Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA5959

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
R99/168HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5959
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 310
JWB 2000/76

Conclusie

Rek.nr. R99/168HR Mr Strikwerda

Parket, 18 febr. 2000 conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

1. [Verweerster 1]

2. [Verweerster 2]

3. [Verweerster 3]

Edelhoogachtbaar College,

1. Ingevolge art. 1:69 lid 1 BW kan op grond dat de echtgenoten niet de vereisten in zich verenigden om tezamen een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van het huwelijk worden verzocht. Bevoegd om de nietigverklaring te verzoeken zijn de bloedverwanten in opgaande lijn van een der echtgenoten (sub a), ieder der echtgenoten (sub b) en het openbaar ministerie (sub d). Voorts is daartoe bevoegd een ieder die bij de nietigverklaring "een onmiddellijk rechtsbelang" heeft (sub c). In deze zaak gaat het om de vraag of een erfrechtelijke belang kan worden aangemerkt als "een onmiddellijk rechtsbelang" in de zin van art. 1:69, lid 1, aanhef en sub c, BW en, zo ja, welke eisen dan aan dat belang moeten worden gesteld.

2. In cassatie dient van het volgende te worden uitgegaan (zie r.o. 2.1 t/m 2.3 en r.o. 3.1 van de bestreden beschikking).

(i) [De echtgenote], geboren te [woonplaats A] [België] op [geboortedatum] 1913, is op 15 februari 1996 te [woonplaats B] in het huwelijk getreden met verzoeker van cassatie (hierna: [verzoeker]) zonder op enig moment huwelijkse voorwaarden te hebben gemaakt.

(ii) [De echtgenote] is op 23 mei 1996 te [woonplaats B] overleden.

(iii) [De echtgenote] was een nicht van de - overleden - moeder van verweersters in cassatie (hierna: [verweersters]).

(iv) Als echtgenoot van [de echtgenote] is [verzoeker] uit hoofde van de artt. 4:899 en 899a BW enig erfgenaam van [de echtgenote]. Bij nietigverklaring van het huwelijk tussen [de echtgenote] en [verzoeker] behoren [verweersters] tot de wettige erfgenamen van [de echtgenote].

3. Op 29 januari 1998 hebben [verweersters] bij de Rechtbank te Amsterdam een verzoekschrift ingediend strekkende tot nietigverklaring van het huwelijk tussen [de echtgenote] en [verzoeker]. Zij hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat de geestesvermogens van [de echtgenote] op de dag van de huwelijkssluiting dusdanig gestoord waren, dat zij niet in staat was om haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen, aangezien [de echtgenote] op die dag en gedurende de daaraan voorafgaande periode dement was. Als hun onmiddellijk rechtsbelang bij de nietigverklaring van het huwelijk hebben [verweersters] aangevoerd dat zij bij nietigverklaring van het huwelijk als erfgenamen in de nalatenschap van [de echtgenote] zullen optreden in plaats van [verzoeker].

4. [Verzoeker] heeft tegen het verzoek verweer gevoerd. Primair heeft hij aangevoerd dat [verweersters] in hun verzoek niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. [Verzoeker] heeft daartoe gesteld dat het door [verweersters] aangevoerde erfrechtelijke belang bij de nietigverklaring van het huwelijk niet kan worden aangemerkt als een onmiddellijk rechtsbelang in de zin van art. 1:69, lid 1, aanhef en sub c BW, aangezien dat belang slechts een financieel belang is en bovendien niet kan gelden als een reeds verkregen en dadelijk belang, nu [verweersters] pas nadat het huwelijk nietig is verklaard als erfgenamen kunnen worden aangemerkt. Subsidiair heeft [verzoeker] betwist dat [de echtgenote] niet in staat was haar wil te bepalen.

5. Bij haar beschikking van 14 oktober 1998 heeft de Rechtbank het primaire verweer van [verzoeker] verworpen en [verweersters] ontvankelijk verklaard in hun verzoek. [Verweersters] werden toegelaten tot bewijs van hun door [verzoeker] bestreden stelling dat [de echtgenote] op de dag van de huwelijkssluiting haar wil niet heeft kunnen bepalen omdat zij op die dag en gedurende de daaraan voorafgaande periode dement was.

6. [Verzoeker] is van de beschikking van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam en heeft verzocht [verweersters] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek. Hij had geen succes; bij beschikking van 29 juli 1999 heeft het Hof de beroepen beschikking, voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, bekrachtigd. Het Hof was van oordeel dat [verweersters] een erfrechtelijk belang hebben bij nietigverklaring van het huwelijk tussen [de echtgenote] en [verzoeker] en dat dit belang moet worden aangemerkt als "een onmiddellijk rechtsbelang" in de zin van art. 1:69, lid 1, aanhef en sub c, BW. Het Hof baseerde dit oordeel enerzijds op de wetsgeschiedenis en anderzijds op de overweging dat aan die bepaling "vrijwel iedere redelijke betekenis zou komen te ontvallen wanneer een erfrechtelijk belang niet als een onmiddellijk rechtsbelang zou kunnen worden aangemerkt".

7. [Verzoeker] is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. [Verweersters] hebben een verweerschrift ingediend en daarbij verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

8. Het middel klaagt dat het Hof het recht heeft geschonden door te oordelen dat [verweersters] een onmiddellijk rechtsbelang hebben als bedoeld in art. 1:69, lid 1, aanhef en sub c, BW en hen dienovereenkomstig ontvankelijk te verklaren in hun verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk tussen [verzoeker] en [de echtgenote]. Deze algemene klacht werkt het middel uit in twee deelklachten.

9. De eerste deelklacht (cassatierekest onder 2.1 en 2.2) houdt in dat het Hof heeft miskend dat het erfrechtelijk belang van [verweersters] niet kan worden aangemerkt als een reeds verkregen belang, aangezien [verweersters] ten tijde van de huwelijkssluiting niet de positie van wettig erfgenaam hadden in de zin van art. 1:69, lid 1, aanhef en sub c, BW. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, kunnen [verweersters] door de nietigverklaring van het huwelijk dus ook niet worden hersteld in een positie die zij reeds voor het huwelijk hadden, aldus het middel.

10. De klacht is naar mijn oordeel ongegrond. In zijn beschikking van 11 februari 2000, rek.nr. R99/018HR, heeft de Hoge Raad beslist dat de vraag of een (louter) erfrechtelijk belang een onmiddellijk rechtsbelang is in de zin van art. 1:69, lid 1, aanhef en onder c, BW bevestigend moet worden beantwoord. Daartoe overwoog de Hoge Raad (r.o. 4.2):

"Art. 1:69, lid 1, aanhef en sub c, is ontleend aan art. 148 (oud) BW. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de eerstgemelde bepaling blijkt dat het de bedoeling is geweest dat met de term "een onmiddellijk rechtsbelang" tot uitdrukking wordt gebracht hetgeen met "een reeds verkregen en dadelijk belang" is bedoeld in art. 148 (oud) BW (Parl. Gesch. Boek 1, blz. 213). De ontstaansgeschiedenis van deze laatste bepaling laat zien dat ook een erfrechtelijk belang onder dat belang begrepen wordt."

Een erfrechtelijk belang bij een verzoek tot nietigverklaring van een huwelijk kan in beginsel slechts retrospectief worden vastgesteld, dat wil zeggen door een vergelijking van de erfrechtelijke positie van verzoekers na de dood van de erflater met en zonder het huwelijk. Ten tijde van de huwelijkssluiting bestaan immers geen erfrechtelijke aanspraken, doch hooguit verwachtingen van erfrechtelijke aanspraken. Dat geldt - in ieder geval wat de omvang van de aanspraken betreft - ook voor legitimarissen. Hieruit volgt dat aan het erfrechtelijk belang als onmiddelijk rechtsbelang in de zin van art. 1:69, lid 1, aanhef en sub c, BW niet de eis kan worden gesteld dat de verzoekers ten tijde van de huwelijkssluiting reeds een erfrechtelijke aanspraak hadden op het vermogen van de erflater. Waar vaststaat dat [verweersters] na vernietiging van het huwelijk tussen [de echtgenote] en [verzoeker] als wettig erfgenaam van [de echtgenote] gelden, terwijl zij, zonder die nietigverklaring, geen erfrechtelijke aanspraken hebben, heeft het Hof het recht niet geschonden door te oordelen dat het belang van [verweersters] als erfrechtelijk belang is aan te merken als een onmiddellijk rechtsbelang in de zin van art. 1:69, lid 1, aanhef en sub c, BW.

11. De tweede deelklacht (cassatierekest onder 2.3 en 2.4) houdt in dat het Hof het erfrechtelijke belang van [verweersters] ten onrechte als een "dadelijk" belang heeft aangemerkt, aangezien dat belang, nu [verweersters] erfgenamen zijn in de vijfde graad in de zijlinie, niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een zuiver financieel belang. Een zodanig belang is, gezien HR 30 september 1954, NJ 1954, 633, niet voldoende om ontvankelijk te zijn in een verzoek tot nietigverklaring van het huwelijk van de erflater, aldus het middel.

12. Ook deze klacht kan m.i. niet tot cassatie leiden. HR 30 september 1954, NJ 1954, 633 nt. HB, had niet betrekking op de vraag wat verstaan moet worden onder "een reeds verkregen en dadelijk belang" als bedoeld in art. 148 (oud) BW, maar op de vraag wie als "belanghebbende" in de zin van art. 345 lid 2 Rv hoger beroep kan instellen tegen een beschikking waarbij een huwelijk nietig is verklaard. In het berechte geval was het Nederlands Beheersinstituut door het Hof niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een beschikking van de Rechtbank waarbij een huwelijk nietig was verklaard. Als gevolg van de nietigverklaring verloor het instituut het beheer over het vermogen van de echtgenoot namens wie de nietigverklaring was verzocht. De Hoge Raad verwierp het tegen de beslissing van het Hof ingestelde cassatieberoep en oordeelde dat het hier door het Beheersinstituut vertegenwoordigde, enkel financiële belang een belang is dat zich niet mag doen gelden bij de zuiver familierechtelijke beslissing over de al dan niet nietigverklaring van een huwelijk, zodat het Nederlands Beheersinstituut te dezen niet als "belanghebbende" in de zin van art. 345 Rv kan worden beschouwd.

13. Daargelaten de vraag of een potentiële erfgenaam een verhevener positie heeft dan een beheersinstituut (vgl. M.J.A. van Mourik, Geestelijke stoornis in het huwelijksverwmogensrecht en erfrecht, in: K. Blankman e.a., De persoon van de geestelijk gestoorde en de gehandicapte, 1987, blz. 59 e.v., blz. 62/63) en ook daargelaten de vraag waarin de meerwaarde van een erfrechtelijk belang boven een louter financieel belang schuilt, kan uit de zojuist genoemde beschikking van de Hoge Raad niet worden afgeleid dat aan een eenmaal vastgesteld erfrechtelijk belang de eis moet worden gesteld dat het meer is dan een zuiver financieel belang om te kunnen gelden als een "onmiddellijk rechtsbelang" in de zin van art. 1:69 lid 1, aanhef en sub c, BW. Vgl. de conclusie van de A-G Langemeijer onder 3.5 voor HR 19 juni 1998, NJ 1998, 777.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,