Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA6308

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01125/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA6308
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 39, geldigheid: 2000-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 391
NJ 2000, 605

Conclusie

Nr. 01125/99 Mr Machielse

Zitting 18 april 2000 Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 18 juni 1999 voor moord en poging tot moord, meermalen gepleegd, veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf en tot een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

2. Mr G. Spong, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel klaagt over de beslissing van het gerechtshof inzake de voorbedachte raad. De voorbedachte raad zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen volgen, althans is de bewezenverklaring ervan niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.1. De aan het cassatiemiddel ten grondslag liggende stelling van de verdediging in hoger beroep kwam er - kort gezegd - op neer dat verdachte eerst wel voorbedachte raad had, maar deze heeft laten varen. Toen hij het bewezenverklaarde beging was er geen voorbedachte raad meer, maar handelde verdachte in een opwelling.

3.2. Het hof heeft op dat verweer als volgt gerespondeerd:

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 1999 onder meer

verklaard dat hij - zakelijk weergegeven - op de avond van 15 mei 1996 thuis bezig was

met het schrijven van een afscheidsbrief aan zijn familie. Verdachte heeft geprobeerd

vervolgens telefonisch contact te krijgen met zijn toenmalige vrouw, hetgeen hem niet

lukte. De gedachte is bij hem opgekomen om, mocht hij die avond zelfmoord plegen,

zijn kinderen dan mee de dood in te nemen. Toen de kinderen op bed lagen, is verdach-

te naar zijn werk gereden om voornoemde afscheidsbrief te kopiëren. Na thuiskomst

heeft hij wederom zijn toenmalige vrouw gebeld, die - volgens de verklaring van

verdachte - tegen hem schreeuwde en de hoorn op de haak gooide. De verdachte heeft

gedacht: "Ik stap eruit en neem de kinderen mee". Vervolgens is verdachte naar boven

gerend en heeft uiteindelijk met een mes zijn jongste zoon om het leven gebracht en zijn

beide andere kinderen ernstig verwond.

De buren van verdachte, [getuige 1 en getuige 2], hebben ter terechtzitting van het

hof op 4 junì 1999 beiden als getuige een verklaring afgelegd, onder meer inhoudende -

zakelijk weergegeven - dat [getuige 2] op 15 mei 1996 op verzoek van verdachte

een laatste poging heeft gedaan om verdachte en zijn toenmalige vrouw te verzoenen. In

een gesprek tussen verdachte en [getuige 1 en getuige 2] heeft verdachte aangege-

ven dat hij een en ander nog dezelfde avond in orde wilde maken. Later die avond heeft

[getuige 2] aan verdachte medegedeeld dat zijn toenrnalige vrouw niet met een

verzoening instemde.

Het hof is op basis van deze verklaring van verdachte en die van de getuigen [1 en 2]

van oordeel dat van het terugkomen op aan het begin van de desbetreffende avond

gevormde voorbedachten rade, zoals door de raadsman betoogd, geen sprake is. Het hof

verstaat de verklaring van de verdachte aldus dat verdachte het voornemen had zijn

kinderen te vermoorden; tenzij zijn toenmalige vrouw zich die avond met hem wilde

verzoenen. Er is dus sprake van een voorwaardelijk voornemen dat, toen verdachte bleek

dat de door hem gestelde voorwaarde niet werd vervuld -immers zijn vrouw wenste

zich niet die dag met hem te verzoenen - onvoorwaardelijk werd en niet, zoals betoogd

door de raadsman, van een onderbroken voornemen.

Mitsdien verwerpt het hof het verweer.

3.3. Het middel voert tegen deze overwegingen aan dat zij onbegrijpelijk zijn omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het doden van de kinderen zou afhangen van het al dan niet slagen van een verzoeningspoging met verdachtes echtgenote.

Als ik het middel goed begrijp zou in de overwegingen van het hof en in de inhoud van de bewijsmiddelen onvoldoende tot uitdrukking komen dat verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Het middel beroept zich op HR NJ 1995,416, waarin de Hoge Raad over de telastegelegde voorbedachte raad overwoog:

dat toch op grond daarvan door het Hof kon worden aangenomen dat de aanslag op het leven van dit kind niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging van req., maar van een enige - zij het betrekkelijk korte - tijd tevoren door hem daartoe genomen besluit en dat req. in het tijdsverloop tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan heeft nagedacht over en zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, hetwelk het Hof reden heeft kunnen geven om, zonder miskenning van de juiste betekenis van de in art. 289 Sr. voorkomende term "met voorbedachten rade", tot de gevolgtrekking te komen dat req. "na kalm beraad en rustig overleg" heeft gehandeld gelijk is bewezenverklaard;

3.4. Het in appel gevoerde verweer stelde de vraag aan de orde wannéér de verdachte moet hebben nagedacht; voor of tijdens het nemen van het besluit, of tijdens de uitvoering, of tijdens beide.

Bij de totstandkoming van het Wetboek van strafrecht is dit punt ook door de Minister van justitie ter sprake gebracht. De minister gaf aan dat voorbedachte raad het tegenovergestelde was van een “oogenblikkelijke gemoedsopwelling”. Hij voegde daaraan toe dat ook hij met voorbedachte raad handelt die het voornemen in een hevige gemoedsbeweging opvat, maar dat vervolgens in koelen bloede uitvoert.1 Alles hangt af van de gemoedstoestand van de dader. Tegenover de voorbedachte raad staat het handelen “in impetu”, “waarbij én besluit genomen wordt én uitvoering geschiedt gedurende ééne onafgebroken gemoedsbeweging die het kalm nadenken uitsluit”. Niet beslissend is of er enige tijd tussen besluit en uitvoering verloopt, maar of er enig nadenken is geweest.2 Heemskerk omschrijft de voorbedachte raad als “kalm overleg, aan de daad voorafgaande”. Hij acht het niet nodig dat óók tijdens de uitvoering de ogenblikkelijke gemoedsbeweging ontbreekt.3 Heemskerk vervolgt:

Zoo zou ik moord aanwezig achten, wanneer het besluit in kalm overleg is genomen, doch naarmate de uitvoering naderde een steeds klimmende opwinding zich van den dader meester maakte, wanneer slechts dat eenmaal genomen besluit werd uitgevoerd, niet wanneer in de opgewondenheid de dader het besluit liet varen en in dienzelfden toestand toch opnieuw tot de daad besloot ; het verband is dan verbroken. Eveneens, wanneer het besluit in opgewondenheid was genomen, daarna kalmte was ingetreden en in deze periode het besluit na eenig overleg gehandhaafd, niet, wanneer in den toestand van kalmte in het geheel geen overleg plaats had, doch klakkeloos het in opwinding genomen besluit werd uitgevoerd, hetgeen feitelijk niet licht denkbaar is. Deze onderscheidingen zijn echter niet geheel vrij van spitsvondigheid en in de praktijk zal men, waar een uitvoerige bekentenis ontbreekt, wel in den regel de aanwijzingen voor het bestaan van voorbedachten raad moeten zoeken in de meerdere of mindere tijdsruimte tusschen besluit en uitvoering en in de gebleken kalmte vóór de daad.

Demeersseman noemt ook het nadenken als kenmerk van de voorbedachte raad.4 Dat nadenken hoeft zich niet uit te strekken tot bijvoorbeeld plaats, tijd en modus van het handelen, voldoende is dat in abstracto over de daad is nagedacht.5 Hij meent dat het nadenken zich kan situeren vóór het besluit, waardoor het besluit als het ware de vrucht is van het denken, maar ook ná het besluit en vóór het handelen.6 Aldus zou er volgens mij ook voorbedachte raad kunnen zijn als tevoren is nagedacht of een bepaald besluit genomen zal worden, als vervolgens het besluit inderdaad wordt genomen en meteen in daden wordt omgezet.7 Ik meen dat zulks niet wordt uitgesloten door de hiervoor aangehaalde overweging uit HR NJ 1976,416, omdat de Hoge Raad daarmee wel niet bedoeld zal hebben een limiterende omschrijving van de voorbedachte raad te geven, maar heeft willen aansluiten bij de kenmerken van het aan zijn oordeel onderworpen drama. Zelfs is mijns inziens denkbaar dat men na nadenken tot een besluit komt, niet in staat is dat besluit meteen uit te voeren, maar de gelegenheid afwacht, en dan in een hevige gemoedsbeweging, als de gelegenheid zich wél voordoet, toeslaat. De dader geeft dan niet toe aan een impuls, maar geeft uitvoering aan een besluit. En dat besluit is na nadenken genomen. Demeersseman beschrijft nog de mogelijkheid dat de relatie tussen besluit en daad verdwijnt wanneer na het besluit de gedachte aan het plegen van de daad geheel verdwijnt. Dat oude besluit speelt dan geen rol meer. Wel berust de uitvoering nog op het besluit als de dader zijn handelen afhankelijk heeft gesteld van een bepaalde voorwaarde.8

3.5. Meningen over de omvang van de voorbedachte raad kunnen niet worden losgemaakt van de functie en bestaansgrond ervan. De grond voor de strafverzwaring in geval van voorbedachte raad is volgens Remmelink gelegen in het subjectieve vlak.9 Vos noemt als reden voor strafverhoging dat de schuld van de dader ernstiger is, omdat de contramotieven gelegenheid hebben gehad invloed uit te oefenen.10 Pradel denkt er hetzelfde over. De gedachte achter de strafver-zwaring in geval van “préméditation” is volgens hem dat de wetgever degene, die tevoren zijn handelen heeft overdacht, “socialement plus dangereux et moralement plus coupable” acht.11

3.6. Mijn voorlopige conclusie is dat er van een grond voor strafverzwaring als voorbedachte raad aanleiding is als de dader heeft nagedacht over zijn voorgenomen handelen en als hij zich daardoor niet heeft laten weerhouden om toch het feit te plegen. Of dat moment van bezinning heeft bestaan vóór het nemen van het besluit of daarna en vóór de uitvoering ervan lijkt mij niet belangrijk gelet op de reden voor de strafverzwaring. Omdat het voor de rechter niet gemakkelijk is om vast te stellen of de verdachte zich heeft bezonnen en of verdachte de reikwijdte en betekenis van zijn voorgenomen handelen tot zich heeft laten doordringen, als de verdachte hem daar niet zelf over inlicht, is het begrijpelijk dat het accent bij de vaststelling van de voorbedachte raad verschuift van het moment van nadenken in de richting van de tijdsspanne tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan. Ook Heemskerk ontwaarde die tendens (zie onder 3.4.). Als er tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan enige tijd is gelegen, gedurende welke tijdsspanne de verdachte er blijk van heeft gegeven zich te hebben kúnnen bezinnen, zal mijns inziens voorbedachte raad bewezen kunnen worden, ook als de verdachte niet heeft verklaard zich over het voornemen tot het misdrijf te hebben bezonnen maar over iets anders. De verdachte die het besluit heeft genomen, daarna ruimte voor bezinning heeft, en zijn eerder genomen besluit niet wil heroverdenken sluit zich evenzeer af voor contramotieven als degene die zich wel bezint en de contramotieven afwijst. Het enkele feit dat verdachte zich voor een bezinning over zijn criminele voornemen afsluit is geen reden voorbedachte raad uit te sluiten.

3.7. Het cassatiemiddel legt - zoals gezegd - de vraag voor of voldoende blijkt dat verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad. Mijns inziens hoeft zulks niet eens rechtstreeks uit de bewijsmiddelen te zijn af te leiden om voorbedachte raad bewezen te kunnen achten. Voor het bewijs van voorbedachte raad is al voldoende als er een gelegenheid tot bezinning is geweest die niet is verstoord door een hevige gemoedsbeweging die eerder eventueel de impuls voor de beslissing was. Als bijvoorbeeld een verdachte in een impuls het besluit neemt een ander om het leven te brengen en daarna in rust en kalmte formulieren voor de huursubsidie invult, zijn auto wast en boodschappen doet alvorens zijn eerdere besluit uit te voeren, zal wellicht niet kunnen worden vastgesteld dat hij inderdaad en effectief zijn eerdere besluit heeft heroverdacht, maar zal wel vast staan dat de gelegenheid tot bezinning over zijn besluit heeft bestaan. Dat verdachte zich niet heeft bezonnen over zijn eerder genomen besluit maar wel over andere zaken, toont aan dat hij er niet over heeft wíllen nadenken. En die houding is zeker zo laakbaar als de houding van degene die wel heeft nagedacht en toch gehandeld.

3.8. Natuurlijk geldt hier wel dat de band tussen het besluit en de uitvoering daarvan niet is doorgesneden. Dat zal het geval zijn als het eerste besluit is weggeëbd, als van het handelen is afgezien en een compleet nieuw besluit nodig is dat niet is te beschouwen als enkel een aanpassing van het oude besluit. Een besluit dat sluimert kan daarentegen nog wel degelijk worden uitgevoerd. De vraag die in deze zaak dus nog rijst is of verdachte heeft afgezien van zijn eerder genomen besluit zijn kinderen van het leven te beroven.

3.9. Die vraag beantwoord ik ontkennend gelet op het volgende.

Uit de door verdachte afgelegde en voor het bewijs gebezigde verklaring blijkt dat hij een afscheidsbrief is gaan schrijven omdat hij aan zelfmoord dacht. Hij dacht eraan de kinderen in die zelfmoord mee te nemen. Vervolgens is, zo blijkt uit haar verklaring, de buurvrouw, die op verzoek van verdachte nog contact met verdachtes echtgenote heeft gehad in een - volgens verdachte - laatste poging tot verzoening, de uitkomst van haar gesprek met verdachtes echtgenote aan verdachte komen mededelen. Verdachte is daarna naar Schiphol gereden om de afscheidsbrief te kopiëren. Thuisgekomen heeft hij zijn echtgenote weer opgebeld, maar zij schreeuwde en gooide de hoorn op de haak. Verdachte dacht toen “ik stap eruit en neem de kinderen mee”. Daarna is verdachte met een mes naar boven gegaan en heeft hij een van zijn kinderen doodgestoken en de twee andere kinderen zwaar verwond.

3.10. Het hof heeft onder deze omstandigheden gesproken van een “voorwaardelijk voornemen” omdat het hof ervan is uitgegaan dat, als de laatste poging tot verzoening zou slagen, verdachtes motief voor zelfdoding zou zijn vervallen. Als gevolg van zo een verzoening zou verdachtes vrouw immers geen voodoo meer “op verdachte zetten”, waardoor hij, naar eigen zeggen, geen zelfmoordneiging meer zou voelen. Deze uitleg van verdachtes verklaring acht ik niet onbegrijpelijk. ’s Hofs overweging komt er aldus op neer dat verdachtes besluit is blijven bestaan, dat verdachte gelegenheid heeft gehad zich te bezinnen, dat ook heeft gedaan en - wellicht daardoor - een laatste poging heeft gedaan zich met zijn echtgenote te verzoenen, en toen dat niet lukte zijn eerdere besluit heeft uitgevoerd. Voor voorbedachte raad is niet nodig naar mijn mening dat expliciet blijkt dat verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad, als maar de gelegenheid heeft bestaan na te denken. En dat die heeft bestaan blijkt wel uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen.

Daarom faalt het eerste middel.

4. Het tweede middel bekritiseert de beslissing van het hof op het verweer dat verdachte ontoerekeningsvatbaar was, althans zou hebben gehandeld in overmacht.

4.1. Het hof heeft de gevoerde verweren als volgt verworpen:

De vraag of in de onderhavige strafzaak sprake zou zijn van 'voodoo' en in hoeverre

deze invloed heeft gehad op verdachtes handelen, kan het hof onbeantwoord laten, gelet

op het feit dat de feiten waarvan in de tenlastelegging sprake is slachtoffers betreft tegen

wie de voodoo - zo daar al sprake van zou kunnen zijn - in ieder geval niet was gericht.

Reeds op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de

verdachte zich niet kan beroepen op een der naar voren gebrachte strafuitsluitingsgron-

den. Immers, zo er al 'voodoo' op verdachte zou zijn gezet, kan dat geen grond ople-

veren voor straffeloosheid voor diens handelen ten aanzien van zijn kinderen.

Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn gelet op de inhoud van de verklaring die de deskundige De Jong ter terechtzitting van het hof van 9 april 1999 zou hebben afgelegd.

4.2. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. In de eerste plaats is het aan de rechter die over de feiten oordeelt om de verklaringen van getuigen en deskundigen te waarderen en te selecteren. Die keuze van de rechter behoeft gewoonlijk geen motivering. Voor een uitzondering op deze regel zie ik hier geen reden. De deskundige heeft in de tweede plaats zeker niet stellig verklaard dát het “zetten van voodoo” op verdachte ook zijn kinderen zou betreffen. De deskundige heeft niet uitgesloten dat de kinderen worden meegesleept in het proces dat met voodoo in gang is gezet, maar heeft niet verklaard dat zulks ook hier het geval ís geweest. Omdat het hof heeft aangenomen dat de voodoopraktijken van verdachtes echtgenote niet van invloed zijn geweest op verdachtes handelen jegens dérden heeft het hof de vraag of verdachtes handelen door die praktijken is beïnvloed onbeantwoord kunnen laten.

Het tweede middel faalt.

5. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

Bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Tweede Deel, 1881, p.437.

2 Smidt, Regeeringsantwoord, p.431.

3 C.J. Heemskerk, Doodslag en moord, 1908, p.131.

4 H.A. Demeersseman, Met voorbedachten rade, 1989, p.46

5 Demeersseman, p.26.

6 Demeersseman, p.42 e.v.

7 Aldus ook H.B. Vos, Leerboek van Nederlandsch Strafrecht, 1947, p.137.

8 Demeersseman, p.58 e.v.

9 HSR, 15e druk, p.224.

10 Vos, Leerboek van Nederlandsch Strafrecht, p.136.

11 J. Pradel, Droit Pénal Général, 1996, nr.464. Overigens lijkt het Franse recht strengere

eisen te stellen aan de “préméditation” dan in Nederland gelden voor de voorbedachte

raad. Pradel heeft kritiek op de omschrijving van de “préméditation” in art.132-72 CP; “le

dessein formé avant I'action de commettre un crime ou un délit déterminé”. Volgens Pradel

drukt deze omschrijving onvoldoende uit dat er ook moet zijn “une persistance de

I'intention, une réflexion constante entre la résolution criminelle et I'exécution de I'acte”. Hij

vindt een zekere steun bij Garraud die ook twee elementen in de “préméditation”

onderscheidt; het besluit vooraf en het moment van bezinning. Als men in een opwelling

besluit en vervolgens nog in dezelfde opwelling dat besluit uitvoert is er geen

“préméditation”; R. Garraud, Traité théorique et pratique du droit pénal Français, 1898, II,

p.491 e.v.