Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA5776

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-05-2000
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
R99/211HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA5776
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 63, geldigheid: 2000-05-12
Faillissementswet 288, geldigheid: 2000-05-12
Faillissementswet 313, geldigheid: 2000-05-12
Grondwet 121, geldigheid: 2000-05-12
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 59, geldigheid: 2000-05-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2000/134
JOL 2000, 277
NJ 2000, 567
RvdW 2000, 122
JWB 2000/50

Conclusie

Rek.nr. R99/211HR Mr Strikwerda

Parket, 10 maart 2000 conclusie inzake

S. El Mahtouchi en

F. Akouh

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoekers van cassatie, hierna: El Mahtouchi en Akouh,

zijn met elkaar gehuwd in (enige vorm van) gemeenschap van

goederen. Op 2 november 1999 hebben zij ter griffie van de

Rechtbank te 's-Gravenhage een verzoekschrift ingediend en de

Rechtbank verzocht op de voet van art. 284 Fw de toepassing

van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

2. De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 november 1999 het

verzoek afgewezen. De Rechtbank stelde vast dat de totale

schuldenlast van verzoekers f 59.101,51 bedraagt en dat tot

die schuldenlast behoort een vordering van de gemeente 's-

Gravenhage ad f 40.351,72 op El Mahtouchi wegens ten onrechte

verstrekte uitkeringen in de periode 2 oktober 1991 tot 1

april 1993. Naar het oordeel van de Rechtbank is het aanneme

lijk dat

"verzoeker El Mahtouchi ten aanzien van het ontstaan van

een of meer van zijn schulden niet te goeder trouw is

geweest - te weten voormelde fraudeschuld -, om welke

reden de rechtbank het verzoek tot het uitspreken van de

toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van

hem zal afwijzen. Gegeven voorts het tussen verzoekers

geldende huwelijksgoederenregime, in verband met artikel

295 Fw, zal de rechtbank het verzoek van Akouh eveneens

afwijzen."

3. El Mahtouchi en Akouh zijn van het vonnis van de Rechtbank

in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage,

doch tevergeefs: bij arrest van 14 december 1999 heeft het Hof

het beroepen vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Daartoe

overwoog het Hof onder meer:

"3. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat El Mah

touchi ten aanzien van het ontstaan van een of meer van

zijn schulden - te weten de fraudeschuld - niet te goeder

trouw is geweest. Daaraan kan niet afdoen de omstandig

heid, dat El Mahtouchi de hem terzake door de strafrech

ter opgelegde taakstraf naar behoren heeft vervuld.

4. Ook is het hof met de rechtbank van oordeel dat het

verzoek van Akouh op vorengenoemde grond moet worden

afgewezen. Het hof is echter van oordeel dat hier artikel

313 Fw in plaats van het door de rechtbank vermelde

artikel 295 Fw van toepassing is, omdat hierin artikel 63

Fw in zaken betreffende toepassing van de schuldsane

ringsregeling van toepassing wordt verklaard en een

verzoek van een echtgenoot die in gemeenschap van goede

ren of in enige gemeenschap van goederen is gehuwd als

een verzoek van die gemeenschap moet worden behandeld."

4. El Mahtouchi en Akouh zijn tegen het arrest van het Hof

(tijdig en regelmatig; zie art. 292 lid 4 Fw) in cassatie

gekomen met verscheidene klachten.

5. Als eerste klacht wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte

heeft geoordeeld het verzoek moet worden afgewezen omdat El

Mahtouchi ten aanzien van het ontstaan van een of meer van

zijn schulden - te weten de fraudeschuld - niet te goeder

trouw is geweest.

6. De klacht richt zich niet tegen het oordeel van het Hof dat

El Mahtouchi ten aanzien van het ontstaan van zijn schuld aan

de Gemeente 's-Gravenhage niet te goeder trouw is geweest. Wel

wordt geklaagd, zo begrijp ik, dat het Hof ten onrechte op

deze grond het verzoek niet toewijsbaar heeft geoordeeld. Het

Hof had bij de beoordeling van de vraag of de omstandigheid

dat El Mahtouchi ten aanzien van het ontstaan van bedoelde

schuld niet te goeder trouw is geweest grond oplevert voor

afwijzing van het verzoek rekening moeten houden met het feit

dat sedert het ontstaan van die schuld reeds meer dan vijf

jaren zijn verstreken. Bovendien had het Hof aandacht moeten

besteden aan de overige door El Mahtouchi en Akouh gestelde

omstandigheden van het geval, waaronder - zakelijk weergegeven

- dat El Mahtouchi heeft getracht werk te vinden, dat het

gezin van verzoekers vier minderjarige kinderen telt en Akouh

niet werkt in verband met de verzorging van de kinderen, dat

in verband met de schuldenlast ontruiming van de echtelijke

woning is aangezegd, en dat verzoekers duidelijk hun leven

hebben gebeterd.

7. Volgens art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw kan de

rechter het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsrege

ling afwijzen, indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten

aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet

te goeder trouw is geweest. Bij deze facultatieve afwijzings

grond gaat het, blijkens de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken

II, 1992/93, 22 969, nr. 3, blz. 37/38), niet om de goede

trouw als bedoeld in art. 3:11 BW of de objectiefrechtelijke

redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en

6:6:248 BW, maar om een gedragsmaatstaf in de zin van te

goeder trouw handelen. In deze betekenis komt de term ook voor

in art. 54 Fw. Doel van het opnemen van deze gedragsmaatstaf

in de wet is niet om de moraliteit van een debiteur af te

straffen, maar om te voorkomen dat de schuldsaneringsregeling

wordt toegepast op een debiteur van wie, gezien zijn verleden,

betwijfeld moet worden of hij in staat is bij de uitvoering

van de schuldsaneringsregeling zijn verplichtingen behoorlijk

na te komen.

8. Tegen deze achtergrond is begrijpelijk dat de afwijzings

grond van art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw niet impera

tief, maar facultatief is geformuleerd en dat de rechter,

blijkens de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II, 1992/93, 22

969, nr. 3, blz. 14), bij de toetsing van deze weigeringsgrond

alle relevante omstandigheden van het geval mag betrekken.

Immers, de omstandigheid dat de schuldenaar in het verleden

ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schul

den een scheve schaats heeft gereden kan een aanwijzing zijn

dat de schuldenaar ook thans nog steeds niet in staat is zich

ten opzichte van zijn schuldeisers naar behoren te gedragen,

maar dat behoeft niet. Uit de omstandigheden van het geval kan

blijken dat de in het verleden begane fout een incident is

geweest en dat de schuldenaar er inmiddels blijk van heeft

gegeven zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te

willen en te kunnen gedragen. De ratio van de afwijzingsgrond

van art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw valt dan weg.

9. Hiermee in lijn is de aanbeveling van de Werkgroep Faillis

sementsrecht van de NVvR (Recofa) dat ook een verzoeker, die

zich heeft schuldig gemaakt aan bijv. bijstandsfraude, niette

min tot de schuldsaneringsregeling zou kunnen worden toegela

ten, indien zekere tijd - als uitgangspunt vijf jaar - is

verstreken na ontdekking van dit misdrijf ("Aanbevelingen tot

de toepassing van de wet schuldsanering natuurlijke personen",

april 1998, par. 3.2). Zie in dit verband ook Polak-Wessels

IX, par. 9065 en 9067 en N.J. Polak, Faillissementsrecht, 8e

dr. bew. door C.E. Polak, 1999, blz. 286. Zie voorts R.J. Ver

schoof, Schuldsanering voor natuurlijke personen, 1998, blz.

29, die waarschuwt voor een te sterke beklemtoning van het te

goeder trouw zijn vóór de schuldsaneringsregeling.

10. In het licht van de strekking van art. 288, lid 2, aanhef

en onder b, Fw zou ik menen dat, indien de verzoeker, die ten

aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden

niet te goeder trouw is geweest, feiten en omstandigheden

stelt die erop kunnen wijzen dat die fouten uit het verleden

niet kunnen gelden als een aanwijzing dat de verzoeker niet in

staat is bij de uitvoering van de schuldsaneringsregeling zijn

verplichtingen naar behoren na te komen, de rechter die feiten

en omstandigheden moet onderzoeken en bij de toetsing van de

afwijzingsgrond van art. 288, lid 2, aanhef en onder b moet

betrekken.

11. In het onderhavige geval hebben El Mahtouchi en Akouh zich

beroepen op het tijdsverloop sedert de uitkeringsfraude van El

Mahtouchi en op (andere) feiten en omstandigheden die aanneme

lijk moeten maken dat zij hun leven inmiddels hebben gebeterd

(zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter

terechtzitting van het Hof d.d. 7 december 1999). Het Hof heeft

aan deze stellingen geen kenbare aandacht besteed en heeft

kennelijk gemeend dat reeds omdat aannemelijk is geworden dat

El Mahtouchi ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de

Gemeente 's-Gravenhage niet te goeder trouw is geweest het

verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling niet voor

toewijzing in aanmerking komt. Door aldus te oordelen is het

Hof naar het mij voorkomt hetzij uitgegaan van een onjuiste

rechtsopvatting ten aanzien van de strekking van de in art.

288, lid 2, aanhef en onder b, Fw bedoelde de afwijzingsgrond,

hetzij tekort geschoten in zijn motiveringsplicht.

12. De eerste klacht treft derhalve naar mijn oordeel doel.

Het bestreden arrest zal niet in stand kunnen blijven. Na ver

wijzing zal alsnog onderzocht moeten worden of de door El

Mahtouchi en Akouh aangevoerde feiten en omstandigheden aanne

melijk kunnen maken dat El Mahtouchi in staat is zijn ver

plichtingen ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling naar

behoren na te komen.

13. Als tweede klacht wordt aangevoerd dat het Hof onvoldoende

rekening heeft gehouden met het feit dat de verwijten omtrent

de fraudeschuld Akouh niet treffen en dat zij nu in feite

wordt meegezogen in een ontruiming en een financieel debâcle

door de voormalige frauduleuze handelingen van El Mahtouchi.

14. Deze klacht faalt m.i. Zij miskent dat ingevolge het

wettelijk systeem toepassing van de schuldsaneringsregeling

ten aanzien van de in enige gemeenschap van goederen gehuwde

echtgenoot wordt behandeld als toepassing van de schuldsane

ringsregeling ten aanzien van die gemeenschap (art. 313 jo.

art. 63 Fw), zodat toepassing van de schuldsaneringsregeling

ten aanzien van één der echtgenoten mede het lot van de andere

echtgenoot bepaalt, doordat de schuldsaneringsregeling alle

gemeenschapsgoederen omvat.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest

van het Gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de

zaak naar een ander Gerechtshof ter verdere behandeling en

beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,