Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA6156

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/293HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA6156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 333
JWB 2000/82

Conclusie

Rolnummer C98/293 mr De Vries Lentsch - Kostense

Zitting 24 maart 2000 Conclusie inzake

[huurder]

tegen

Stichting Woningstichting

St. Servatius

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1. In deze zaak gaat het in cassatie nog slechts om de reconventionele vordering die door thans eiser tot cassatie, de huurder [...], ter zake van "overlast" is ingesteld tegen thans verweerster in cassatie, de verhuurster St. Serva-tius, die het onderhavige geding entameerde met een vordering wegens achterstallige huur. Daarbij gaat het thans nog met name om de vraag of het door [de huurder] gedane bewijsaanbod op goede gronden door de Rechtbank is gepasseerd.

In eerste aanleg hield de litigieuze reconventionele vordering nog in dat St. Servatius op verbeurte van een dwang-som van f 100.000,- zal worden veroordeeld binnen twee maanden een oplossing te bieden voor de gestelde overlastsituatie. [De huurder], die van St. Servatius de zelfstandige woonruimte aan de [adres] 33 te [woonplaats] huurt voor f 293,10 per maand, betoogde in dat verband dat hij ernstige overlast ondervindt van zijn buren op nr. 35, eveneens huurders van St. Servatius en voorts dat St. Servatius ondanks regelmatige klachten tegen die overlast niet wenst op te treden.

2. De Kantonrechter te Maastricht heeft de reconventionele vordering gekwalificeerd als "te vaag en onbepaald" en heeft deze vordering reeds om die reden afgewezen.

[De huurder] heeft zich in eerste aanleg overigens ook op de (aan de reconventionele vordering ten grondslag gelegde) overlast beroepen in zijn verweer tegen de conventionele vordering ter zake van de huurachterstand. De Kantonrechter overwoog in dat verband geen termen aanwezig te achten [de huurder] met het bewijs van zijn stellingen dienaangaande te belasten nu [de huurder] ook geen uitdrukkelijk daartoe strekkend bewijsaanbod heeft gedaan. Voorzover een dergelijk aanbod moet worden gelezen in de bijlagen bij de door [de huurder] overgelegde processtukken, moet dat bewijsaanbod als te vaag en niet ter zake dienend worden gepasseerd. Aldus de Kantonrechter die de conventionele vordering ten aanzien van de huurachterstand toewees in die zin dat [de huurder] in de gelegenheid werd gesteld - ter voorkoming van ontbinding en ontruiming - alsnog de bestaande huurachterstand te voldoen; nadat [de huurder] van deze gelegenheid gebruik had gemaakt, werd hij veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3. [De huurder] heeft appèl ingesteld tegen de afwijzing van de reconventionele vordering. Hij heeft ten eerste betwist dat zijn reconventionele vordering te vaag en onbepaald is doch heeft tevens zijn eis gewijzigd in dier voege dat hij vorderde St. Servatius te veroordelen om binnen twee maanden een einde te maken aan de door [de huurder] ondervonden overlastsituatie met betrekking tot het pand aan [het adres] 35 primair door het aanbieden van een gelijkwaardige vervangende woning (en een verhuisvergoeding), subsidiair door tegen de bewoners van het pand aan de [adres] 35 een procedure te entameren tot beëindiging van de huurovereenkomst met betrek-king tot dat pand en tot ontruiming.

[De huurder] heeft in zijn memorie van grieven voorts "nog-maals" uitdrukkelijk bewijs aangeboden "van al zijn stelling-en" met alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van het horen van [getuige1], rechercheur van politie te Maas-tricht, van de (niet bij name genoemde) korpschef van de politie te Maastricht, van de officier van Justitie mr Van der Ven, van zijn dochter [van de huurder], van [getuige2] die reeds een in eerste aanleg overgelegde schriftelijke verkla-ring heeft afgelegd, en van zichzelf als partijgetuige. Boven-dien heeft hij betoogd dat de Kantonrechter de ernst van de situatie niet heeft ingezien en de reconventionele vordering ten onrechte heeft afgewezen.

St. Servatius heeft verweer gevoerd. Zij heeft met name betoogd dat [de huurder] weliswaar van mening is dat zijn buren op nr. 35 al geruime tijd overlast veroorzaken (met name door drugshandel en bedreiging) maar dat door [de huurder] daaromtrent onvoldoende bewijsmiddelen worden voorgedragen, dat weliswaar de zoon van de huurster op nr. 35 enkele jaren geleden betrok-ken is geweest bij drugshandel doch dat het tijdens de daarop gevolgde detentie van de zoon en ook nadien rustig is geweest en dat deze zoon inmiddels elders woont. Zij heeft voorts aangevoerd dat zij een buurtonderzoek heeft laten verrichten en dat zij daarbij tot de conclusie is gekomen dat [de huurder] "zich op een of andere manier vastbijt in een 'drugsscenario' en zich daarbij allerlei waanvoorstellingen in het hoofd haalt." Zij heeft verder aangevoerd dat zij bovendien [de huurder] een andere woning heeft aangeboden die ondanks de hogere huurprijs als "passend" moet worden aangemerkt aangezien andere woningen met eenzelfde huurprijs als de "oude" woning eenvoudigweg niet voorhanden zijn. [de huurder] heeft dat aanbod niet geaccepteerd. St. Servatius kwalificeert het bewijsaanbod van [de huurder] als "volstrekt onvoldoende onderbouwd".

Daarop heeft [de huurder] nog een akte houdende produkties genomen waarbij hij onder meer in het geding heeft gebracht notariële akten houdende beëdigde verklaringen van de heren [getuige3], [getuige4], [getuige5] en van hemzelf. Tevens heeft hij nogmaals expliciet van al zijn stellingen bewijs aangeboden met alle middelen rechtens, in het bijzonder door het horen van getuigen onder wie [getuige3], [getuige4], [getuige5], [de huurder] zelf en [de huurder]s dochter. Daarna heeft [de huurder] bij antwoord-akte nog een aanvullende verklaring van [getuige3] overgelegd. Bij pleidooi (de pleitnotities bevinden zich bij de geding-stukken) heeft hij resumerend geconcludeerd dat hij een duide-lijk bewijsaanbod heeft gedaan waarbij hij heeft aangegeven dat de heren [getuige3], [getuige4], [getuige5], alsmede zijn dochter en hijzelf bereid zijn relevante verklaringen af te leggen, dat genoemde getuigen hun reeds afgelegde verklaringen nader kunnen toelichten en zonodig nog verder uitbreiden en dat [de huurder] de Officier van Justitie van de Rechtbank Maas-tricht, belast met de handel in verdovende middelen zonodig als getuige zal oproepen.

4. De Rechtbank heeft [de huurder]s bewijsaanbod gepasseerd en het vonnis van de Kantonrechter, voorzover bestreden, bekrach-tigd. Zij heeft vooropgesteld dat tussen partijen vaststaat dat vanaf 1994 in enige mate overlast is veroorzaakt doch dat het de vraag is of deze overlast thans nog voortduurt en zodanig ernstig is dat St. Servatius kan worden verweten dat zij niet voldoende heeft gedaan ter bescherming van het huur-genot van [de huurder] en dat van St. Servatius maatregelen kunnen worden gevergd. De Rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartoe overwoog zij dat met name uit de door [de huurder] overgelegde overzichten blijkt dat de overlast vanaf 1996 in beduidende mate in omvang en ernst is verminderd in vergelijking met de jaren 1994 en 1995 en dat uit de door St. Servatius verrichte onderzoeken verder blijkt dat de mede-buurtbewoners van [de huurder] zijn klachten nauwelijks tot niet delen, zeker niet voor wat betreft de laatste jaren. Lightharts bewijsaanbod wordt met de volgende overweging gepasseerd:

"Nu de door [de huurder] overgelegde verklaringen, afgelegd door aldaar niet woonachtige vrienden en bekenden van hem bovendien veelal betrekking hebben op voorvallen uit de jaren 1994-1995 en slechts in zeer algemene bewoordingen en weinig concreet melding maken van hinder ziet de rechtbank in hetgeen door deze personen naar voren is gebracht onvoldoende steun voor de stelling van [de huurder] dat sprake is van ernstige overlast. Nu het bewijsaanbod van [de huurder] het horen van dezelfde personen betreft en [de huurder] niet heeft aangevoerd waarin de door hen alsdan af te leggen verklaringen zullen verschillen van de reeds overgelegde, gaat de rechtbank aan het door [de huurder] op dit punt gedane bewijsaanbod voorbij, zijnde niet, althans onvoldoende, ter zake doende."

Voorts overwoog de Rechtbank dat zij bij de beoordeling van de ernst van de overlast laat meewegen dat het door [de huurder] ingestelde hoger beroep tegen het vonnis in kort geding van 29 juli 1997, waarbij werd afgewezen een door [de huurder] ingestelde vordering soortgelijk aan de litigieuze reconventi-onele vordering, op [de huurder]s verzoek voor onbepaalde tijd is aangehouden; daaruit leidde de Rechtbank af dat een spoedei-sende belang bij het treffen van een voorziening kennelijk niet meer aanwezig was en dat er dus vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de ernst van de overlast op dat moment. De Rechtbank concludeerde dat St. Servatius geen verwijt kan worden gemaakt gezien het door haar verrichte buurtonderzoek en hetgeen daaruit naar voren is gekomen en gezien haar aanbod aan [de huurder] van een als passend te kwalificeren andere wo-ning.

5. [De huurder] heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. St. Servatius heeft geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, waarna [de huurder] nog heeft gerepliceerd.

Het cassatiemiddel

6. Middelonderdeel 1 komt in al zijn onderdelen op tegen de hiervoor geciteerde overweging inhoudende dat [de huurder]s be-wijsaanbod als niet ter zake dienend moet worden gepasseerd.

Middelonderdeel 1.1 betoogt dat de Rechtbank heeft mis-kend dat zij niet aan het bewijsaanbod de eis mocht stellen dat [de huurder] zou aanvoeren waarin de verklaringen van de voorgestelde getuigen zouden kunnen verschillen van de in de procedure reeds overgelegde verklaringen van die personen.

Onder verwijzing naar passages uit de gedingstukken betoogt middelonderdeel 1.2 dat de gewraakte overweging onbe-grijpelijk is voorzover wordt overwogen dat het bewijsaanbod "het horen van dezelfde personen betreft" omdat [de huurder] niet alleen heeft aangeboden de personen te horen van wie reeds verklaringen zijn overgelegd (te weten [getuige3], [getuige4], [getuige5] en [de huurder] zelf), doch tevens heeft aangeboden te horen [getuige1], [getuige6], [getuige2], de dochter van [de huurder] en de niet bij name genoemde korpschef van de politie te Maastricht.

Middelonderdeel 1.3 strekt ten betoge dat de Rechtbank zich schuldig heeft gemaakt aan een prognose omtrent het resultaat van de bewijslevering indien en voorzover de ge-wraakte overweging aldus moet worden begrepen dat de Rechtbank aan [de huurder]s bewijsaanbod is voorbijgegaan op de grond dat de door [de huurder] voorgedragen getuigen niet anders zouden kunnen verklaren dan is verklaard in de door [de huurder] reeds overge-legde verklaringen.

Middelonderdeel 1.4 strekt ten betoge dat de gewraakte overweging onbegrijpelijk is voorzover deze aldus moet worden begrepen dat de Rechtbank aan [huurder]s bewijsaanbod als niet ter zake dienend is voorbijgegaan op de grond dat [de huurder] slechts heeft aangeboden de door hem overgelegde verklaringen te laten bevestigen.

Middelonderdeel 1.5 betoogt dat de Rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans haar beslis-sing onvoldoende heeft gemotiveerd, voorzover de Rechtbank [de huurder]s bewijsaanbod om andere redenen heeft gepasseerd dan in de onderdelen 1.1-1.4 genoemd. De Rechtbank had - aldus dit middelonderdeel - [de huurder]s aanbod niet mogen passeren nu het voldeed aan alle daaraan te stellen eisen.

7. De Rechtbank heeft [de huurder]s bewijsaanbod verworpen met de overweging dat het aanbod niet, althans onvoldoende, ter zake dienend is nu [de huurder]s bewijsaanbod het horen betreft van "aldaar niet woonachtige vrienden en bekenden" die reeds door [de huurder] overgelegde verklaringen hebben afgelegd en [de huurder] niet heeft aangegeven waarin de door deze personen af te leggen verklaringen zullen verschillen van de reeds overge-legde die, aldus de Rechtbank, onvoldoende steun bieden voor [de huurder]s stelling dat sprake is van overlast. Deze overweging wordt - onder verwijzing naar de desbetreffende passages uit de gedingstukken - terecht door het middel bestreden. Zij kan reeds geen stand houden omdat [de huurder]s bewijsaanbod niet alleen zag op het horen van de door de Rechtbank bedoelde "aldaar niet woonachtige vrienden en bekenden" die reeds door [de huurder] overgelegde verklaringen hebben afgelegd (onder wie uitsluitend kunnen worden begrepen [getuige3], [getuige4] en [getuige5]), doch ten eerste - zoals uit het onder 3 opgenomen resumé moge volgen - tevens op het horen van de dochter van [de huurder] en van [de huurder] zelf terwijl voorts ook nog als te horen getuigen zijn genoemd [getuige2] (die gezien haar in eerste aanleg overgelegde verklaring niet elders woont), rechercheur van politie [getuige1], officier van Justitie [getuige6] en de niet bij name genoemde korpschef van de politie Maastricht. Op het aanbod ook die getuigen te horen is de Rechtbank niet ingegaan. Dat levert een motiveringsgebrek op; de Rechtbank heeft onvoldoende inzicht gegeven in haar gedachtengang. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, blijkt immers niet of de Rechtbank in het oog heeft gehouden dat een bewijsaanbod niet mag worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent de waarde van de af te leggen getuigenverkla-ringen en of de Rechtbank ook overigens is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting omtrent het passeren van een bewijsaan-bod en, zo ja, op welke gronden haar oordeel berust dat aan het bewijsaanbod moest worden voorbijgegaan. Middelonderdeel 1.2 klaagt hierover terecht. (Ik volsta hier met een verwij-zing naar Uw arrest van 27 november 1998, NJ 1999, 148.)

Middelonderdeel 1.1 klaagt voorts terecht dat de Recht-bank met haar overweging dat het aanbod als niet ter zake dienend moet worden verworpen omdat niet is aangegeven waarin de getuigenverklaringen zouden kunnen verschillen van de in de procedure reeds overgelegde verklaringen, eisen aan het be-wijsaanbod stelt die daaraan niet mogen worden gesteld. De Rechtbank miskent dat de omstandigheid dat het bewijsaanbod betrekking heeft op personen die reeds (ten overstaan van een notaris) verklaringen hebben afgelegd die in het geding zijn gebracht en die naar het oordeel van de Rechtbank onvoldoende steun bieden voor de te bewijzen stelling, niet toereikend is voor het passeren van een aanbod die personen als getuigen te horen. Middelonderdeel 1.4 betoogt in dit verband terecht dat niet kan worden aangenomen dat werd aangeboden uitsluitend de inhoud van de overgelegde verklaringen te laten bevestigen, een veronderstelling die ook voorbijziet aan het wezen van een getuigenverhoor door de rechter. Voorzover de Rechtbank van oordeel was dat het horen van bedoelde personen geen nieuwe gezichtspunten kan opleveren, heeft de Rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangezien de waarde van een getuigenverklaring eerst behoort te worden beoordeeld na het afleggen van die verklaring en een bewijsaanbod niet mag worden gepasseerd op grond van een prognose omtrent die waar-de; middelonderdeel 1.3 klaagt daarover terecht. (Voor het hier betoogde verwijs ik naar Uw beschikking van 20 maart 1998, NJ 1999, 693, m.nt. HJS onder NJ 1999, 694.)

Middelonderdeel 1.5 behoeft geen behandeling meer, waar-bij overigens aantekening verdient dat dit middelonderdeel concludeert dat de Rechtbank het bewijsaanbod had moeten honoreren, een conclusie die ik niet zonder meer kan onder-schrijven nu het oordeel of het aanbod voldoende was gespeci-ficeerd is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, evenals overigens het oordeel of het aanbod kan worden gekwalificeerd als voldoende ernstig gemeend.

8. Middelonderdeel 2 klaagt dat de Rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en/of ambtshalve feiten heeft bijgebracht met haar overweging dat "het door [de huurder] ingestelde hoger beroep tegen het kortgedingvonnis van 29 juli 1997, waarbij een soortgelijke vordering van [de huurder] als thans wordt gevorderd is afgewezen, op zijn verzoek voor onbepaalde tijd is aangehouden" en dat daaruit kan worden afgeleid dat een spoedeisend belang kennelijk niet meer aanwezig was en er dus vraagtekens gezet kunnen worden bij de ernst van de overlast. Immers, aldus het middel, geen der partijen heeft ten processe gesteld, en ten processe is ook anderszins niet gebleken dat het door [de huurder] ingestelde hoger beroep op zijn verzoek voor onbepaalde tijd is aangehou-den.

9. St. Servatius heeft in haar schriftelijke toelichting betoogd dat deze klacht faalt nu zij miskent dat de gewraakte overweging is gebaseerd op hetgeen de raadsman van [de huurder] zelf ter gelegenheid van de op 5 maart 1998 voor de Rechtbank gehouden pleidooi heeft medegedeeld. Ter ondersteuning van dit betoog heeft zij een brief van de griffier van de Rechtbank overgelegd inhoudende dat geen proces-verbaal van de zitting van 5 maart 1998 is uitgewerkt doch dat uit de ter zitting door de griffier gemaakte aantekeningen blijkt dat de procu-reur van [de huurder] heeft medegedeeld dat het hoger beroep in kort geding is geschorst om een regeling te bewerkstelligen, hetgeen is mislukt, en tevens dat in die procedure niet verder is geprocedeerd en dat de zaak wederom ter rolle stond van 8 april.

Onder verwijzing naar Uw beschikking van 15 januari 1993, NJ 1993, 594, m.nt. HJS onder NJ 1993, 596, heeft [de huurder] betoogd (schriftelijke toelichting onder 9) dat de brief van de griffier niet kan worden aangemerkt als een gedingstuk, zodat deze brief buiten beschouwing moet worden gelaten en niet kan worden gezegd dat uit de gedingstukken blijkt dat het hoger beroep tegen het vonnis in kort geding is aangehouden. De juistheid van de inhoud van de brief van de griffier heeft [de huurder] niet betwist.

10. Nu de inhoud van de brief van de griffier niet is betwist kan Uw Raad, zonder zich krachtens art. 107 RO zelf tot de griffier te wenden, van de juistheid van die inhoud uitgaan zodat moet worden aangenomen dat inderdaad, zoals de Rechtbank in haar gewraakte overweging vaststelde, het door [de huurder] ingestelde hoger beroep tegen meergenoemd vonnis in kort geding op zijn verzoek is aangehouden. Daarop stuit middelon-derdeel 2 af. Zie Uw arresten van 20 februari 1998, NJ 1998, 474 en 23 oktober 1981, NJ 1982, 146.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden