Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA5950

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/285HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5950
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 318
JWB 2000/71

Conclusie

Rolnummer C98/285 mr De Vries Lentsch - Kostense

Zitting 10 maart 2000 Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

N.V. Eneco

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1. Thans eiser tot cassatie (verder: [eiser]) komt op tegen het tussenvonnis van de Kantonrechter te Rotterdam van 22 augustus 1997, bij welk vonnis werd geoordeeld dat zijn vorde-ring tegen thans verweerster in cassatie (verder: Eneco) vooralsnog niet was komen vast te staan en waarbij hij met bewijs werd belast, alsmede tegen het op dat tussenvonnis voortbouwende eindvonnis van 20 maart 1998 waarbij zijn vorde-ring werd afgewezen na de constatering dat hij in dat bewijs niet was geslaagd.

Aangezien het in casu gaat om een cassatieberoep tegen een tussen- en een eindvonnis van een kantonrechter kan niet worden geklaagd over "schending van het recht"; art. 100 RO laat dat niet toe. Over onbegrijpelijkheid van de motivering kan wel worden geklaagd; kan een motiveringsklacht niet worden beoordeeld zonder daarin mede te betrekken de juistheid van de rechtsopvattingen waarvan de kantonrechter is uitgegaan, dan stuit de klacht eveneens af op art. 100 RO. Dat art. 100 RO een vreemde bepaling is met ongewenste consequenties, is al vaak genoeg betoogd. Ik volsta hier met een verwijzing naar de conclusie van mijn oud-ambtgenoot Vranken (met verdere verwij-zingen) voor Uw arrest van 13 december 1996, NJ 1998, 46, m.nt. HJS. Art. 100 RO is ook een moeilijk te hanteren bepa-ling omdat niet goed is af te bakenen wanneer een klacht wel of niet door de bepaling wordt bestreken. Bij de bespreking van het middel moet onder ogen worden gezien of het middel zuivere motiveringsklachten bevat en of die klachten slagen. Eerst geef ik een overzicht van de feiten en van het verloop van het geding.

2. Tussen partijen staat het volgende vast:

i) [Eiser] heeft met Eneco met ingang van 1 november 1996 een overeenkomst gesloten tot levering van gas en elektrische energie in de door [eiser] gehuurde woning aan de [adres] te [woonplaats].

ii) Op deze overeenkomst zijn van toepassing de algemene voorwaarden voor elektrische energie, gas en warmte van Eneco.

iii) Op 5 december 1996 is de gasmeter in de woning van [eiser] door Eneco verwijderd.

iv) De levering van gas en energie aan eiser is met ingang van diezelfde datum door Eneco gestaakt.

v) [Eiser] heeft op 31 januari 1997 een bedrag van f 594,93 aan Eneco voldaan.

vi) Op 4 februari 1997 is de gas- en energielevering door Eneco hervat.

3. [Eiser] heeft gevorderd Eneco te veroordelen tot betaling van f 1.724,95 (met rente en kosten), waarvan f 1.130.02 als schadevergoeding wegens wanprestatie en f 594,93 uit onver-schuldigde betaling. Hij stelde daartoe dat Eneco wanprestatie heeft gepleegd door de levering van gas en energie met ingang van 5 december 1996 te stoppen en dat de daardoor veroorzaak-te, door Eneco te vergoeden, schade moet worden begroot op twee maanden huur nu hij, [eiser], in de bewuste periode geen gebruik heeft kunnen maken van zijn huurwoning. [Eiser]s vorde-ring uit onverschuldigde betaling betreft de door [eiser] onder protest betaalde door Eneco verzonden "fraudenota" van

f 594,93.

Eneco heeft [eiser]s vordering gemotiveerd en onder over-legging van een aantal produkties betwist. In dat verband heeft zij betoogd dat de op 5 december 1996 verwijderde gasme-ter de in een andere woning thuishorende gasmeter is die sinds medio september 1997 werd vermist, dat twee van haar fraudeme-dewerkers hebben geconstateerd dat deze gasmeter met nummer [001] door een niet ter zake kundig persoon was aangesloten en dat dit laatste moet hebben plaatsgevonden in de periode tussen 1 november 1996 en 5 december 1996 aangezien op 1 november 1996, de dag waarop het meternummer en de uitschakel-standen van de vorige bewoner zijn genoteerd, nog de (regulie-re) gasmeter met meternummer [002] is aangetroffen. Zij heeft geconcludeerd dat [eiser] als huurder van de woning en contractspartij aansprakelijk is. Onder verwijzing naar haar algemene voorwaarden heeft zij aangevoerd dat zij gerechtigd was de energievoorziening aan [eiser] tijdelijk op te schorten toen zij de gevaarlijke, niet reguliere, gasmeter aantrof, dat zij gerechtigd was tot de bij de "fraudenota" in rekening gebrachte boete en kosten en dat de opschorting kon blijven bestaan zolang deze nota niet was betaald.

[Eiser] heeft betoogd dat de "gevaarlijke" gasmeter zich reeds in zijn woning moet hebben bevonden toen hij deze be-trok.

4. De Kantonrechter heeft in het gewraakte tussenvonnis van 22 augustus 1997 als volgt geoordeeld:

"Overwogen wordt dat de vordering van eiser door de gemoti-veerde en met produkties gestaafde betwisting van gedaagde vooralsnog niet vast is komen te staan.

Met gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde overeenkomstig haar algemene voorwaarden en gelet ook op het grote belang van derden bij een goede energievoorziening zonder gevaar voor gaslekken en dergelijke, op dat moment toen zij de gevaarlijke gasmeter aantrof, gerechtigd was onder die omstandigheden de energievoorziening aan eiser tijdelijk te staken.

Mitsdien rust op eiser als huurder van de betreffende woning de bewijslast, dat de gasmeter met nummer [001] bij aanvang van de huurovereenkomst op 1 november 1996 reeds in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aanwezig was. Mitsdien zal eiser worden toegelaten tot dit bewijs. Na de bewijsvoering zal nader worden beslist."

Bij eindvonnis heeft de Kantonrechter, zoals gezegd, [eiser]s vordering afgewezen na te hebben overwogen dat [eiser] niet in het hem opgedragen bewijs was geslaagd.

5. [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Tegen Eneco is verstek verleend.

Het cassatiemiddel

6. Het middel richt zich tegen de hiervoor geciteerde rechtsoverweging van het tussenvonnis; het acht "dit vonnis en de motivering daarvan onbegrijpelijk" zowel ten aanzien van de vordering uit onverschuldigde betaling als ten aanzien van de vordering wegens wanprestatie. Middelonderdeel A licht deze "motiveringsklacht" nader toe ten aanzien van eerstgenoemde vordering, middelonderdeel B ten aanzien van de andere vorde-ring.

7. Middelonderdeel A stelt voorop dat de ontvanger van een betaling, in casu Eneco, feiten en omstandigheden moet stellen en bewijzen waardoor de rechtsgrond voor de betaling kan komen vast te staan zodat de Kantonrechter Eneco had moeten belasten met het bewijs van de stellingen die aan "haar vorderingen" ten grondslag liggen. Geklaagd wordt dat de Kantonrechter het tussenvonnis niet naar behoren met redenen heeft omkleed door niettemin de bewijslast bij [eiser] te leggen zonder dat op enige wijze te motiveren.

8. Voorzover het middelonderdeel beoogt te klagen dat de Kantonrechter is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bewijslastverdeling, stuit het af op art. 100 RO. Overigens zou de rechtsklacht ook bij toepasselijkheid van art. 99 RO falen: het kennelijk door de Kantonrechter gehan-teerde uitgangspunt dat volgens de hoofdregel van art. 177 Rv. [eiser] dient te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zijn betaling zonder rechtsgrond was, is juist nu volgens deze hoofdregel de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten, de bewijslast van die feiten draagt. Het komt mij voor dat de klacht dat de Kantonrechter had moeten motiveren waarom hij de bewijslast - in afwijking van de hoofdregel van bewijslastverdeling - bij [eiser] legde, eveneens afstuit op art. 100 RO nu deze klacht reeds gezien haar formulering en het expliciet aan haar ten grondslag gelegde uitgangspunt dat de bewijslast in beginsel op Eneco rustte, niet kan worden beoordeeld zonder daarin mede te betrekken de juistheid van het kennelijk door de Kantonrechter gehanteerde en door het middelonderdeel gewraakte uitgangspunt dat de bewijslast volgens genoemde hoofdregel van bewijslast-verdeling op [eiser] rustte. Voorts ziet het middelonderdeel eraan voorbij dat in de bestreden overwegingen is aangegeven dat [eiser] met het bewijs is belast omdat zijn vordering gezien de gemotiveerde betwisting niet is komen vast te staan en dat de rechter niet is gehouden nader te motiveren waarom hij de bewijslast verdeelt conform de hoofdregel van art. 177 Rv., terwijl overigens evenmin steeds een bijzondere motive-ringsplicht op de rechter rust wanneer hij op grond van het slot van art. 177 Rv. van die hoofdregel afwijkt. Zie Uw arrest van 31 oktober 1997, NJ 1998, 85.

9. Middelonderdeel B betoogt met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie dat de Kantonrechter had moeten beoordelen of aan Eneco (die weigerde de leverantie van energievoorziening te hervatten zolang de zogenaamde "fraudenota" niet werd betaald) ter zake van haar leverings-verplichting een opschortingsrecht toekwam wegens haar vorde-ring van f 594,93 op [eiser]; geklaagd wordt dat het bestreden tussenvonnis niet naar behoren is gemotiveerd nu de Kanton-rechter zulks heeft nagelaten, althans zich slechts heeft beperkt tot de vraag of de vordering bestond.

10. Dit middelonderdeel faalt reeds omdat het eraan voorbij-ziet dat de Kantonrechter in de bestreden overwegingen wel degelijk heeft geoordeeld dat aan Eneco een opschortingsrecht toekwam. Daarbij teken ik aan dat de bestreden overwegingen aldus moeten worden gelezen dat de Kantonrechter voorshands heeft gehonoreerd het met produkties gestaafde verweer van Eneco dat zij (Eneco) gezien de in de woning van [eiser] aang-etroffen gevaarlijke, clandestiene, meter op grond van haar algemene voorwaarden was gerechtigd tot opschorting van haar energieleveranties en voorts tot de aan [eiser] bij de "fraude-nota" in rekening gebrachte bedragen en derhalve tevens tot opschorting van haar leveranties totdat die bedragen waren voldaan. Voorzover het middelonderdeel beoogt te klagen dat de Kantonrechter heeft miskend dat pas sprake is van een opschor-tingsrecht ingeval is voldaan aan de vereisten van art. 6:52 BW en dat er sprake is van strijd met art. 6:236 aanhef en onder c BW voorzover de algemene voorwaarden en verdergaande bevoegdheid tot opschorting toekennen, stuit deze klacht - wat er overigens van zij - reeds af op art. 100 RO.

11. Het middel bevat geen zelfstandige klacht tegen het eindvonnis; het klaagt - onder punt 4 - dat het eindvonnis voortbouwt op het tussenvonnis zodat ook dit eindvonnis niet naar behoren is gemotiveerd. Reeds omdat deze klacht voort-bouwt op de hiervoor besproken klachten, moet zij het lot daarvan delen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden