Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA6082

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
112160
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA6082
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 112.160 Conclusie inzake:

Zitting 22 februari 2000 [verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. De kantonrechter te Eindhoven heeft verzoeker op 6 januari 1998 wegens - wat wel genoemd wordt - ‘wild-plakken’ op onroerend goed zonder toestemming van de recht-hebbende, veroordeeld tot een geldboete van vijftig gulden te vervangen door een dag hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel valt in twee klachten uiteen. Allereerst klaagt het over het ontbreken van een over-eenkomstig art. 395, tweede lid onder c, Sv uitgewerkt vonnis. Ten tweede klaagt het over een gebrek in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg.

4. Bij de aanvankelijk ter griffie van Uw Raad ingekomen stukken bevindt zich een ‘Aantekening uit-spraak ex art. 395a WvSv’. Anders dan art. 395a, eerste lid, Sv voorschrijft, is deze aantekening evenwel niet aan het dubbel van de dagvaarding gehecht. Dit gebrek is niet het probleem aangezien in de onderhavige zaak niet met een dergelijk zogenoemd stempelvonnis mocht worden volstaan.

5. Aangezien op 16 januari 1998 een gewoon rechtsmiddel tegen deze uitspraak is aangewend, had het vonnis overeenkomstig art. 395, tweede lid onder c, Sv moeten worden aangetekend in het proces-verbaal der terechtzitting op de wijze door de minister van justitie bepaald (HR 20 maart 1984, NJ 1984, 550 rov. 5.1.; HR 27 maart 1979, NJ 1979, 386 rov. 4.). Indien dat was gebeurd, dan had het eerder genoemde stempelvonnis door de griffier moeten worden doorgehaald (art. 395a, vierde lid, Sv).

6. Bij de aanvankelijk ter griffie van Uw Raad ingekomen stukken bevindt zich tevens een stuk dat wordt aangeduid als ‘Aantekening mondeling vonnis’ en dat blijkens een daarop gemaakte aantekening is vervallen. Deze summiere aantekening van het vonnis voldoet niet aan de daaraan in art. 395a, eerste lid, Sv gestelde eisen nu het niet door de kantonrechter is gewaarmerkt met (een stempelafdruk van) zijn handtekening (vgl. HR 13 oktober 1981, NJ 1982, 506 rov. 5 m.nt. GEM).

7. Bij de griffie van het kantongerecht Eindhoven heb ik een overeenkomstig art. 395, tweede lid onder c, Sv uitgewerkte vonnis laten opvragen. Het vervolgens aan mij verstrekte vonnis bevat weliswaar niet de tenlastelegging maar verwijst daarnaar, hetgeen is toegelaten (HR 26 oktober 1999, NJB 1999, blz. 1945, nr. 159; HR 9 januari 1928, NJ 1928, blz. 244). Een afschrift van dit vonnis heb ik aan de steller van het middel doen toekomen, waarbij ik hem de mogelijkheid heb gegeven de ingediende middelen aan te vullen of in te trekken. Een reactie hierop heb ik niet ontvangen.

8. Nu zich bij de stukken een overeenkomstig art. 395, tweede lid onder c, Sv uitwerkt vonnis bevindt, is de feitelijke grondslag aan dit deel van het middel komen te ontvallen.

9. Vervolgens wordt in de toelichting op het middel geklaagd over een gebrek in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg. Daarin had moeten staan dat verzoeker ter terechtzitting de kantonrechter heeft verzocht om een zodanige geldboete op te leggen dat hoger beroep open stond.

10. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat verzoeker een dergelijk verzoek heeft gedaan. Aangezien het proces-verbaal van de terechtzitting de kenbron is van hetgeen ter zitting is voor-gevallen kan deze klacht in cassatie niet verder worden onderzocht. Art. 326, vierde lid, Sv - dat krachtens art. 398 Sv ook op het rechtsgeding voor de kantonrechter van toepassing is - biedt een verdachte de mogelijkheid bepaalde vermeldingen in het proces-verbaal van de terechtzitting te doen opnemen (HR 24 februari 1987, NJ 1988, 540 rov. 8.1.). Dat hiervan gebruik is gemaakt, blijkt niet.

11. Het middel faalt in beide onderdelen.

12. Het tweede middel klaagt over de verwerping van het verweer dat art. 84, tweede lid onder b, APV Eind-hoven, onverbindend is wegens strijd met art. 7 Grondwet.

13. In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op een ter terechtzitting in eerste aanleg, door verzoeker overgelegde pleitnotitie. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet dat verzoeker een pleitnotitie heeft overgelegd. Evenmin bevindt deze zich bij de ter griffie van Uw Raad ingekomen stukken zodat het er in cassatie voor moet worden gehouden dat ter terechtzitting geen pleitnotitie is overgelegd (vgl. HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 417 rov. 5.2). Dat de pleitnotitie is gehecht aan de cassatieschriftuur, doet hier niet aan af omdat hieruit niet volgt dat de kantonrechter erover heeft beschikt of heeft kunnen beschikken.

14. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt wel dat verzoeker aldaar een beroep heeft gedaan op art. 7 Grondwet. Het proces-verbaal van de terechtzitting geeft dit beroep als volgt weer:

“In Eindhoven is alleen in de Ten Hagestraat een mogelijkheid om te plakken en dit terwijl er toch vrijheid van meningsuiting bestaat (art. 7 Grondwet). Bovendien wordt er op de Ten Hagestraat snel overheen geplakt.”

15. De kantonrechter heeft dit verweer als volgt verworpen:

“Verdachte is strafbaar, zijnde van enige strafuitsluitingsgrond niet gebleken, temeer daar van geen enkele terughoudendheid gebleken is en massaal is geplakt.”

16. Net als het verweer laat ook de verwerping aan duidelijkheid te wensen over. Ik vat het verweer van verzoeker aldus op dat hij de mogelijkheid om te plak-ken te beperkt, en daarom in strijd met art. 7 van de Grondwet acht. Dat verzoeker massaal heeft geplakt en daarbij geen terughoudend-heid heeft betracht - zoals de kantonrechter overweegt - doet niet af aan de beperkingen waarvoor verzoeker zich zag geplaatst en waarvan deze strafzaak het gevolg is.

17. Voor wat betreft de verwerping van het verweer acht ik het middel dus gegrond. Tot cassatie behoeft dit gebrek evenwel niet te leiden.

18. Art. 84, tweede lid aanhef en onder b, APV Eindhoven, luidde toen het bewezenverklaarde werd ge-pleegd, als volgt:

”Het is aan anderen dan de rechthebbenden verboden zonder schriftelijke toestemming van die recht-hebbenden op de weg of op vanaf de weg zicht-bare wijze op enig onroerend goed: () b. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeeldingen of aanduidingen aan te plakken of op andere wijze te bevestigen.”

19. Van een inbreuk op de in art. 7 Grondwet gegarandeerde vrijheid van meningsuiting is in de onderhavige zaak geen sprake. Art. 84, tweede lid onder b, APV Eindhoven geeft geen algemeen maar een beperkt verbod van ‘wildplakken’. Het aanbrengen van drukwerken wordt daarin slechts verboden voor zover door dat gebruik eens anders recht zou worden geschonden. Het verbod laat voor het overige elk gebruik van dat middel van bekendmaking onverlet (HR 2 oktober 1979, NJ 1980, 105 rov. 6.4.; HR 19 september 1977, NJ 1978, 516; zie ook HR 21 januari 1986, NJ 1986, 441 rov. 7.2.).

20. Daargelaten de motivering die daaraan ten grondslag ligt, heeft de kantonrechter het verweer terecht verworpen.

21. Het middel faalt.

22. Beide middelen falen.

23. Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging.

24. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG