Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA6336

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C00/072HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA6336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 76, geldigheid: 2000-06-30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 295, geldigheid: 2000-06-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2000/108

Conclusie

Rolnr. C00/072

Conclusie mr Spier

inzake

[eiser]

tegen

[verweerders]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze zaak is op 8 februari 2000 cassatieberoep ingesteld tegen een kort geding arrest van het Hof Leeuwarden van 22 december 1999. Verweerders zijn niet verschenen.

2. Het beroep is te laat ingesteld, immers na ommekomst van de termijn van zes weken (art. 295 lid 4 Rv.).

3. Mr J. Groen heeft bij fax van 23 maart 2000 betoogd dat "niet-ontvankelijkverklaring niet op zijn plaats is" omdat [eiser]

a. ervan uitging dat het arrest op 12 januari 2000 zou worden uitgesproken zodat de cassatietermijn eerst op 23 februari 2000 zou aflopen;

b. "toen" naar het buitenland is vertrokken alwaar hij "zonder enig probleem geruime tijd" kon verblijven.

Mr Groen schrijft dat hij de zaak "ongeveer een dag" na die waarop de termijn verstreek heeft ontvangen. Omdat [eiser] hem zulks had meegedeeld was Z.E.G. ervan uitgegaan dat de termijn eerst op 9 februari verstreek.

4. Nu [eiser] had behoren te begrijpen dat op grond van de vigerende rechtsregels het beroep te laat was ingesteld, had hij een exposé als onder 3 vermeld in de dagvaarding moeten opnemen. De wederpartij had er dan op kunnen reageren. Zonder zodanige vermelding kon Ockels redelijkerwijs aannemen dat nodeloos kosten zouden worden gemaakt door een advocaat in te schakelen. Het zou bij deze stand van zaken in strijd met een goede procesorde zijn om doorslaggevende betekenis toe te kennen aan bedoeld relaas.

5. De onder 3 verwoorde stellingen kunnen [eiser] bovendien niet baten. Reeds niet omdat hij er rekening mee had moeten houden dat het arrest bij vervroeging zou worden uitgesproken. Dat geldt eens te meer voor een kort geding procedure.

6. Hier komt bij dat de onder 3 weergegeven stellingen onvoldoende nauwkeurig zijn om een ander oordeel te kunnen dragen, gesteld al dat er aanleiding zou kunnen bestaan om de termijn te verlengen. Wanneer [eiser] - die, naar mr Groen klaarblijkelijk heeft aangenomen, van de termijnenregeling op de hoogte is - met vakantie is gegaan en wanneer hij is teruggekomen komt niet uit de verf.

7. Inmiddels werd ook nog een brief van "Maître Henri" (de naam waarmee [eiser] zich tooit) ontvangen. Uw Raad kan op deze brief (die ik volledigheidshalve aan het dossier toevoeg) geen acht slaan omdat deze van een partij zelf afkomstig is. Zou daaraan nochtans aandacht worden geschonken dan zou dat niet tot een andere uitkomst leiden. Ook deze brief laat in het vage wanneer [eiser] met vakantie is gegaan en wanneer hij is teruggekeerd. [eiser] maakt gewag van een bespreking die hij op 3 februari 2000 met mr Groen zou hebben gehad over het "zogenaamde arrest" van het Hof. Sedertdien zijn verschillende dagen verstreken voordat de cassatiedagvaarding is uitgebracht.

8. Volledigheidshalve zij nog vermeld dat art. 6 EVRM, waarop de onder 7 genoemde brief doelt, niet meebrengt dat de rechter partijen de gelegenheid moet bieden om beweerdelijk door hun advocaten gemaakte fouten (zoals het instellen van beroep tegen de verkeerde uitspraken) te herstellen. De door [eiser] genoemde goede procesorde en rechtszekerheid gelden voor beide partijen (en andere betrokkenen). Of zo'n fout werkelijk is gemaakt dan wel wordt voorgewend (bijvoorbeeld om extra tijd te krijgen om middelen te formuleren) onttrekt zich aan het oordeel van de rechter en is ook voor de wederpartij moeilijk controleerbaar. Discussies over deze en dergelijke vragen staan zo haaks op een ordelijk en vlot procesverloop dat daarvoor de prijs zal moeten worden betaald dat in voorkomende gevallen deze fouten (als daarvan sprake is) niet kunnen worden gerepareerd.

9. Het verstek moet worden geweigerd.1

Conclusie

Deze conclusie strekt tot weigering van het verstek.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

HR 22 december 1995, NJ 1996, 314 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Hartkamp onder 6.