Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA6296

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R00/045HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA6296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 365
JWB 2000/104

Conclusie

R 00/045 HR Mr. Langemeijer

Parket, 21 april 2000 Conclusie inzake:

[betrokkene]

Edelhoogachtbaar College,

In deze Bopz-zaak gaat het om de motivering van een machtiging tot voortgezet verblijf en om de ondertekening van de geneeskundige verklaring.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Op 3 januari 2000 heeft de officier van justitie in het arrondissement ’s-Gravenhage bij de rechtbank aldaar een vordering ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van [betrokkene] (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 15 Wet Bopz). Daarbij heeft de officier van justitie onder meer een op 29 december 1999 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring van het waarnemend hoofd medische dienst Kerssen, het zorgplan en een bericht van de arts De Jong over de stand van uitvoering daarvan overgelegd.

1.2. De rechtbank heeft op 20 januari 2000 betrokkene, bijgestaan door haar advocaat, de behandelend arts De Jong, alsmede [S. vd P.] als vertegenwoordigster van de familie van betrokkene, gehoord.

1.3. De rechtbank heeft de machtiging tot voortgezet verblijf bij beschikking van 31 januari 2000 verleend voor de duur van een jaar.

1.4. Betrokkene heeft tegen deze beschikking tijdig cassatieberoep ingesteld.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1 van het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het waarnemend hoofd medische dienst wordt beschouwd als geneesheer-directeur in de zin van de Wet Bopz.

2.2. Artikel 1, derde lid, Wet Bopz bepaalt dat in deze wet onder geneesheer-directeur ook moet worden verstaan: de arts die, hoewel geen directeursfunctie bekledende, belast is met de algemene gang van zaken op geneeskundig gebied in het psychiatrisch ziekenhuis (in dit geval een verpleeginrichting, zie artikel 1, eerste lid onder h, Wet Bopz). Het hoofd medische dienst kan als zodanig worden aangemerkt. Voorts geldt binnen de verpleeginrichting kennelijk een regeling die voorziet in vervanging van het hoofd medische dienst door het waarnemend hoofd medische dienst. Deze laatste dient dan als geneesheer-directeur in de zin van de Wet Bopz te worden aangemerkt1. Aangezien in feitelijke aanleg niet is aangevoerd dat het waarnemend hoofd medische dienst hier niet als geneesheer-directeur in de zin van de Wet Bopz kan worden aangemerkt, behoefde de rechtbank haar op de wet gebaseerde oordeel niet nader te motiveren2. Onderdeel 1 van het cassatiemiddel faalt.

2.3. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel klaagt erover dat de rechtbank haar oordeel, dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens die gedwongen opneming rechtvaardigt, onvoldoende heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen betrokkene heeft doen aanvoeren. De rechtbank heeft in dit verband volstaan met een standaardmotivering. De jurisprudentie laat dit toe indien de uit de stukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking zelf met een summiere motivering wordt volstaan3.

2.4. Betrokkene heeft aangevoerd dat zij niet lijdt aan dementie (proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 januari 2000, blz. 1). Dit standpunt wordt ondersteund door de conclusie van een onderzoek dat betrokkene heeft ondergaan in Ziekenhuis Leyenburg op 22 april 1999 in verband met haar mogelijke overplaatsing naar een beschermde woonvorm:

“In het contact met patiënte in april 1999 staat duidelijk ook het psychiatrisch toestandsbeeld op de voorgrond; hoewel haar stemming op dat moment normofoor is zijn er toch duidelijk nog psychotische fenomenen aanwezig. Behalve lichte geheugen- en inprentingsstoornissen worden er verder geen verschijnselen gezien die de diagnose dementie zouden rechtvaardigen. Veel waarschijnlijker is er sprake van een manisch depressief ziektebeeld met psychotische fenomenen dat in gedeeltelijke remissie is. (¼)

Patiënte verblijft momenteel op een psycho-geriatrische afdeling van een verpleeghuis. Gezien het feit dat duidelijk sprake is van een psychiatrisch beeld en dat op dit moment de diagnose dementie zeker niet kan worden gesteld, is dit niet de meest aangewezen verblijfplaats voor patiënte. (¼)

Conclusie: Het betreft een thans 87-jarige vrouw die sinds 1974 bekend is met depressieve en hypomane/manische episoden met psychotische kenmerken. Het geconstateerde cognitieve verval past niet in het kader van een dementieel beeld.”

Alhoewel in de brief wordt geconcludeerd dat geen sprake is van dementie (wel van cognitief verval), wordt wel gesproken van een psychiatrisch beeld.

2.5. De behandelend arts heeft ter terechtzitting verklaard dat het psychiatrisch beeld meer op de voorgrond staat dan de dementie en tevens dat het psychiatrisch beeld ernstiger is geworden (proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 januari 2000, blz. 1). De overgelegde geneeskundige verklaring vermeldt als diagnose zowel dementie als waanstoornissen. De aanwezigheid van deze laatste is door betrokkene niet betwist.

2.6. Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat de artsen het er - op basis van nagenoeg dezelfde symptomen - in ieder geval over eens zijn dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis. Ook in de brief van ziekenhuis Leyenburg wordt gesproken over “een manisch depressief ziektebeeld met psychotische fenomenen”. De rechtbank kon dan ook zonder nadere motivering oordelen dat er bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens in de zin van de Wet Bopz. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel faalt.

2.7. Onderdeel 3 van het cassatiemiddel klaagt erover dat de rechtbank haar oordeel dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar in de zin van de Wet Bopz doet veroorzaken, onvoldoende heeft gemotiveerd. Ten aanzien van de door de rechtbank gehanteerde standaardmotivering geldt hetzelfde als hierboven in alinea 2.3 reeds is opgemerkt4. In de geneeskundige verklaring wordt als gevolg van de stoornis van de geestvermogens van betrokkene het gevaar voor zelfverwaarlozing en maatschappelijke ondergang genoemd (blz. 3, punt 4b). Betrokkene heeft in feitelijke aanleg niet betwist dat er sprake zou zijn van een dergelijk gevaar. Zij heeft slechts aangevoerd dat zij niet lijdt aan dementie, zodat daarin niet de oorzaak van het gevaar kan zijn gelegen. Dan blijft echter nog het psychiatrisch ziektebeeld (wanen en gedragsstoornissen) als oorzaak van het gevaar over.

2.8. Betrokkene heeft voorts ter terechtzitting nog aangevoerd dat zij niet in een verpleeginrichting thuishoort, zodat daardoor spanningen ontstaan. Hiermee wil zij kennelijk betogen dat het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Als alternatief voor de verpleeginrichting noemde betrokkene de thuiszorg. Uit het vervolg van haar verklaring ter terechtzitting blijkt echter dat zij niet positief staat tegenover het binnenlaten van de thuiszorg. Bovendien is in de geneeskundige verklaring (blz. 3 en 4) vermeld dat thuiszorg met zeer uitgebreide zorg getracht maar mislukt is, omdat betrokkene zich door oordeels- en kritiekstoornissen en ontbrekend ziekte-inzicht bij herhaling bedreigend heeft opgesteld jegens medewerkers van de thuiszorg. Eerder is het niet mogelijk gebleken haar in een beschermde woonvorm onder te brengen. Betrokkene heeft overplaatsing naar de afdeling Wonen met Verpleeghuiszorg (een afdeling voor licht dementerenden met een eigen gehuurde woonruimte) afgewezen. Het is derhalve niet onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken in de zin van de Wet Bopz en dat dit gevaar niet op een andere wijze kan worden afgewend. De rechtbank kon in de gegeven omstandigheden volstaan met een standaardmotivering. Onderdeel 3 van het cassatiemiddel faalt eveneens.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

HR 31 mei 1996, NJ 1997, 36 m.nt. JdB; HR 21 januari 2000, NJ 2000, 191.

2 Vgl. P.J.H. Laurs (red.), Handboek opneming en verblijf, aant. 2.6. en 2.8. bij artikel

1 Wet Bopz (Dijkers).

3 HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221, m. nt. JdB; zie ten aanzien van de motivering van

het bestaan van een stoornis van de geestvermogens: Laurs (red.), Handboek

opneming, aant. 2.3. bij artikel 2 Wet Bopz (Dijkers).

4 Zie ten aanzien van de motivering van de aanwezigheid van gevaar nog met name: Laurs (red.), Handboek opneming, aant. 3.1.2. en 3.3. bij artikel 2 Wet Bopz