Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA5780

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/139HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5780
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers 3, geldigheid: 2000-05-12
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 178, geldigheid: 2000-05-12
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 192, geldigheid: 2000-05-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 275
NJ 2000, 673
JWB 2000/53

Conclusie

R 99/139 HR Mr. Langemeijer

Parket, 28 januari 2000 Conclusie inzake:

[verzoekster]

tegen

de gemeente Den Haag

Edelhoogachtbaar College,

In deze zaak vordert de gemeente een IOAW-uitkering terug op grond van verzwegen samenwoning. Het cassatieberoep richt zich tegen het oordeel dat het bewijs van de gestelde samenwoning is geleverd.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

1.1.1. In het tijdvak van 3 april 1994 tot 1 januari 1997 heeft verweerster in cassatie (hierna: de gemeente) aan [de partner] een uitkering verstrekt ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)1, naar de norm voor een alleenstaande. In deze periode stond [de partner] ingeschreven als woonachtig op een adres in [woonplaats].

1.1.2. [Verzoekster], thans verzoekster tot cassatie, stond in deze periode ingeschreven als woonachtig op een adres in [woonplaats].

1.2. Het college van Burgemeester en Wethouders van Den Haag, althans de door B en W gemandateerde ambtenaar, heeft besloten de uitbetaalde uitkering van [de partner] terug te vorderen op grond van art. 25a, lid 1 aanhef en onder a en/of onder b, IOAW2. Het college van B en W stelde dat uit onderzoek was gebleken dat [de partner] sedert 1982 een duurzame gezamenlijke huishouding voerde met [verzoekster] en dat hij van deze samenwoning en van zijn verblijf in [woonplaats] ten onrechte geen mededeling aan de gemeente heeft gedaan. Daarnaast heeft het college besloten het bedrag van de aan [de partner] verstrekte uitkering terug te vorderen van [verzoekster], als de persoon met wiens inkomen bij de verlening van de uitkering rekening had moeten worden gehouden (zie art. 25b, tweede en derde lid, IOAW3). Op 14 mei 1997 is dit besluit aan [de partner] en aan [verzoekster] bekend gemaakt.

1.3. Bij inleidend verzoekschrift, ingediend op 5 juni 1997, heeft de gemeente de kantonrechter te Den Haag verzocht te bepalen dat [de partner] en [verzoekster], ieder hoofdelijk voor het geheel, een bedrag van f 59.951,69 aan de gemeente verschuldigd zijn en dat dit bedrag terstond opeisbaar zal zijn indien zij een te maken aflossingsregeling niet nakomen.

1.4. [De partner] en [verzoekster] hebben in eerste aanleg gezamenlijk verweer gevoerd. Zij ontkenden in dit tijdvak een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd.

1.5. De kantonrechter heeft bij beschikking van 11 maart 1998 het verzoek van de gemeente toegewezen. De kantonrechter heeft eerst een aantal verklaringen van [de partner] en [verzoekster] weergegeven, afgelegd ten overstaan van de sociale recherche, welke verklaringen zakelijk erop neerkwamen dat [de partner] in dit tijdvak in feite steeds op het adres van [verzoekster] verbleef en zijn woonruimte in [woonplaats] slechts als postadres aanhield. Aan de hand daarvan heeft de kantonrechter de vraag of [de partner] en [verzoekster] in dit tijdvak gezamenlijk hebben voorzien in hun huisvesting bevestigend beantwoord (rov. 5 B 7 Ktr). Vervolgens heeft de kantonrechter onderzocht of [de partner] en [verzoekster] beiden een bijdrage leverden in de kosten van de huishouding en in elkaars verzorging voorzagen. Ook dat heeft de kantonrechter als voldoende vaststaand aangenomen (rov. 8 B 10 Ktr).

1.6. [De partner] en [verzoekster] zijn afzonderlijk in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van 31 mei 1999 heeft de rechtbank de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.

1.7. [verzoekster] heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van vier middelen. Het cassatieberoep is tijdig ingesteld op maandag 2 augustus 1999, dat wil zeggen binnen 2 maanden na de dagtekening van de bestreden beschikking, mits de termijn wordt verlengd met toepassing van art. 1 van de Algemene Termijnenwet4. De gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Het uitkeringstijdvak, waarop de onderhavige terugvordering betrekking heeft, loopt van 3 april 1994 tot 1 januari 1997. De systematiek van de IOAW is geënt op die van de Algemene Bijstandswet van 1963 resp. de op 1 januari 1996 in werking getreden Algemene bijstandswet van 1995. Voor de onderhavige zaak zijn de leden 2 B 4 van art. 3 IOAW van belang. In april 1994 luidden deze:

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede als echtgenoot aangemerkt, de niet met de werkloze werknemer gehuwde persoon van hetzelfde of het andere geslacht, met wie de werkloze werknemer duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een persoon met wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.

3. Van een gezamenlijke huishouding bedoeld in het tweede lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding, dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

4. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als alleenstaande werkloze werknemer aangemerkt de niet gehuwde dan wel duurzaam gescheiden levende werkloze werknemer, die niet een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in het tweede lid, en die niet is een thuisinwonende werkloze werknemer.5

2.2. Per 1 januari 1996 werd art. 3 IOAW, voor zover van belang, gewijzigd als volgt:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. (…)

b. als echtgenoot mede aangemerkt de niet met de werkloze werknemer gehuwde persoon met wie de werkloze werknemer een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

2. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee meerderjarigen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins6.

De definitie van het begrip alleenstaande werkloze werknemer (het vroegere vierde lid van art. 3) is verhuisd naar art. 4 IOAW. Het bewijsthema in deze zaak was dus de vraag of [de partner] met [verzoekster] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, d.w.z. dat zij gezamenlijk in hun huisvesting voorzagen en beiden een bijdrage leverden in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzagen.

2.3. Middel 1 betoogt dat de rechtbank niet had mogen afgaan op de verklaringen, die beiden hebben afgelegd tegenover de sociale recherche. Die verklaringen zijn volgens het middel subjectief. Bij de beoordeling of er sprake is van een (duurzame) gezamenlijke huishouding dient volgens het middel uitsluitend rekening te worden gehouden met waarneembare feiten en met omstandigheden die niet subjectief van aard zijn.

2.4. HR 27 september 1991, NJ 1991, 787, welke uitspraak betrekking had op het aan art. 3 IOAW verwante art. 5a (oud) ABW, bouwde voort op de parlementaire geschiedenis van de laatstgenoemde bepaling. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van (duurzaam) voeren van een gemeenschappelijke huishouding is elke subjectieve benadering - en met name het “subjectieve partnerelement” - uit te sluiten. De vraag dient naar louter objectieve criteria te worden beantwoord. Als zodanig zijn onder meer genoemd de woonsituatie en de mate van financiële verstrengeling, later ook de feitelijke omstandigheid dat men elkaar over en weer verzorgt. Zie over deze maatstaf ook: HR 20 maart 1992, AB 1992, 367 m.nt. TG; HR 27 november 1992, NJ 1993, 569 m.nt. HJS; HR 22 november 1994, NJ 1995, 175 (strafzaak); HR 22 december 1995, NJ 1996, 331; HR 24 mei 1996, NJ 1996, 547 en HR 23 oktober 1998, NJ 1998, 900.

2.5. Het onderscheid objectief/subjectief vloeit hieruit voort, dat de wetgever heeft willen vermijden dat de toetsende instantie zich een oordeel aanmatigt over de (kwaliteit van de) persoonlijke relatie tussen de bijstandsontvanger en de persoon ten aanzien van wie samenwoning wordt vermoed. Zo had de rechtbank in NJ 1991, 787, waar de bijstandontvanger aanvoerde niet méér dan een kostganger te zijn, onderzocht hoe de verhouding tussen de betrokkenen door hen zelf werd beleefd en had zij geoordeeld dat niet een affectieve relatie bestond zoals die aanwezig pleegt te zijn tussen (al dan niet gehuwde) partners. Deze benadering werd door de Hoge Raad ontoelaatbaar geacht, want te subjectief. Hetzelfde gebeurde in NJ 1998, 900: de omstandigheid dat de man “huiselijke gezelligheid” als tegenprestatie stelt tegenover de verzorging die de vrouw hem bood, werd door de Hoge Raad beschouwd als een omstandigheid van een zo subjectieve aard dat zij niet in de afweging kon worden betrokken.

2.6. In het onderhavige geval heeft de kantonrechter (rov. 5) overwogen dat de feitelijke situatie bepalend is en niet de intentie van partijen. De rechtbank heeft geen andere maatstaf gehanteerd. Zij heeft onderzocht of [de partner] en [verzoekster] in de desbetreffende periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank preciseert dit in rov. 3.2 als: “gezamenlijk voorzien in huisvesting èn blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins”. Ten bewijze daarvan verwijst de rechtbank naar de verklaringen die [de partner] en [verzoekster] hebben afgelegd ten overstaan van de sociale recherche. Uit dit alles blijkt niet van een ontoelaatbaar subjectieve benadering: de rechtbank heeft zich in geen enkel opzicht ingelaten met de aard of de kwaliteit van de persoonlijke verhouding tussen [de partner] en [verzoekster]. In zoverre faalt de klacht.

2.7. Middel 1 bevat ook nog een motiveringsklacht, te weten: dat de enkele erkenning van [de partner] en [verzoekster] van het samenwonen onvoldoende is om daaruit af te kunnen leiden dat er sprake is van een financiële verstrengeling als bedoeld in NJ 1993, 569. Deze klacht treft geen doel. In NJ 1993, 569, werd de gezamenlijke huishouding ontkend en ging het om de vraag of het delen van bepaalde kosten voldoende was om daaruit een wederzijdse verzorgingsrelatie af te leiden. In dit geval echter hebben [de partner] en [verzoekster], volgens de rechtbank, tegenover de sociale recherche erkend in de desbetreffende periode een gezamenlijke huishouding te hebben gevoerd (rov. 3.2). Daarvan uitgaande, was er, om de beslissing begrijpelijk te doen zijn, geen noodzaak om naast dit bewijsmiddel nog andere bewijsmiddelen te vermelden waaruit de aanwezigheid van een financiële verstrengeling blijkt.

2.8. Middel 2 klaagt over onbegrijpelijkheid van de redengeving; met name uit de energierekening zou de gevolgtrekking van een gezamenlijke huishouding niet gemaakt kunnen worden. Bij gegrondbevinding van middel 4 kan deze klacht onbesproken blijven, omdat het bewijsmateriaal na verwijzing opnieuw zal moeten worden beoordeeld. Overigens is de verwijzing naar het bewijsmiddel van de buitengerechtelijke erkentenis voldoende begrijpelijk. Of aan de erkentenis tegenover de sociale recherche een hoge bewijswaarde toekomt, staat uitsluitend ter beoordeling van de rechter die over de feiten oordeelt. Aan het slot van rov. 3.2 wijst de rechtbank erop dat, onder meer uit de energierekening, genoegzaam is gebleken dat [de partner] niet zijn hoofdverblijf kan hebben gehad in zijn Haagse woonruimte. Als steunbewijs, naast de verklaringen van [de partner] en van [verzoekster], kan de hoogte van de energierekening op het Haagse adres wel degelijk mede redengevend zijn.

2.9. Middel 3 houdt in dat de rechtbank miskent dat [de partner] en [verzoekster] hun verklaringen hebben ingetrokken. Ook hier geldt dat, bij gegrondbevinding van middel 4, het bewijsmateriaal opnieuw zal worden beoordeeld. Volstaan kan worden met een korte opmerking. De rechtbank is in rov. 3.2 uitdrukkelijk ingegaan op de herroeping van de verklaring en de daarvoor opgegeven reden. Vervolgens is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat de herroeping onvoldoende gewicht in de schaal legt om tot een andersluidend oordeel te komen. Dat oordeel was voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Het gaat hier niet om een gerechtelijke erkentenis, waarop art. 181 lid 2 Rv ziet. Het “intrekken” van een verklaring, bij de sociale recherche afgelegd, betekent slechts dat degene die de verklaring heeft afgelegd niet langer achter de inhoud staat. De intrekking heeft niet tot gevolg dat de eerder afgelegde verklaring niet meer als bewijsmiddel zou mogen worden gebruikt7. Wanneer er uiteenlopende verklaringen zijn (een bekentenis en een herroeping daarvan), is het de taak van de feitenrechter te selecteren aan welke bewijsmiddelen hij wél geloof hecht en aan welke niet.

2.10. In middel 4 wordt geklaagd over het passeren van het bewijsaanbod van [verzoekster]. In IOAW-procedures als de onderhavige kan de regel dat tegenbewijs vrijstaat tenzij de wet het uitsluit (art. 178 lid 2 Rv) overeenkomstig worden toegepast. In eerste aanleg hebben [de partner] en [verzoekster] het proces-verbaal van de sociale recherche betwist en tegenbewijs aangeboden in de vorm van het horen van de getuigen Van den Berg, Bouwmeester, Brunnekreeft8 en de desbetreffende sociaal rechercheurs. De kantonrechter heeft de gehele betwisting aangemerkt als onvoldoende gemotiveerd: aan het aanbod tot het leveren van tegenbewijs kwam de kantonrechter dus niet meer toe (rov. 11). In hoger beroep (grief 5) stelde [verzoekster] dat de kantonrechter ten onrechte voorbij was gegaan aan haar bewijsaanbod. Bij pleidooi in appèl hebben [de partner] en [verzoekster] het bewijsaanbod, “waaronder het horen van getuigen die hun verklaringen gedaan aan de recherche hebben ingetrokken”, herhaald (pleitnota zijdens [de partner] blz. 8). De rechtbank heeft op deze grief overwogen (rov. 3.3):

“De rechtbank passeert het door [de partner] en Günther gedane bewijsaanbod. In dit verband merkt de rechtbank op dat de (deels ingetrokken) verklaringen in het buurtonderzoek (pagina 109-114 van het proces-verbaal) [de partner] en Günther, gezien in het licht van de erkenning door [de partner] en Günther, noch kunnen schaden, noch kunnen baten. Voorts acht de rechtbank het overige aangeboden bewijs onvoldoende geconcretiseerd om daarop in te gaan.”

2.11. De rechtbank heeft dus niet de betwisting onvoldoende gespecificeerd geacht, maar het bewijsaanbod. De beslissing van de rechtbank verdraagt zich niet met de rechtspraak van de Hoge Raad, volgens welke aan een aanbod van tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het nader wordt gespecificeerd: tegenbewijs staat immers vrij tenzij de wet het uitsluit9. Overigens bestaat hieromtrent wel vaker verwarring, in gevallen waarin de rechter iets bewezen acht zonder dat een getuigenverhoor is gehouden10. Onderscheid kan worden gemaakt tussen het onderwerp van bewijslevering (het bewijsthema) en de wijze van bewijslevering. Het bewijsthema is gegeven met het aanbod tegenbewijs te leveren tegen hetgeen voorshands bewezen is geoordeeld. Het bewijsthema behoeft dus geen specificatie. Voor wat betreft de wijze waarop een partij tegenbewijs wil leveren, mag daarentegen van die partij enig initiatief worden verwacht. Voor het overleggen van schriftelijk (tegen-)bewijsmateriaal heeft een procespartij geen verlof van de rechter nodig: een partij heeft reeds in de loop van het geding gelegenheid zulk bewijsmateriaal over te leggen. Voor een getuigenverhoor daarentegen is de medewerking van de rechter nodig: de rechter zal een datum voor het verhoor moeten bepalen. De rechter behoeft m.i. geen datum voor getuigenverhoor te bepalen als niemand daarom heeft gevraagd. Biedt - zoals in dit geval - een partij tegenbewijs aan door middel van het horen van getuigen11, dan heeft die partij voldoende initiatief ontplooid en kan de rechter dit aanbod niet passeren op de grond dat het onvoldoende gespecificeerd zou zijn. Middel 4 acht ik derhalve gegrond. N.m.m. dienen vernietiging en verwijzing te volgen, omdat voor de verdere afdoening onderzoek van feitelijke aard nodig is.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Wet van 6 november 1986, Stb. 565 (tekstherplaatsing in Stb. 1995, 205; S & J 71 A). Een korte introductie tot de IOAW is te vinden bij F.M. Noordam, Inleiding Socialezekerheidsrecht (1998) blz. 284 B 294.

2 Dit artikel, per 1 juli 1997 gewijzigd en hernummerd tot art. 25, bepaalde dat de uitkering door B en W van de belanghebbende wordt teruggevorderd (a) indien de uitkering is verleend op grond van zijnerzijds verstrekte onjuiste of onvolledige inlichtingen; (b) indien gedurende de uitkeringstermijn de verplichting bedoeld in art. 13 [lees: de inlichtingenverplichting] niet of niet behoorlijk is nagekomen.

3 Per 1 januari 1996 gewijzigd en vernummerd tot art. 26. Vgl. art. 59a (oud) ABW resp. art. 84 (nieuw) Abw.

4 Art. 21 lid 3 (oud) IOAW bepaalde dat ten aanzien van de wijze van terugvordering en de daarbij te volgen procedures, waaronder begrepen die tot het aanwenden van rechtsmiddelen, de bij of krachtens de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284) terzake gestelde regels van overeenkomstige toepassing waren. Nadat de ABW was vervangen door de nieuwe Abw, gold in het tijdperk tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997 art. 29 IOAW. Dit laatste bepaalde dat de vordering tot nakoming van een besluit tot terugvordering wordt ingediend bij de kantonrechter en dat op deze vordering “het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering” van toepassing is. Bij de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248), art. X onder K, is art. 29 IOAW vervallen. Sedertdien levert het besluit van B en W tot terugvordering een executoriale titel op. De gelijkenis met het in datzelfde tijdvak geldende art. 88 Abw springt in het oog. Zie over die bepaling: HR 20 februari 1998, NJ 1999, 561 m.nt. HJS. In casu is het inleidend verzoekschrift ingediend tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997. Ergo: de cassatietermijn bedraagt twee maanden na de dagtekening van de beschikking.

5 Vgl. de verwante bepaling van art. 5a (oud) ABW.

6 Vgl. de verwante bepaling in art. 3 lid 3 Abw.

7 Dit is ook de opvatting in het strafrecht; zie G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht (1999) blz. 626.

8 Dit waren personen die door de sociale recherche zijn gehoord in het kader van het buurtonderzoek. Zie voor het tegenbewijsaanbod: blz. 5 van de akte uitlating producties d.d. 17 november 1997.

9 HR 9 januari 1998, NJ 1999, 413 m.nt. HJS; HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 899; HR 10 december 1999 nr. C98/158, (n.n.g.) en de daaraan voorafgaande conclusie van de A-G De Vries Lentsch-Kostense onder 7.

10 Wordt een getuigenverhoor gehouden, dan doen zich geen problemen voor en pleegt steevast gelegenheid te worden gegeven voor contra-enquête.

11 Hetzelfde zou m.i. gelden bij een verzoek om een gerechtelijke plaatsopneming, wanneer een partij meent daarmee te kunnen aantonen dat hetgeen de rechter voorshands voor bewezen houdt niet kán kloppen.