Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA5784

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/283HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5784
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 280
NJ 2001, 300
RvdW 2000, 125
VR 2001, 77
JWB 2000/56

Conclusie

Mr. Hartkamp

Conclusie inzake

nr. C98/283 [eiseres]

zitting 11 febr. 2000 tegen

[verweerster]

Edelhoogachtbaar College,

Feiten en procesverloop

1) De rechtbank te Amsterdam heeft in haar vonnis van 2 juli 1997 in r.o. 1 vastgesteld dat partijen zusters zijn; dat [eiseres] (principaal eiseres tot cassatie) [verweerster] (verweerster in cassatie, incidenteel eiseres) op 10 mei 1994 heeft geholpen met het inrichten van een nieuwe wo-ning; dat zij daartoe in het flatgebouw waarin zich die woning bevond, een linnenkast wilden vervoeren vanuit de berging naar de woning; dat zij de kast een korte trap op moesten dragen, aan de bovenkant waarvan zich een deur met dranger bevond die toegang gaf tot het trapportaal van het gebouw; dat [eiseres] voorop ging en met haar rechterarm de deur openhield; en dat toen de kast in aanraking met die arm is gekomen waardoor haar rechterpols bekneld is geraakt. Dit heeft tot ernstig letsel geleid.

Het Gerechtshof te Amsterdam is in zijn arrest van 16 april 1998 ook van deze feiten uitgegaan en heeft vervolgens met betrekking tot de precieze toedracht van het ongeval overwogen dat de kast uit [verweerster]'s handen is geglipt omdat zij haar evenwicht verloor terwijl de zusters de kast horizontaal draaiden; dat [eiseres] de kast tijdens die manoeuvre slechts met haar linkerhand (bovenaan) vasthield, terwijl zij met haar rechterhand de deur openhield; dat de draaimanoeuvre daarom (hoofdzakelijk) door [verweerster] werd verricht; dat de kast [verweerster] voor beide partijen onverwacht is ontglipt en dat zij deze vervolgens in een wanhopige reactie een duw naar boven heeft gegeven.

2) Het hof heeft hieraan de volgende conclusies ver-bonden

a) [Verweerster] heeft het reële gevaar in het leven geroepen dat (één van beide) partijen de controle over de kast zouden verliezen en dat [eiseres] als gevolg daarvan schade zou oplopen. [Verweerster] kan worden verweten, aldus het hof, dat zij, door [eiseres] aan dat gevaar bloot te stellen, zich onvoldoende zorgvuldig en daarmee onrechtmatig tegenover haar heeft gedragen (r.o. 4.6).

b) Vervolgens heeft het hof - anders dan de rechtbank, die [verweerster] ook aansprakelijk had geacht - in r.o. 4.7 geoordeeld dat [verweerster]'s schadevergoedingsplicht krachtens art. 6:1011 tot de helft dient te worden verminderd omdat 'de wijze waarop de kast vanuit de berging naar [verweerster]'s woning werd getransporteerd (daaronder begrepen de hiervoor onder 4.6, eerste volzin omschreven handelingen en de rolverdeling van partijen daarbij), tenminste met instemming van [eiseres] is bepaald. Daardoor heeft ook [eiseres] het onder 4.6 omschreven gevaar in het leven geroepen en wel in gelijke mate als [verweerster].'

In r.o. 4.8 voegt het hof daaraan nog toe dat aan het voorgaande (kennelijk: het in r.o. 4.7 omtrent 'eigen schuld' overwogene) niet afdoet dat de schade is ontstaan nadat [verweerster] de kast een duw naar boven had gegeven. Dat was een wanhopige reactie, aldus het hof, zodat die duw moet worden beschouwd

'als een uitsluitend gevolg van de gevaarssitua-tie die door beide partijen gelijkelijk in het leven is geroepen.'

3) Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld. Het principale beroep is (tijdig) ingesteld door [eiseres] en is gericht tegen de beslissing omtrent de 'eigen schuld'. Het incidentele beroep zijdens [verweerster] betreft de beslissingen omtrent onrechtmatigheid en aansprakelijkheid. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht.

Bespreking van de cassatiemiddelen

4) Ik begin met het cassatiemiddel in het (onvoorwaardelijk ingestelde) incidentele beroep, dat uit vier onderdelen bestaat. Ik meen dat dit middel tevergeefs wordt voorgesteld.

a) De beslissing van het hof in r.o. 4.6 geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij komt erop neer dat [verweerster] naar 's hofs oordeel meer risico heeft genomen dan redelijkerwijze verantwoord was, een criterium dat door beide partijen in deze zaak is aanvaard en dat overeenstemt met de rechtspraak van uw Raad in een bekend arrest over een 'ongelukkige samenloop van omstandigheden'; zie HR 11 dec. 1987, NJ 1988, 393 m.nt. G. De beslissing is sterk met de beoordeling van de feiten van het geval verweven, zodat zij zich voor het overige slechts voor een beperkte cassa-tiecontrole leent. De motivering acht ik niet onbegrijpelijk en ook overigens toereikend. Hierop stuiten de onderdelen 1.1 en 1.2 (voor zover zij geen feitelijke grondslag missen) af.

b) Onderdeel 1.3 miskent dat het hof de bedoelde stelling van [verweerster] klaarblijkelijk in zijn beslissingen omtrent onrechtmatigheid en (met name) 'eigen schuld' heeft verdisconteerd; dit is m.i. correct, omdat 'risicoaanvaar-ding' naast die beide vragen geen zelfstandige betekenis heeft (zie HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622 m.nt. CJHB en 11 dec. 1992, NJ 1993, 175). Daarbij verdient aandacht dat [verweerster] zelf in verschillende processtukken het beroep op risicoaanvaarding en dat op eigen schuld heeft gecombineerd; zie bijv. conclusie van antwoord nr. 7, conclusie van dupliek nr. 7.

c) Onderdeel 4 verwijt het hof geen aandacht te hebben besteed aan het beroep van [verweerster] op de onvoorzienbaarheid van de schade die [eiseres] heeft geleden2: die schade zou der-mate onvoorzienbaar zijn dat zij niet aan [verweerster] is toe rekenen. Deze stelling berust m.i. op een te beperkte opvatting omtrent de betekenis van het in de rechtspraak gebezigde begrip 'veiligheidsnorm'; onder dat begrip valt immers ook een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm als in casu aan de orde, waarvan de schending tot letselschade leidt. Vgl. HR 13 jan. 1995, NJ 1997, 175 m.nt. CJHB. Dit zo zijnde, kan het hof niet worden verweten dat het niet expliciet op het - blijkens constante rechtspraak van de Hoge Raad evident kansloze - verweer heeft gerespondeerd. Zie Losbl. Schadevergoeding (Boonekamp), art. 98, aant. 29.3 en 45, Asser-Hartkamp 4-I (1996), nr. 434 (sub 3).

5) Ook het principale cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen.

a) Dat onderdeel 1 niet tot cassatie kan leiden werd reeds opgemerkt in noot 1 hiervóór.

b) Onderdeel 2 onder a stuit af op een aan het hof voorbehouden vaststelling van de feiten van het geval, waarbij het hof kennelijk mede rekening heeft gehouden met het ervaringsfeit dat indien twee in verhuizen onervaren personen, in casu zusters, een linnenkast gaan transporte-ren, zij in onderling overleg plegen te bepalen op welke wijze het transport moet plaatsvinden.

c) De onderdelen 2 onder b en 3 miskennen dat het hof de beslissing omtrent 'eigen schuld' niet louter heeft gebaseerd op hetgeen zich voordeed op de trap onmiddellijk voorafgaande aan het ongeval, maar op de in het transporteren van de kast als zodanig gelegen, door beide zusters tezamen in het leven geroepen gevaarssituatie. Zie hiervóór, nr. 2 onder b. Deze beslissing geeft m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

d) Onderdeel 4 refereert aan de opmerking van [eiseres] (memorie van antwoord nr. 26) dat [verweerster]'s stelling, dat het niet redelijk is haar aansprakelijk te houden, grond mist, omdat [verweerster] bij RVS een verzekering heeft gesloten tegen wettelijke aansprakelijkheid. Het onderdeel betoogt dat deze opmerking ('stelling', zegt het onderdeel) niet anders kan worden begrepen dan als een beroep op de in art. 6:101 BW vervatte billijkheidscorrectie, waaraan het hof echter geen aandacht heeft besteed. Ik meen dat het onderdeel tevergeefs wordt voorgesteld. Het hof heeft die opmerking kennelijk "at face value" genomen; het behoefde daarin geenszins te lezen een beroep op de billijkheidscorrectie voor het geval het hof [verweerster] aansprakelijk zou achten, en met name strekkende ten betoge dat het hof alsdan het resultaat van de causaliteitsafweging krachtens art. 6:101 op grond van de billijkheid ten gunste van [eiseres] zou moeten corrigeren.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

(Advocaat-Generaal)

Het hof schrijft 102, maar dat is natuurlijk een verschrijving. Onderdeel 1 van het principale cassatiemiddel stuit hierop af.

2 De beknelling van de arm heeft geleid tot een - volgens [verweerster] uiterst zeldzame, hetgeen overigens door [eiseres] is betwist - posttraumatische spierdystrofie en vervolgens - toen alle behandelingen zonder resultaat bleven - tot amputatie van de onderarm.