Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA6297

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/125HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA6297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 361
NJ 2000, 517
RvdW 2000, 160
JWB 2000/105

Conclusie

Rek.nr. R99/125HR Mr Strikwerda

Parket, 7 april 2000 conclusie inzake

[verzoeker]

tegen

[curator] in haar

hoedanigheid van curator over

[de curanda]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij beschikking van de Kantonrechter te Utrecht van 8 september 1989 is een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [de curanda], geboren op [geboortedatum] 1918, hierna: [..]. Verzoeker van cassatie, hierna: [verzoeker], werd benoemd tot bewindvoerder. Bij beschikking van de Rechtbank te Utrecht van 2 september 1992 is [de curanda] onder curatele gesteld met benoeming van [verzoeker] tot curator. Op vordering van de Officier van Justitie te Utrecht heeft genoemde Rechtbank [verzoeker] bij beschikking van 7 december 1994 ontslagen als curator. Bij dezelfde beschikking is verweerster in cassatie, een zuster van [de curanda], benoemd tot opvolgend curator.

2. Bij brieven van 26 mei 1994 en 20 juli 1998 heeft de Kantonrechter te Utrecht [verzoeker] aansprakelijk gesteld voor schade berokkend aan het vermogen van [de curanda], en wel tot een bedrag van f 108.221,-.

3. Op 2 september 1998 heeft genoemde Kantonrechter een "Beschikking ingevolge art. 1:362 jo. 386 BW" gegeven waarin hij de schade als gevolg van de bewindvoering en het curatelebewind van [verzoeker] vaststelde op f 108.221,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 1994, en [verzoeker] veroordeeld tot vergoeding van die schade en tot betaling van voornoemd bedrag aan [de curanda]. Daartoe overwoog de Kantonrechter - kort gezegd - dat [verzoeker] stelselmatig heeft verzuimd rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over het vermogen van [de curanda]; dat [verzoeker] aanzienlijke uitgaven heeft gedaan zonder de daarvoor vereiste toestemming van de Kantonrechter verkregen te hebben; dat voor deze uitgaven ook geen toestemming zou zijn gegeven, nu zij ongegrond, niet noodzakelijk en uitsluitend ten nadele van [de curanda] waren; en dat [verzoeker], ondanks herhaalde verzoeken daartoe, heeft nagelaten eindrekening en verantwoording af te leggen van zijn curatelebewind.

4. [Verzoeker] is van de beschikking van de Kantonrechter in hoger beroep gekomen bij de Rechtbank te Utrecht. Bij beschikking van 28 april 1999 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter vernietigd en, opnieuw recht doende, de schade aan het vermogen van [de curanda] als gevolg van de bewindvoering en het curatelebewind door [verzoeker] vastgesteld op een bedrag van f 32.280,28, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag sedert 26 mei 1994, en [verzoeker] veroordeeld tot vergoeding van deze schade en tot betaling van dat bedrag aan [de curanda].

5. [Verzoeker] is tegen de beschikking van de Rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met vijf middelen. Namens [de curanda] is geen verweerschrift in cassatie ingediend.

6. Middel 1 (cassatierekest onder 2.1) is gericht tegen r.o. 4.1 van de bestreden beschikking en klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Kantonrechter bevoegd was tot het geven van de beschikking waarvan beroep. Volgens het middel zou het in de onderhavige zaak gaan om de in art. 1:374 BW bedoelde verplichting rekening en verantwoording af te leggen bij het einde van de curatele en is te dien aanzien ingevolge de schakelbepaling van art. 1:385 lid 1, aanhef en onder b, BW niet de kantonrechter, maar de rechtbank bevoegd.

7. Via de schakelbepalingen van art. 1:385 en 1:386 BW hebben zowel de kantonrechter als de rechtbank bevoegdheden in curatelezaken. Zie K. Blankman, Curatele voor personen met een geestelijke stoornis en bescherming op maar, 1994, blz. 100-102. Als uitgangspunt behoren het uitspreken en opheffen van de curatele, alsmede de benoeming en het ontslag van de curator tot de bevoegdheid van de rechtbank, terwijl het toezicht op het curatelebewind van de curator bij de kantonrechter berust. Alle bepalingen inzake het bewind van de voogd, die via de schakelbepaling van art. 1:386 BW van overeenkomstige toepassing zijn in curatelezaken, waaronder art. 1:362 BW, krachtens welk artikel de rechter ambtshalve de schade kan vaststellen die blijkens de rekening de minderjarige door slecht bewind van de voogd geleden heeft en deze laatste tot vergoeding daarvan veroordelen, vallen onder de bevoegdheid van de kantonrechter. Vgl. HR 29 januari 1988, NJ 1988, 944.

8. In het onderhavige geval heeft de Kantonrechter uit hoofde van zijn toezichthoudende taak toepassing gegeven aan art. 1:362 BW. Daartoe was hij ingevolge art. 1:386 BW bevoegd. Dat [verzoeker] - op initiatief van de Kantonrechter - door de Rechtbank als curator is ontslagen, betekent niet dat de Kantonrechter daarmee zijn op grond van de artt. 1:359-1:362 BW bestaande bevoegdheden inzake het toezicht op het curatelebewind verloor. Het middel faalt derhalve.

9. Middel 2 (cassatierekest onder 2.2) valt uiteen in drie onderdelen.

10. Onderdeel a klaagt dat de beschikking van de Kantonrechter vier jaar na diens laatste brief is gegeven en dat [verzoeker] daardoor, in strijd met art. 6 EVRM en de regels van een behoorlijke procesorde, niet (voldoende) gelegenheid heeft gehad te reageren op de voorgenomen beslissing.

11. Het onderdeel moet reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag falen. Vaststaat dat de Kantonrechter op 20 juli 1998 - derhalve bijna anderhalve maand voor zijn beschikking van 2 september 1998 - een brief heeft gestuurd aan [verzoeker], waarin hij aangaf dat hij [verzoeker] aansprakelijk stelde voor de schade aan het vermogen van [de curanda] en [verzoeker] in de gelegenheid stelde te reageren op de voorgenomen schadevaststelling en veroordeling. Hoewel hij daarop niet heeft gereageerd, heeft [verzoeker] de ontvangst van deze brief niet betwist. [Verzoeker] is dus in de gelegenheid gesteld op de voorgenomen beschikking van de Kantonrechter te reageren.

12. Onderdeel b keert zich tegen r.o. 4.2 van de bestreden beschikking en klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de verjaringstermijn werd gestuit door de brief van de Kantonrechter aan [verzoeker] d.d. 26 mei 1994. Volgens het onderdeel is de verwerping door de Rechtbank van de stelling van [verzoeker], dat hij deze brief nooit heeft ontvangen, in strijd met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent de vraag wanneer kan worden aangenomen dat een (aangetekend) verzonden brief daadwerkelijk door de geadresseerde is ontvangen.

13. Met betrekking tot de stelling van [verzoeker] dat hij de brief van 26 mei 1994 nooit heeft ontvangen, heeft de Rechtbank overwogen:

"Het verweer van [verzoeker] dat hij deze brief (de brief van 26 mei 1994, A-G) nooit heeft ontvangen acht de rechtbank onaannemelijk, nu deze brief naar hetzelfde adres is verstuurd als de eerder aan [verzoeker] verstuurde (en door hem ontvangen) brieven."

De klacht tegen deze overweging is gegrond. Uitgangspunt is de in art. 3:37 lid 3 BW neergelegde regel dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt, maar dat ook een verklaring welke die persoon niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking heeft indien dit niet bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt. Zie nader, met name in verband met aangetekende brieven, HR 8 september 1995, NJ 1996, 567 nt. HJS en HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 897. De enkele constatering dat de bewuste brief van 26 mei 1994 geadresseerd was aan het adres waarop [verzoeker] in het verleden wel brieven zou hebben ontvangen, is op zichzelf dus onvoldoende om te mogen aannemen dat zij door [verzoeker] is ontvangen.

14. Niettemin meen ik dat de klacht, hoewel gegrond, [verzoeker] niet kan baten. De Rechtbank laat immers op haar geciteerde overweging volgen:

"Voorts moet het [verzoeker] op grond van de brief van de kantonrechter van 30 maart 1994 voldoende duidelijk zijn geweest dat de kantonrechter zich niet verenigde met de door [verzoeker] afgelegde rekening en verantwoording."

Ik maak hieruit op dat de Rechtbank van oordeel is dat ook de brief van 30 maart 1994 een stuitingshandeling was in de zin van art. 3:317 lid 1 BW (schriftelijke mededeling). Dit betekent dat de verwerping door de Rechtbank van het door [verzoeker] gedane beroep op verjaring berust op twee zelfstandig dragende gronden. Dat [verzoeker] op de brief van 30 maart 1994 heeft gereageerd, zoals in het onderdeel wordt aangegeven, kan de deugdelijkheid van de tweede grond niet aantasten: een reactie op de brief van 30 maart 1994 brengt immers op zichzelf niet mee dat die brief haar werking als stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW verliest. Het onderdeel faalt derhalve wegens gebrek aan belang. Ook indien het oordeel van de Rechtbank inzake de betwisting door [verzoeker] van de ontvangst van de brief van 26 mei 1994 cassatietoetsing niet kan doorstaan, kan de verwerping door de Rechtbank van het beroep op verjaring stand houden op de tweede - in cassatie niet, althans niet doeltreffend, bestreden - grond.

15. Onderdeel c komt op tegen het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de ingangsdatum van de wettelijke rente. Die ingangsdatum heeft de Rechtbank op grond van voormelde brief van de Kantonrechter gesteld op 26 mei 1994.

16. Waar, zoals aangetekend bij onderdeel b, de Rechtbank ten onrechte aannemelijk heeft geoordeeld dat [verzoeker] de brief van 24 mei 1994 heeft ontvangen, is de klacht gegrond. Nu namens [de curanda] geen bewijsaanbod is gedaan dat de brief van 26 mei 1994 [verzoeker] heeft bereikt en vaststaat dat aanmaning wel heeft plaatsgevonden bij de brief van 20 juli 1998, kan de wettelijke rente over het toegewezen bedrag slechts worden toegewezen met ingang van laatstgenoemde datum. Na vernietiging van de bestreden beschikking op dit punt, kan de Hoge Raad zelf aldus beschikken.

17. Middel 3 klaagt dat de Rechtbank niet heeft gereageerd op de grief van [verzoeker] dat de beschikking van de Kantonrechter niet in het openbaar is uitgesproken.

18. Uit de bestreden beschikking van de Rechtbank blijkt niet dat de Rechtbank, hoewel daartoe gehouden, op de bedoelde grief van [verzoeker] (zie beroepschrift onder 6) heeft gereageerd. De klacht is dus gegrond. Niettemin kan zij [verzoeker] niet baten. Nu de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter heeft vernietigd en zij háár beschikking wel in het openbaar heeft uitgesproken, faalt het middel wegens gebrek aan belang. Zie HR 22 november 1996, NJ 1997, 205 nt. PAS.

19. Middel 4 (cassatierekest onder 2.4) klaagt dat de Rechtbank ten onrechte het bewijsaanbod van [verzoeker] heeft gepasseerd.

20. In zijn beroepschrift heeft [verzoeker] op twee plaatsen bewijs aangeboden.

21. In de eerste plaats heeft [verzoeker] op blz. 5 onder 11 bewijs aangeboden van zijn stelling dat hij tijdens de onderbewindstelling toestemming heeft verkregen van de curanda tot het doen van bepaalde uitgaven. Mede op grond van de eigen stellingen van [verzoeker] heeft de Rechtbank overwogen dat naar haar oordeel voldoende is gebleken dat [de curanda] in 1992 niet meer in staat was om zelf te bepalen of financiële uitgaven, en zo ja tot welke hoogte, nog verantwoord waren (r.o. 4.2, blz. 5, laatste alinea) en dat het voor de hand ligt dat [verzoeker] voor deze uitgaven in 1992 (vervangende) toestemming van de Kantonrechter had verzocht (r.o. 4.2, blz. 6, derde alinea). Hierin ligt besloten dat het bewijsaanbod door de Rechtbank als niet ter zake dienend is beschouwd. Op deze grond mocht de Rechtbank het bewijsaanbod passeren.

22. In de tweede plaats heeft [verzoeker] op blz. 8 onder 19 van zijn beroepschrift een algemeen en ongespecificeerd bewijsaanbod gedaan van al zijn stellingen. Gezien de voorgeschiedenis en de stand van de procedure, mocht de Rechtbank dit door haar kennelijk als te vaag aangemerkte bewijsaanbod passeren. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

23. Middel 5 (cassatierekest onder 2.5) neemt stelling tegen de beslissing van de Rechtbank inzake de advocaatkosten ten bedrage van f 12.487,50 in verband met de procedure tegen AMEV betreffende een diefstal uit het huis van [de curanda] (bestreden beschikking, blz. 8). De Rechtbank heeft mede op grond van de redelijkheid de helft van dat bedrag, te weten f 6.247,75, aangemerkt als persoonlijke kosten van [verzoeker] en dit bedrag aangemerkt als schade aan de goederen van [de curanda] toegebracht. Daartoe overwoog de Rechtbank:

"Naar aanleiding van de diefstal uit het huis van [de curanda] zijn door Eldermans en Bartels (de advocaten, A-G) op 4 mei 1994 een tweetal dagvaardingen uitgebracht (...) één ten name van [verzoeker] en één ten name van [de curanda].

Mede naar aanleiding van de opgave van de gestolen goederen concludeert de rechtbank dat door [verzoeker] middels deze dagvaardingen is getracht ook hem persoonlijk toebehorende en uit het huis van [de curanda] gestolen goederen vergoed te krijgen en dat de door hem opgevoerde advocaatkosten dan ook voor een deel betrekking hebben op zijn persoonlijk belang."

24. Volgens het middel heeft de Rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, aangezien [verzoeker] niet de gelegenheid is gegeven op haar bevindingen te reageren. [Verzoeker] zou namelijk over een bankafschrift beschikken waaruit blijkt dat hij zijn eigen kosten zelf heeft betaald. Bovendien zou de Rechtbank haar oordeel onvoldoende hebben gemotiveerd.

25. Het middel faalt. De Rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de aanwezige gedingstukken. Daarbij bevond zich kennelijk niet het bewuste bankafschrift. [Verzoeker] is in hoger beroep in de gelegenheid geweest zijn bezwaren tegen de schadevaststelling door de Kantonrechter, waarin ook de bewuste advocatenpost was opgenomen, naar voren te brengen en die bezwaren desgewenst met bescheiden te staven. Nu hij deze gelegenheid niet heeft benut, valt de Rechtbank niet te verwijten dat zij [verzoeker], die blijkens de gedingstukken ook geen melding had gemaakt van het bestaan van het bedoelde bankafschrift, niet de gelegenheid heeft geboden op haar voorgenomen beslissing ten aanzien van de bedoelde advocatenkosten te reageren. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is derhalve geen sprake. Voor het overige is de door de Rechtbank aan haar oordeel meegegeven motivering niet onbegrijpelijk of anderszins ontoereikend.

De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad

- de bestreden beschikking zal vernietigen, voor zover daarin is bepaald dat de wettelijke rente verschuldigd is sedert 26 mei 1994, en zal verstaan dat de wettelijke rente is verschuldigd sedert 20 juli 1998;

- het beroep voor het overige zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,