Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA5961

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/318HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 1, geldigheid: 2000-05-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2000/151 met annotatie van Prof. mr. P.F. van der Heijden
JOL 2000, 319
NJ 2000, 473
RvdW 2000, 142
JAR 2000, 151
JWB 2000/78

Conclusie

Rolnummer C98/318 Mr Bakels

Zitting, 25 februari 2000 Conclusie inzake

AKZO Nobel Fibers BV

tegen

FNV Bondgenoten

(voorheen Industriebond FNV)

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak om de uitleg van een sociaal plan.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1

(a) In 1993 besloot AKZO Nobel Fibers BV (hierna: ANF) een reorganisatie door te voeren. Over de gevolgen van deze reorganisatie heeft ANF overleg gevoerd met verscheidene vakbonden, waaronder de Industriebond FNV, de rechtsvoorgangster van verweerster in cassatie (hierna beide aangeduid als: de FNV).

(b) Dit overleg heeft op 17 januari 1994 geleid tot een overeenkomst tussen ANF en de bij het overleg betrokken vakorganisaties. Deze overeenkomst is door de contractspartijen aangeduid als Sociaal Plan Akzo Fibers BV.

(c) Het sociaal plan is niet op voet van art. 4 Wet op de loonvorming aangemeld bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

(d) In art. 13 van het sociaal plan wordt - voorzover relevant - het volgende bepaald:

"De Stichting Start Diensten is bereid de boventallige medewerkers in Emmen die dit wensen per 1 april 1995 een tijdelijk dienstverband aan te bieden en hen te bemiddelen naar tijdelijk werk en, waar mogelijk, naar vast werk bij derden ondersteund door scholingstrajecten. (…) Het tijdelijk dienstverband bij Start Diensten loopt parallel aan de WW-periode en Akzo is bereid de inkomsten uit WW en tijdelijk werk gedurende de WW-periode aan te vullen tot 100% van het oude arbeidsinkomen, incl. dienstroostertoeslag."

(e) Partijen zijn in afwijking van het bepaalde in art. 13 van het sociaal plan nader mondeling overeengekomen dat de boventallige medewerkers niet met de Stichting Start Diensten een tijdelijk dienstverband zouden aangaan, maar dat deze stichting met die werknemers bemiddelingsovereenkomsten zou sluiten.

(f) Tussen partijen is vervolgens een conflict ontstaan over de uitleg van het begrip "WW - periode" zoals bedoeld in de laatste zin van art. 13 van het sociaal plan. Minnelijk overleg heeft niet tot een oplossing geleid.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft de FNV de onderhavige zaak aanhangig gemaakt voor de kantonrechter te Arnhem en o.m. gevorderd:

- voor recht te verklaren dat ANF in strijd heeft gehandeld met het sociaal plan en de op basis daarvan tussen partijen nader gemaakte technische afspraken,

- ANF te veroordelen om alle per 1 april 1995 gesloten aanvullingsovereenkomsten te verlengen met één jaar en zich sterk te maken voor verlenging van de tussen de ontslagen werknemers en Stichting Start Diensten afgesloten bemiddelingsovereenkomsten met eenzelfde termijn.

De FNV voerde als toelichting op haar vordering aan dat onder het begrip "WW - periode" in de zin van art. 13 van het sociaal plan, niet alleen de loongerelateerde werkeloosheidsperiode valt (art. 42 WW), maar ook het tijdvak waarin de desbetreffende werknemers een vervolguitkering ontvangen (art. 48 WW).

1.4 ANF heeft zich tegen deze vordering verweerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat onder de in art. 13 sociaal plan genoemde "WW-periode", uitsluitend de loongerelateerde werkeloosheidsperiode van art. 42 WW moet worden verstaan.

1.5 Bij tussenvonnis van 25 maart 1996 heeft de kantonrechter geoordeeld dat “een redelijke uitleg” van art. 13 van het sociaal plan in beginsel meebrengt dat ANF gehouden is ook de vervolguitkeringen van de betrokken werknemers tot 100% te suppleren. Hij baseerde zijn oordeel "voornamelijk" op het feit “dat de vervolguitkering een wezenlijk onderdeel is van de Werkloosheidswet” (rov. 5.3). Nu ANF echter gemotiveerd stelde dat partijen met art. 13 van het sociaal plan een andere bedoeling hebben gehad, werd zij in de gelegenheid gesteld dit standpunt te bewijzen.

1.6 Na getuigenverhoren heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 17 maart 1997 geoordeeld dat ANF is geslaagd in de haar gegeven bewijsopdracht en de vordering van de FNV mitsdien afgewezen.

1.7 Tegen beide vonnissen heeft de FNV hoger beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem. Daartoe voerde zij - voorzover in cassatie nog van belang - onder meer als grief aan, dat de kantonrechter ANF ten onrechte in de gelegenheid heeft gesteld om de bedoeling te bewijzen die partijen met art. 13 van het sociaal plan hebben gehad. Zij betoogde daartoe dat het onderhavige sociale plan heeft te gelden als een CAO, ook al heeft geen aanmelding daarvan plaatsgevonden zoals bedoeld in art. 4 van de Wet op de loonvorming. Als vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan inmiddels worden aangemerkt dat bij de uitleg van een CAO, de bewoordingen daarvan gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel van beslissende betekenis zijn. Nadat de kantonrechter had vastgesteld wat een redelijk uitleg van art. 13 van het sociaal plan inhield naar de bewoordingen daarvan, was er dus geen ruimte meer voor een bewijsopdracht.

1.8 Na memoriewisseling heeft de rechtbank bij vonnis van 30 juli 1998 de door de kantonrechter gewezen vonnissen vernietigd en de vordering van de FNV alsnog toegewezen. De rechtbank heeft haar beslissing doen steunen op met name de volgende overwegingen:

"4.2. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in de rechtspraak waarop de Industriebond FNV zich beroept niet slechts om een wijze van uitleg die specifiek is voor een CAO, maar is het achterliggende beginsel dat in situaties waarin derden rechten aan een overeenkomst kunnen ontlenen jegens een der partijen bij die overeenkomst, voor de uitleg van die rechten niet beslissend is wat de partijen bij die overeenkomst over en weer van elkaar hebben mogen begrijpen, maar wat de derde van de partijen - en in het bijzonder van de partij jegens wie hij zijn rechten kan doen gelden - heeft mogen begrijpen uit de wijze waarop deze hem in kennis hebben gesteld van de overeenkomst.2 In de door Industriebond FNV aangehaalde gevallen uit de rechtspraak en ook in casu is die kennisgeving gelegen in de bewoordingen waarin de inhoud van de overeenkomst op schrift is gesteld.

4.3. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat niet behoeft te worden onderzocht of het Sociaal Plan als een CAO moet worden beschouwd en dat voorbijgegaan kan worden aan het verweer dat Industriebond FNV in strijd met een goede procesorde handelt door zich alsnog op het standpunt te stellen dat dit het geval is. Voor zover ANF bedoelt te stellen dat interpretatie overeenkomstig het bovenstaande niet dient te gelden nu niet de derden, maar de partijen bij de overeenkomst als procespartij optreden, wordt dit verweer verworpen omdat de Industriebond FNV in deze procedure uitsluitend optreedt als belangenbehartiger van de derden. Bovendien is niet aanvaardbaar dat voor de uitleg van een bepaling als de onderhavige verschillende criteria zouden gelden naar gelang de Industriebond FNV dan wel een of meer van de (ex-)werknemers zelf als eisende partij optreden. (...)"

1.9 Tegen dit vonnis heeft ANF tijdig beroep in cassatie ingesteld.3 De FNV heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten door hun advocaten schriftelijk doen toelichten. Van de zijde van ANF is gerepliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

Voorafgaande opmerkingen

2.1 Voordat ik het middel bespreek, stel ik ter inleiding twee samenhangende onderwerpen aan de orde, namelijk (a) welke gedachte aan de rechtspraak van de Hoge Raad over de uitleg van CAO’s ten grondslag ligt en (b) hoe deze rechtspraak moet worden uitgelegd.

2.2 In 1993 heeft de Hoge Raad4, nogal onverwacht5, geoordeeld dat de bepalingen van een CAO in beginsel moeten worden uitgelegd aan de hand van de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst:

"De Hoge Raad stelt voorop dat het hier gaat om een bepaling in een CAO. Bij de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst zijn de individuele werknemers niet betrokken, terwijl de individuele werkgever daarbij betrokken kan, maar niet hoeft te zijn. In het algemeen staan daarom aan de werknemers en werkgever, op wie de overeenkomst van toepassing is, bij het bepalen van inhoud en strekking daarvan geen andere gegevens ter beschikking dan haar tekst en de eventueel daaraan toegevoegde schriftelijke toelichting, die in deze zaak echter ontbreekt. Dit brengt mee dat voor de uitleg van de bepalingen van een CAO, de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Heeft de werkgever zelf aan de totstandkoming van de CAO meegewerkt, dan zal hij zijn eventueel daaraan ontleende bijzondere wetenschap te dier zake niet jegens de werknemer kunnen inroepen. Aan de bewoordingen van een CAO mogen in het bijzonder hoge eisen van duidelijkheid worden gesteld in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een door de werkgever ingeroepen bevoegdheid tot het nemen van de voor de werknemer zeer bezwarende maatregel van plaatsing in een functie met lager loon dan deze voordien had, zulks bij wijze van disciplinaire sanctie."

De Hoge Raad is voor de uitleg van CAO's om de in het arrest genoemde redenen dus afgeweken van de voor de uitleg van overeenkomsten in het algemeen geformuleerde Haviltex-regel6, dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betrokken bedingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

2.3 In de literatuur is deze nieuwe lijn, voorzover ik kan nagaan, terstond en zonder kritiek aanvaard.

In de arbeidsrechtelijke literatuur ging de discussie in het vervolg over de vraag of de nieuwe benadering van de Hoge Raad ook voor zogenaamde "obligatoire" bedingen in CAO ’s geldt7 - dat wil zeggen: bepalingen die alleen tussen de contracterende partijen gelden - en, wat de "normatieve" bepalingen daarvan aangaat - bepalingen die bestemd zijn om door te werken in de individuele arbeidsovereenkomsten tussen de door de CAO gebonden werk-gever(s) en werknemers alsook bepalingen die institutionele voorzieningen treffen - of de nieuwe formule ook geldt voor geschillen tussen contracterende partijen onderling.8

In de algemeen verbintenisrechtelijke literatuur werd het arrest besproken onder de invalshoek in hoeverre de nieuwe benadering een meer algemene toepassing verdient ten aanzien van overeenkomsten of zelfs rechtshandelingen waarvan de bedoeling van de handelende partij(en) uit het desbetreffende stuk voor derden niet kenbaar is9:

“Deze uitspraak zal ook betekenis kunnen hebben voor andere 'gestandaardiseerde' c.q. door algemene voorwaarden beheerste overeenkomsten, waarbij echter steeds moet worden gelet op de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de overeenkomst, de verhouding tussen de partijen daarbij en de omstandigheden waaronder de overeenkomst is gesloten.”10

Tjittes leidt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad de regel af dat het Haviltex - criterium alleen toepassing verdient als beide partijen daadwerkelijk betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen die tot de contractssluiting hebben geleid.11 Salomons acht de in de arresten van 1993 geformuleerde interpretatieregel mede van belang voor de uitleg van overeenkomst-en met een derdenbeding.12

2.4 Tegen deze achtergrond bespreek ik nu eerst punt (a). De vraag welk beginsel aan de 1993-arresten ten grondslag ligt, is er één naar de bekende weg. De arresten geven immers een duidelijk antwoord, namelijk dat een CAO een schriftelijk stuk is dat is bestemd om (mede) de rechten en verplichtingen van derden te regelen, die in beginsel niet op de hoogte zijn met de wijze waarop dat stuk is totstandgekomen. Kortom: het gaat hier om een derdenbeschermende bepaling. Toch is op dit punt is, als ik mij niet vergis, iets eigenaardigs aan de hand. De vraag wanneer een derde, die afgaat op een stuk waarbij hij geen partij is geweest, wordt beschermd tegen een voor hem niet-kenbare partijbedoeling, wordt immers beheerst door art. 3:36 BW. Maar de arresten zijn niet op deze bodem opgetrokken. Zij stellen immers niet de eis dat de derde in redelijk vertrouwen op de juistheid van zijn uitleg heeft gehandeld (dat hij in zijn vertrouwen heeft geïnvesteerd).

2.5 De onderhavige zaak is een treffend voorbeeld van de spanning die nu ontstaat tussen de door de Hoge Raad gevolgde uitlegmethode en art. 3:36 BW. De kantonrechter heeft, na uitvoerige getuigenverhoren, met een mijns inziens overtuigende motivering geoordeeld dat ANF inderdaad slechts de bedoeling heeft gehad de WW-uitkering van de afgevloeide werknemers te suppleren tijdens de loongerelateerde werkeloosheidsperiode en niet ook in het vervolgtijdvak van een jaar. Uit de getuigenverhoren komt bovendien naar voren dat de FNV dit heeft begrepen, althans had behoren te begrijpen. Tussen de contracterende partijen bestond hierover dan ook aanvankelijk geen discussie. Pas toen een locale vakbonds-bestuurder in Emmen, die bij de onderhandelingen niet betrokken was geweest, de vraag stelde of de suppletieverplichting van ANF ook gold voor de loongerelateerde werkloos-heidsperiode, beseften partijen - zo begrijp ik uit de stukken13 - dat art. 13 van het sociaal plan inderdaad naar de letter mede die laatste periode omvatte. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van dat de werknemers van de desbetreffende vestiging een gerechtvaardigd beroep op art. 3:36 BW kunnen doen. In dit licht kan men zich afvragen waarom de 1993-arresten hen in een wezenlijke betere positie stellen. Als de werknemers niet door de FNV zijn vertegenwoordigd bij het sluiten van het sociaal plan, dan is toch van een ledencontract of van een derdenbeding sprake. Materieelrechtelijk kan geen van deze beide rechtsfiguren verklaren waarom de werknemers mogen profiteren van een ruimere formulering van de bedoeling van de contracterende partijen, dan hun afspraak inhield.

2.6 Ogenschijnlijk kan worden tegengeworpen dat de onderhavige norm geen derdenbeschermende bepaling van materieel recht is, maar een uitlegnorm. Maar voldoet die verklaring wel? Als onder uitleg is te verstaan, het vaststellen van de juridische betekenis van het desbetreffende beding14, is dat toch evenzeer een materieelrechtelijke werkzaamheid, ook al is zij van een andere aard dan de vragen waarop art. 3:36 BW betrekking heeft. En juist het berechte geval laat zien dat deze normen gemakkelijk kunnen samenlopen, met een verschillend resultaat.

2.7 Omdat het aanbeveling verdient de uitlegregels en de desbetreffende materieelrechte-lijke bepalingen van derdenbescherming op elkaar af te stemmen, zou het mijn voorkeur hebben gehad als de Hoge Raad zich in 1993 had beperkt tot de bewijsrechtelijke norm, dat derden onder de in het arrest geformuleerde omstandigheden in beginsel mogen aannemen dat de CAO-partijen datgene zijn overeengekomen, wat naar objectieve maatstaven volgt uit de door hen gebruikte bewoordingen, gelezen in de context van het geschrift als geheel, met dien verstande dat partijen tegenbewijs mogen leveren. Dit zou, naar mijn mening, een juist compromis zijn geweest tussen enerzijds de partijautonomie en het nemo plus beginsel en anderzijds het vertrouwensbeginsel.15

2.8 Ad (b) In het verlengde hiervan verdient de vraag beantwoording, welke beslissing de 1993-arresten eigenlijk inhouden. In de literatuur is door velen al snel het voor de hand liggende antwoord gegeven, namelijk dat de Hoge Raad voor CAO’s de grammaticale interpretatiemethode heeft aanvaard.16 Ik geloof daar niets van. Het volgt ten eerste niet uit de strekking van de arresten en ten tweede niet uit hun bewoordingen. De juiste interpretatie is mijns inziens, dat een CAO dient te worden uitgelegd overeenkomstig hetgeen naar objectieve maatstaven uit de bewoordingen daarvan volgt.17 Bij het bepalen van hetgeen die objectieve maatstaven in het gegeven geval meebrengen, dient mede te worden gelet op voor de hand liggende gezichtspunten zoals (i) de formuleringen die elders in dat stuk worden gebruikt en hetgeen dienaangaande in de desbetreffende bedrijfstak gebruikelijk is, (ii) het wettelijk systeem en (iii) de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekst interpretaties zouden leiden.

2.9 Van grammaticale uitleg als exclusieve of eerst, dan wel in beginsel, in aanmerking komende methode, behoort m.i. dus geen sprake te zijn: de grammaticale uitleg vindt, als steeds, zijn plaats naast andere uitlegmethoden.18 Het bijzondere van de arresten van 1993 is zo bezien slechts, dat de partijbedoeling in beginsel is uitgeschakeld bij de uitleg van de CAO. In beginsel, want ik kan mij moeilijk voorstellen dat dit ook zou moeten worden volgehouden als het gaat om een met veel publiciteit omgeven CAO zodat iedereen, althans in de relevante bedrijfstak, uit de media weet wat de bedoeling van partijen is geweest. Dit voorbehoud (in beginsel) biedt bovendien enige ruimte voor het in deze zaak gehouden pleidooi dat tussen contracterende partijen onderling wel degelijk een beroep op de partijbedoeling kan worden gedaan, zij het dat als sterk argument daartegen kan worden ingebracht dat dan de consequentie zou zijn dat één en hetzelfde beding een wisselende betekenis heeft al naar gelang de partijen tussen wie het moet worden uitgelegd. In arbeidsverhoudingen is dit ongewenst.19

De onderdelen

2.10 In dit licht bespreek ik nu eerst onderdeel 2. Dit strekt ten betoge dat, zelfs als zou moeten worden aangenomen, dat de door de Hoge Raad in zijn arresten van 1993 over de uitleg van CAO's geformuleerde interpretatiemethode ook zou moeten worden toegepast bij de interpretatie van een sociaal plan, de rechtbank in het onderhavige geval is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Zij heeft de bepalingen van het sociale plan immers uitsluitend taalkundig geïnterpreteerd, terwijl partijen bij het geschil beiden bij de totstandkoming van het sociale plan betrokken waren. In een dergelijk geval dient - aldus het onderdeel - de uitleg te geschieden aan de hand van het Haviltex-criterium.

2.11 M.i. strandt het onderdeel reeds omdat het feitelijke grondslag mist. De rechtbank heeft in rov. 4.3 immers onder meer overwogen dat zij zich verenigt met de interpretatie van art. 13 van het sociaal plan, zoals die in rov. 5.3 van het tussenvonnis van de kantonrechter is gegeven en gemotiveerd. In deze overweging heeft de kantonrechter, zoals aangehaald onder 1.5 van deze conclusie, geoordeeld dat “een redelijke uitleg” van art. 13 van het sociaal plan in beginsel meebrengt dat ANF gehouden is ook de vervolguitkeringen van de betrokken werknemers tot 100% te suppleren omdat “de vervolguitkering een wezenlijk onderdeel is van de Werkloosheidswet”. De kantonrechter heeft deze bepaling dus kennelijk - en terecht - uitgelegd naar objectieve maatstaven, tegen de achtergrond van het wettelijk systeem. Doordat de rechtbank deze uitleg overnam, gold voor haar hetzelfde. De rechtbank heeft het sociale plan dus niet uitsluitend taalkundig geïnterpreteerd.

Hieraan doet niet af dat de rechtbank, blijkens de laatste zin van rov. 4.2, tot uitgangspunt van haar uitleg heeft genomen "de bewoordingen waarin de inhoud van de overeenkomst op schrift is gesteld". Zoals onder 2.8 -2.9 van deze conclusie is aangegeven, volgt hieruit immers niet dat de rechtbank zich uitsluitend van de grammaticale uitlegmethode heeft bediend.

2.12 Ten overvloede wil ik, vanwege het belang van deze vraag voor de praktijk, toch een standpunt innemen in de door het onderdeel aangesneden gesneden controverse. Onder 2.9 (slot) van deze conclusie heb ik opgemerkt dat voor de door het onderdeel verdedigde stelling wel iets te zeggen valt, maar dat er ook een sterk argument tegen is aan te voeren. Ik vind dit laatste argument de doorslag geven. Juist een bepaling als de onderhavige, waarin een ten behoeve van de desbetreffende werknemers getroffen afvloeiingsregeling wordt uitgewerkt, is immers bij uitstek bestemd om door te werken in de individuele arbeidsverhoudingen tussen ANF en haar werknemers. Voorzover deze regeling op die grond al niet als een CAO heeft te gelden20 - overigens meen ik dat dit inderdaad het geval is, nu ook aan de overige in dat verband te stellen eisen is voldaan - moet zij in elk geval wat de uitleg daarvan betreft, met een CAO op één lijn worden gesteld.

In dit verband verdient nog opmerking dat de FNV bij haar onderhavige vordering tot nakoming slechts een beperkt eigen belang heeft - het waarborgen van haar geloofwaardigheid bij haar leden en bij derden - en dat de eigenlijke belanghebbenden bij deze bepaling, de afgevloeide werknemers van ANF zijn. En zoals opgemerkt onder 2.14 (slot) van deze conclusie, is het ongewenst dat aan de onderhavige bepaling een wisselende betekenis wordt toegekend al naar gelang het de vakvereniging is die nakoming vordert of een werknemer.

Terzijde teken ik nog aan dat ANF nauwelijks praktisch belang heeft bij het onderdeel. Zelfs al zou de daarin verdedigde stelling juist zijn, dan nog kan haar dit niet baten, nu op de voormelde gronden aan een werknemer die nakoming van art. 13 van het sociaal plan vordert, de partijbedoeling niet kan worden tegengeworpen.

2.13 Onderdeel 1 komt op tegen rov. 4.2 - hierboven onder 1.8 weergegeven - van het eindvonnis van de rechtbank. Het onderdeel betoogt dat de door de Hoge Raad in 1993 aanvaarde interpretatiemethode uitsluitend van toepassing is op CAO's en niet, althans niet zonder meer, op een sociaal plan. De rechtbank had daarom volgens het onderdeel niet in het midden mogen laten of het onderhavige sociale plan als CAO kon worden aangemerkt.

2.14 Nu onderdeel 2 geen doel treft, heeft ANF bij de bespreking van onderdeel 1 geen belang. Ook hier zal ik niettemin het onderdeel kort aan de orde stellen.

2.15 In de literatuur is ampel gediscussieerd over de vraag of een sociaal plan moet worden aangemerkt als een CAO in de zin van art. 1 lid 1 Wet CAO. Een meerderheid van de auteurs stelt zich op een bevestigend standpunt.21

Uit een beschikking uit 1998, waarin overigens niet de status van een sociaal plan als zodanig aan de orde was, blijkt dat de Hoge Raad in elk geval de mogelijkheid aanvaardt, dat een sociaal plan als CAO heeft te gelden.22

2.16 Als een sociaal plan in een concreet geval al niet als CAO moet worden aangemerkt, vertoont het daarmee in elk geval een sterke gelijkenis. Evenals bij CAO-onderhandelingen het geval is, worden de onderhandelingen gevoerd tussen de desbetreffende werkgever(s) en representatieve vakverenigingen. Individuele werknemers plegen daarbij niet te worden betrokken. Voorts staan in het algemeen aan de werknemers en soms ook de werkgever(s) die door een sociaal plan zijn gebonden, geen andere gegevens ter beschikking dan haar tekst en de eventueel daaraan toegevoegde schriftelijke toelichting. Daarom valt niet in te zien waarom bij de uitleg van een sociaal plan voor een andere interpretatiemethode zou moeten worden gekozen dan het geval is voor CAO's.

2.17 Steun voor bovengenoemde opvatting kan voorts worden gevonden in de lagere rechtspraak waarin met het argument dat CAO en sociaal plan een sterke gelijkenis met elkaar vertonen, de door de Hoge Raad voor de uitleg van CAO's geformuleerde interpretatieregel, ook op de uitleg van een sociaal plan wordt toegepast.23

2.18 Ook op zichzelf bezien kan onderdeel 1 dus geen doel treffen.

2.19 Onderdeel 3 komt op tegen het oordeel van de rechtbank, dat de FNV in deze procedure uitsluitend optreedt als belangenbehartiger van de (ex-)werknemers. Aldus wordt volgens het onderdeel miskend dat de FNV als contractspartij uit eigen hoofde nakoming heeft gevorderd van het (onder meer) door haar met ANF gesloten sociale plan. Ter ondersteuning van dit standpunt wordt in de schriftelijke toelichting verwezen naar een drietal arresten van de Hoge Raad.24 Uit deze jurisprudentie kan worden afgeleid dat wanneer een werknemersorganisatie nakoming vordert van een CAO bij de totstandkoming waarvan zij als partij was betrokken, als uitgangspunt geldt, dat zij zulks uit eigen hoofde vordert en niet namens iedere aangesloten werknemer.

2.20 Het onderdeel faalt omdat het feitelijke grondslag mist. De kantonrechter heeft immers geoordeeld (en zelfs vooropgesteld) dat de FNV in dit geschil optreedt op voet van art. 3:305a lid 1 BW (rov. 5.1). Tegen dit oordeel is in hoger beroep geen grief aangevoerd. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de rechtbank deze overweging aldus opgevat, dat de FNV in deze procedure uitsluitend optreedt als belangenbehartiger van derden, namelijk de afgevloeide werknemers.

2.21 Afgezien daarvan strandt het onderdeel ook op twee andere gronden. Ten eerste heeft ANF daarbij geen belang, gezien hetgeen bij de bespreking van de beide voorgaande onderdelen is opgemerkt. Ten tweede wordt door het onderdeel slechts één van de twee gronden aangevallen, waarop de rechtbank de stelling heeft verworpen dat uitleg van het sociaal plan dient te geschieden aan de hand van de bewoordingen waarin dit is gesteld. De andere grond, namelijk dat niet aanvaardbaar is dat voor de uitleg van de onderhavige bepaling verschillende criteria zouden gelden al naar gelang de persoon van de eiser, wordt door het onderdeel niet bestreden. Ook daarom mist ANF belang bij de klacht.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van ANF in de proceskosten.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie uitgebreider rov. 2.1-2.6 van het door de kantonrechter op 25 maart 1996 gewezen tussenvonnis.

2 De rechtbank heeft zich hier wellicht laten inspireren door A.C. van Schaick, Uitlegregels, WPNR 6311 (1998), blz. 274-275, die heeft betoogd: "Bij de uitleg van rechtshandelingen met een zekere derdenwerking pleegt de rechter subjectieve uitlegregels - en dus ook de Haviltex-formule - buiten toepassing te laten. De tekst van het beding speelt dan een belangrijke rol." Hij noemt vervolgens zonder enig onderscheid: goederenrechtelijke rechtshandelingen, uiterste wilsbeschikkingen, volmachten, bankgaranties, rechterlijke uitspraken, statuten en octrooien. Mijns inziens geeft deze opsomming een te ongenuanceerd beeld dat tot “sweeping statements” kan leiden zoals thans door de rechtbank gedaan. In zijn algemeenheid is niet juist dat telkens wanneer derden rechten aan een schriftelijk vastgelegde overeenkomst kunnen ontlenen, zij voor de inhoud en omvang daarvan mogen afgaan op de door partijen gehanteerde bewoordingen daarvan. Bij de uitleg van dat stuk dient de aard en de maatschappelijke functie daarvan te worden meegewogen alsook de positie van de derde ten aanzien van dat stuk, welke kan meebrengen dat op die derde een onderzoeksplicht rust (zie bijvoorbeeld HR 15 april 1977, NJ 1978, 163). Tegen deze overweging is echter geen klacht gericht; bovendien draagt zij het bestreden oordeel niet (zie onder 2.11 van deze conclusie).

3 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 21 september 1998.

4 HR 17 september 1993, NJ 1994, 173, een week later herhaald in HR 24 september 1993, NJ 1994, 174 en nadien in HR 12 november 1993, NJ 1994, 120; HR 3 mei 1996, NJ 1996, 523; HR 19 december 1997, NJ 1998, 300 en HR 3 september 1999, NJ 1999, 734.

5 De A-G’s Mok en Koopmans hadden in 1993 beiden in andere zin geconcludeerd.

6 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635.

7 Dit wordt o.a. betwist door Olbers in zijn noot bij HR 17 september 1993, SMA 1994, blz. 45.

8 Het standpunt dat geschillen over normatieve CAO-bepalingen tussen contracterende partij onderling dienen te worden beslist aan de hand van de Haviltex-formule, wordt verdedigd Olbers, t.a.p. blz. 46. Zie voor een bestrijding Sagel, Grammaticale uitleg van CAO-bepalingen - een absoluut criterium?, ArbeidsRecht 2000/1, blz. 26-27.

9 Asser/Hartkamp 4- II, 1997, nr. 286.

10 In de kern evenzo Tjittes, De (on)vrijheid van de rechter bij de uitleg van contracten, Brunner-Bundel, (1994), blz. 409 e.v. en Valk, De grenzen van de Haviltexformule en de uitleg van algemene voorwaarden, NTBR 1994, blz. 111-113.

11 Tjittes, t.a.p., blz. 410-412. Zie ook de concl. OM (Asser) onder 2.32 voor HR 10 december 1993, NJ 1994, 686 en de concl. OM (Strikwerda) onder 11 voor HR 9 september 1994, NJ 1995, 285.

12 Verzekering ten behoeve van een derde, diss. (1996), blz. 289-290.

13 Proces-verbaal van verhoor van de getuige Molenaar d.d. 24 juni 1996.

14 Eggens, t.a.p. blz. 385 en Asser/Hartkamp 4-II 1997, nr. 280.

15 Dit betekent dat de door de kantonrechter gewezen vonnissen mijns inziens het meest recht doen aan de belangen van partijen. Inmiddels kan niet worden ontkend dat deze vonnissen op gespannen voet staan met het thans geldende recht.

16 Aldus onder meer Van der Heijden, Uitleg van CAO-bepalingen, Arbeidsrecht 1994, blz. 4, Tjittes, Brunner-bundel blz. 409, Kraamwinkel, Grammaticale uitleg van CAO-bepalingen, SMA 1997, blz. 403, Van Slooten, De aard en werking van het sociaal plan, SR 1995, blz. 364 (nr. 4.2 slot) en Duk, De Hoge Raad en uitleg van CAO’s, SMA 1998, blz. 471 ("Met de aanpak van de Hoge Raad in de arresten sinds september 1993 wordt in feite de grammaticus in de rechter aan de macht geholpen").

Sagel, in zijn in noot 8 aangehaalde opstel, neemt een (mij) niet geheel duidelijke positie in. Enerzijds aanvaardt hij de grammaticale interpretatie als toepasselijke norm (“Mijns inziens zullen CAO-bepalingen altijd grammaticaal uitgelegd moeten worden, ongeacht wie er om uitleg vraagt” - blz. 25). Maar anderzijds komt hij aan het slot van zijn bijdrage tot een opvatting die zijn uitgangspunt lijkt te ondergraven en die - meen ik - tendeert naar een objectiverende uitleg.

17 Evenzo Valk, NTBR 1994, blz. 112. Voorts is in het - onder mijn voorzitterschap gewezen - arrest van het hof Amsterdam van 31 oktober 1996, JAR 1996, 246, o.m. overwogen: “De bijzondere aard van de CAO-bepalingen (...) staat echter niet eraan in de weg deze bepalingen mede naar hun kennelijke strekking en maatschappelijke betekenis uit te leggen” (rov. 4.9).

18 Asser/Scholten (Algemeen deel), 1974, blz. 38: “De uitlegging naar taalgebruik wijst boven zichzelf uit”.

19 Aldus de A-G Koopmans in diens conclusie voor HR 3 mei 1996, NJ 1996, 523: "De uitlegging van algemeen verbindend verklaarde, en dus als `recht' te beschouwen, bepalingen van CAO’s kan daarom niet afhangen van de vraag wie daarop een beroep doet: de betekenis van rechtsregels wisselt niet per procedure." Naar mijn mening dient hetzelfde te gelden voor niet algemeen verbindend verklaarde CAO’s. Evenzo Kraamwinkel, t.a.p. blz. 404-405 en Van der Heijden en Heerma van Voss, Kroniek van het sociaal recht, NJB 1995, blz. 359 (“een nuance te ver”). De consequentie van een verschillende uitleg al naar gelang de persoon van de eiser werd echter uitdrukkelijk aanvaard door rechtbank Den Haag 5 oktober 1994, JAR 1994/245.

20 Zie in algemene zin Van der Hulst, Het sociaal plan, diss. 1999, blz. 81 e.v..

21 Bevestigend: Boot, De zieke werknemer in het Sociaal Plan, TVVS 1996, blz. 218; Fase, CAO-recht, 1982, blz. 24. Jansen, Gebondenheid van werknemer en rechter aan het Sociaal Plan, als CAO overeengekomen, Arbeidsrecht 1997, blz. 10; Loonstra, Het bereik van de ontbindingsprocedure ex art. 7:685 BW, 2e druk, 1997, blz. 37-38. Losbl. Arbeidsovereenkomst (Olbers), art. 1 Wet CAO aant. 4. Van Slooten, t.a.p. blz. 363-364; Trap/Charbon, Gebondenheid aan Sociaal Plan van individuele werknemer?, Arbeidsrecht 1994, blz. 17. Van Tongeren, Gebondenheid van de ongebonden werknemer, SR 1997, blz. 48.

Aarzelend: Loonstra, Collectieve afvloeiingsregelingen: Het sociaal plan, in: Afvloeiingsregelingen in het arbeidsrecht, 2e druk, (1999), blz. 186.

Ontkennend: Slagter in een noot bij: Rb. Breda, 22 september 1981, TVVS 1982, blz. 251; wellicht ook: J. van Schaik, Externe beïnvloeding van de besluitvorming van ondernemingen bij fusies, reorganisaties en bedrijfssluitingen, in: Collectief arbeidsrecht nader beschouwd, 1984, blz. 119.

22 HR 20 maart 1998, NJ 1998, 815.

23 Rb. Amsterdam 29 november 1995, JAR 1995, 269; Ktg. Gouda 1 oktober 1996, JAR 1996, 223. Zie over deze rechtspraak ook: Kraamwinkel, t.a.p. blz. 402.

24 HR 19 juni 1987, NJ 1988, 70; HR 19 december 1997, NJ 1998, 403; HR 5 februari 1999, NJ 1999, 307.