Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA6081

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
112065
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA6081
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 112.065 Conclusie inzake:

Zitting 28 maart 2000 [verzoeker=verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 23 november 1998 verstaan dat verzoeker ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding onder 4 tenlastegelegde beroep in cassatie heeft ingesteld en heeft verzoeker wegens 1. "opzetheling" en 2. en 3. telkens opleverende "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. Tevens heeft het hof een personenauto verbeurd verklaard.

2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Ambtshalve vraag ik de aandacht voor een tweetal kwesties. De eerste betreft de betekening van de inleidende dagvaarding; de tweede de beslissing tot conversie.

3. Bij de stukken van het geding bevindt zich de inleidende dagvaarding van de verzoeker om op 1 december 1997 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank te Arnhem. De akte van uitreiking die aan het dubbel van de dagvaarding is gehecht houdt in dat die dagvaarding is betekend op de wijze als voorzien in het derde lid van art. 588 aanhef en onder c Sv. Dit betekent in casu dat de uitreikings-ambtenaar op 27 oktober 1997 heeft ge-tracht de inleidende dagvaarding uit te reiken aan het adres [adres 1] te [woonplaats]. Daar is niemand aangetroffen. De ambtenaar heeft ter plaatse een bericht van aankomst achter-gelaten. De dagvaarding is na een afhaal-periode van negen dagen op 5 november 1997 teruggezonden aan de afzender. Vervolgens heeft een adresverificatie plaats gevonden (deze dateert van 7 november 1997). Het aan de akte van uitreiking gehecht verwerkingsoverzicht GBA-gegevens houdt in dat 28 oktober 1993 de aanvangsdatum van het op het gerechtelijk schrijven vermelde adres is. Op 10 november 1997 is de dagvaarding uitgereikt aan de griffier, die het stuk op dezelfde datum per gewone post heeft verstuurd naar dat adres.

4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting op 1 december 1997 is verzoeker aldaar niet verschenen en is tegen hem verstek verleend. Een verstekverlening op basis van deze gegevens is gebruikelijk, hoewel enigszins riskant omdat niet met zoveel woorden in het GBA-overzicht wordt bevestigd (zoals bij vroegere verificatieformulieren wel het geval was, hoewel dat systeem óók niet waterdicht was) dat de geadresseerde tenminste vijf dagen na de dag van aanbieding van het gerechtelijk schrijven op het daar-op vermelde adres was ingeschreven. Men pleegt dit uit het ontbreken van een ander adres in -, en uit de datum van het verwerkingsoverzicht af te leiden.

5. Bij mondeling vonnis van 1 december 1997 is verzoeker veroordeeld terzake van de vier hem ten laste gelegde feiten. Bij akte van 15 december 1997 heeft verzoeker tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

6. Uit een los in het dossier aanwezig verwerkingsoverzicht GBA-gegevens van 14 oktober 1998 en uit het soortgelijke aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte overzicht van 2 november (naar aan te nemen valt: 1998) blijkt dat verzoeker evenwel sedert 1 november 1997 niet meer op het adres van het gerechtelijk schrijven woonachtig is, maar op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Dit wordt bevestigd door de inlichtingen die in het kader van het uitbrengen van de dagaanzegging in cassatie zijn ingewonnen.

7. Uit het voorgaande volgt dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel inhoudende dat de inleidende dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend, onjuist is: verzoeker stond niet gedurende tenminste vijf dagen na de dag van aanbieding van het gerechtelijk schrijven ingeschreven op het daarop vermelde adres. Dat kon de politierechter niet weten. Maar het hof heeft dit wel kunnen zien. Het hof had derhalve de inleidende dagvaarding nietig behoren te verklaren. De Hoge Raad kan dit alsnog doen.

8. Rest mij nog in te gaan op 's hofs beslissing tot conversie. Het bestreden arrest houdt dienaangaande op bladzijde 1 onder het kopje "Omvang van het hoger beroep" het volgende in:

"Het bij inleidende dagvaarding onder 4 tenlastegelegde levert een overtreding op. Voor zover het vonnis, waarvan beroep, te dien aanzien is gewezen stond niet het rechtsmiddel van hoger beroep, maar dat van cassatie open. Het hof neemt aan dat de verdachte het rechtsmiddel, dat volgens de wet openstond, heeft willen aanwenden. Dit brengt mede, dat de stukken van het geding ter afdoening van het beroep in cassatie dienen te worden gezonden aan de griffier van de Hoge Raad."

9. Zoals reeds onder 5 is weergegeven, heeft verzoeker hoger beroep ingesteld tegen het gehele vonnis van de politierechter. Nu verzoeker bij verstek is veroordeeld, was ingevolge art. 399 Sv voor wat betreft de overtreding verzet het juiste rechtsmiddel en niet beroep in cassatie, zoals het hof heeft verstaan.

10. In aanmerking genomen dat het er in beginsel voor moet worden gehouden dat een verdachte het rechts-middel heeft willen instellen dat volgens de wet open stond, dient zich vervolgens de vraag aan of het in dit geval de aangewezen weg is dat de Hoge Raad zal verstaan dat verzoeker dienaan-gaande verzet heeft ingesteld en zal bepalen dat de stukken van het geding ter behande-ling en afdoening van het gedane verzet worden gezonden aan de griffier van de rechtbank te Arnhem. Ik meen dat deze vraag in de onderhavige situatie ontkennend moet worden beantwoord gelet op het volgende.

11. Zoals onder 7 reeds is overwogen is de inleidende dagvaarding - waarop ook de desbetreffende overtreding staat vermeld - niet rechtsgeldig betekend. Indien ten gevolge van een door Uw Raad te nemen juis-te conversiebeslissing de stukken van het geding aangaande de overtreding naar de politierechter gezonden worden ter afdoening van het verzet, zal de politierechter met het oog op de ontvankelijkheid van het verzet moeten onderzoeken of in eerste instantie terecht verstek is verleend. Bij dit onderzoek zal hij ambtshalve de inleidende dagvaarding moeten betrekken (vgl. HR 26 juni 1990, NJ 1991, 326 r.o. 4.7). Alsdan zal ook de politierechter niet anders dan tot nietigheid van de inleidende dagvaarding kunnen komen. Dit scenario in aanmerking nemend brengen de eisen van een doelmatige en voor de verdachte begrijpe-lijke rechtspleging met zich mee dat de Hoge Raad de inleidende dagvaarding óók voor wat de onder 4 ten laste gelegde overtreding betreft nietig zal verklaren.

12. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter met betrekking tot de bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde misdrijven is vernietigd, zal vernietigen alsmede het vonnis van de politierechter voor wat betreft de tenlastegelegde overtreding zal vernietigen en de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG