1997 blz. 417 e.v. (met reactie van D. Molin op blz. 702 e.v.); ook besproken door M.F.J.M. de Werd in Trema 1997 blz. 101 e.v.

M.I. Veldt, Schoenmaker blijf bij je leest!, Trema 1998 blz. 71 e.v.

Zie ook: J. Remmelink, Een gedragscode voor rechters?, Trema 1995 blz. 359 e.v., en de notitie van S.K. Martens en Th.B. ten Kate over nevenfuncties van rechters, Trema 1999 blz. 1 e.v.; W. Scholten, Nevenfuncties van Staatsraden, Liber amicorum H. van Zeben blz. 33-39.

10 Mutatis mutandis geldt het navolgende ook voor de raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof en de kantonrechter-plaatsvervanger.

11 Tot 1997 was dezelfde regel opgenomen in art. 8 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

12 Brief van de minister van Justitie d.d. 3 november 1997, TK 1997/98, 25 600 VI, nr. 12. Zie hierover ook de kroniek van E.M. Polak in TCR 1998 blz. 11-13.

13 Hetzelfde geldt ook voor de notaris die rechter-plaatsvervanger is. Het begrip “kantoor” kan in dit verband worden verstaan als een samenwerkingsverband in de zin van de Samenwerkingsverordening 1993 van de Ned. Orde van Advocaten, d.w.z: iedere samenwerking waarin de deelnemers voor gezamenlijke rekening en risico praktijk uitoefenen of te dien aanzien de zeggenschap dan wel de eindverantwoordelijkheid met elkaar delen.

14 HR 16 november 1999, NJB 2000 blz. 35; NJCM-Bulletin 2000 blz. 668 e.v.

15 Hof van Discipline 7 maart 1988, Adv. blad 1988 blz. 438 m.nt. FN.

16 Ook in hoger beroep is deze zaak niet door een raadsheer-plaatsvervanger behandeld, maar door drie professionele rechters.

17 Van de omvangrijke literatuur over dit onderwerp noem ik slechts: P. van Dijk, De objectieve onpartijdigheid van de rechter, NJB 1997, blz. 121 e.v.: Van Dijk/Van Hoof (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights (1998) blz. 452-457; Heringa/Schokkenbroek/Van der Velde (red.), EVRM Rechtspraak & Commentaar, rubriek 3.6.5; F.A.M. Stroink, De betekenis van de Straatsburgse jurisprudentie inzake de onafhankelijkheid en onpartijdigheid voor het Nederlandse recht, NJCM-Bulletin 1999, blz. 5 e.v.; M.I. Veldt, Het EVRM en de onpartijdige strafrechter, diss. 1997 blz. 21-65; P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, diss. 1996, blz. 241-300.

18 EHRM 1 oktober 1982, A 53 (Piersack); EHRM 26 oktober 1984, NJ 1988, 744 m.nt. EAA (De Cubber); EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627 m.nt. PvD (Hauschildt).

19 EHRM 24 mei 1989, NJ 1990, 627, rov. 48.

20 O.m. HR 16 juni 1992, NJ 1992, 819; HR 30 juni 1992, NJ 1993, 194 m.nt. Sch; HR 24 oktober 1995, NJ 1996, 484 m.nt. Kn; HR 15 april 1997, NJ 1997, 535; HR 16 november 1999, NJCM-Bull. 2000 blz. 668 e.v.

21 De term is van Ingelse, NJB 1996, blz. 633.

22 Cijfers ontleend aan de Naamlijst leden rechterlijke macht 1998, een uitgave van het ministerie van Justitie.