Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4947

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/034HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4947
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1020, geldigheid: 2000-02-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1064, geldigheid: 2000-02-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1065, geldigheid: 2000-02-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1066, geldigheid: 2000-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 129
NJ 2000, 508
RvdW 2000, 69

Conclusie

Rek. nr. R99/034 Mr. Bakels

Parket, 27 december 1999 Conclusie inzake

de naamloze vennootschap

BENETTON INTERNATIONAL N.V.

tegen

1) de rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap naar vreemd rechtECO SWISS CHINA TIME LTD

en

2) de rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap naar vreemd recht BULOVA CORPORATION (niet verschenen)

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak, Benetton IIII, om een verzoek tot schorsing van de executoriale kracht van een arbitraal vonnis, hangende een procedure tot vernietiging daarvan op voet van art. 1065 Rv.

1.2 Aanleiding tot het onderhavige geschil is een licentieovereenkomst die partijen op 1 juli 1986 hebben gesloten. Op grond van deze overeenkomst, die werd aangegaan voor de duur van acht jaar, was Eco Swiss gerechtigd als licentiehoudster van Benetton en Bulova horloges te produceren en te distribueren onder de merknaam “Benetton by Bulova”.

1.3 Art. 26 onder A van de licentieovereenkomst1 bepaalt kort gezegd dat geschillen in verband met die overeenkomst zullen worden beslecht door arbitrage in overeenstemming met het reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) en dat het arbitraal college “shall use the laws of the Netherlands”. Voorts geldt dat een arbitraal vonnis (award) “signed by any three (3) or more of the arbitrators shall be final and binding on the parties, and not subject to any appeal”.

1.4 Benetton heeft de licentieovereenkomst bij brief van 24 juni 1991 tussentijds aan Eco Swiss en Bulova opgezegd tegen 23 september 1991.

Arbitrage NAI 1325

1.5 Eco Swiss en Bulova hebben de tussentijdse opzegging door Benetton niet geaccepteerd. Zij hebben mitsdien een arbitrage aanhangig gemaakt onder nummer NAI 1325.

1.6 In een als Partial Final Award (hierna: PFA-1325) aangeduid vonnis van 4 februari 1993 heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat de opzegging door Benetton niet rechtsgeldig was en dat Benetton de schade die Eco Swiss en Bulova dientengevolge hebben geleden, dient te vergoeden.

Op 23 juni 1995 heeft het scheidsgerecht vervolgens een Final Arbitral Award (hierna: FAA-1325) gewezen, waarin Benetton is veroordeeld aan Eco Swiss en Bulova een schadevergoeding te betalen van respectievelijk US $ 23.750.000,-- en US $ 3.800.000,--, beide bedragen te vermeerderen met rente en kosten.

1.7 Benetton heeft Eco Swiss en Bulova hierna op 10 juli en 14 juli 1995 achtereen-volgens gedagvaard voor het hof te Den Haag en de rechtbank te Den Haag.

In de procedure bij het hof heeft zij op grond van rekest-civiel vernietiging gevorderd van het PFA-1325 en het FAA-1325.

In de procedure voor de rechtbank heeft zij op de voet van art. 1065 Rv vernietiging van deze vonnissen gevorderd.

1.8 Omdat Eco Swiss en Benetton inmiddels verlof tot tenuitvoerlegging van dat vonnis hadden verkregen, heeft Benetton het hof en de rechtbank tevens verzocht de tenuitvoerlegging van FAA-1325 te schorsen hangende de rekest-civielprocedure, onderschei-denlijk de art. 1065-procedure.

1.9 In de rekest-civiel procedure heeft het hof dit schorsingsverzoek bij beschikking van 22 januari 1996 afgewezen. In zijn beschikking van 21 maart 1997 heeft de Hoge Raad het daartegen door Benetton ingestelde cassatieberoep verworpen2.

1.10 In de art. 1065-procedure heeft de rechtbank bij beschikking van 28 maart 1996 het verzoek tot schorsing eveneens afgewezen. In hoger beroep heeft het hof deze beschikking echter vernietigd en de tenuitvoerlegging van het FAA-1325 alsnog geschorst. In het daartegen door Eco Swiss ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EG en elke verdere beslissing aangehouden3. Deze vragen zijn inmiddels door dat Hof beantwoord. Hierover nader onder 2 van deze conclusie.

Arbitrage NAI 1616

1.11 Op 31 januari 1994 heeft Benetton onder nummer NAI 1616 een tweede arbitrage tussen partijen aanhangig gemaakt. In deze procedure heeft zij o.m. schadevergoeding gevorderd op de grond dat Eco Swiss en Bulova een aantal verplichtingen uit de licentieovereenkomst zouden hebben geschonden.

Eco Swiss en Bulova hebben een tegenvordering ingesteld en vergoeding gevorderd van de schade die zij stellen te hebben geleden doordat Benetton in strijd heeft gehandeld met art. 16 van de licentieovereenkomst. Dit artikel bepaalt kort gezegd dat partijen niet later dan een jaar voor het verstrijken van de overeengekomen duur van de overeenkomst “in good faith” onderhandelingen dienen te openen over de voortzetting daarvan.

1.12 Het scheidsgerecht dat in NAI 1616 opdracht heeft gekregen deze geschillen te beslechten, bestond uit vijf arbiters, van wie er drie waren benoemd door de onderscheiden partijen. Ingevolge art. 45 lid 2 van het toepasselijke NAI-reglement dienden zij te beslissen naar de regelen des rechts.

Tijdens een bijeenkomst op 16 en 17 augustus 1996 hebben de arbiters de volgende interne werkafspraken4 gemaakt:

“1. Minor procedural decisions (such as the grantings of a terme de grace to one of the parties to file a written statement) can be taken by the chairman of the Tribunal (…).

3. Major procedural decisions (including procedural decisions which have some bearing on material issues of the case) can be made outside a meeting of the Tribunal, but only after the express written or oral approval of the decision will have been obtained from all Arbitrators. As a rule, each Arbitrator has the right to call for a meeting of the Tribunal to discuss an decide upon the issue at hand.

3. Material decisions can only be made in a meeting of the Arbitral Tribunal after an oral hearing of the parties with respect to the material issues at hand. Such decision will be laid down in an Arbitral Award. Article 48 (of NAI Rules) applies (including the possibility for one or more Arbitrators to render a minority opinion).”

1.13 Partijen zijn overeengekomen dat het scheidsgerecht eerst diende te beslissen omtrent twee voorvragen (“threshold issues”), namelijk welk recht toepasselijk is en of de licentie-overeenkomst nietig is wegens strijd met art. 81 EG-Verdrag.5

1.14 Het scheidsgerecht heeft omtrent deze geschilpunten op 27 juni 1997 uitspraak gedaan in een Partial Final Award (hierna: PFA-1616).6 In dit vonnis is ten aanzien van de eerste vraag beslist dat Nederlands recht van toepassing is. Ten aanzien van de tweede vraag heeft het scheidsgerecht vooropgesteld dat Benetton zich op grond van het gezag van gewijsde (“res judicata”) van het PFA-1325 en rechtsverwerking (“equitable bar”), niet meer kan beroepen op de eventuele nietigheid van de overeenkomst. Ten overvloede heeft het scheidsgerecht geoordeeld dat de licentieovereenkomst, getoetst aan art. 81 EG-Verdrag, met uitzondering van tweetal thans niet terzake dienende bepalingen geldig is en dat Benetton mitsdien gebonden is aan art. 16 van die overeenkomst.

1.15 Het PFA-1616 bevat voorts de opmerking dat de door Benetton benoemde arbiter, prof. Bonelli, het vonnis niet heeft ondertekend, “either by having been incapable of signing, it being unlikely that this impediment will cease to exist within a reasonable time, or by refusing to sign”.

1.16 Op 19 augustus 1997 heeft prof. Bonelli alle betrokkenen een “minority opinion” doen toekomen, waarin hij niet alleen commentaar gaf op de inhoud van het PFA-1616, maar ook kritiek uitte op de wijze waarop dit arbitrale vonnis tot stand is gekomen. Kort gezegd kwam deze kritiek op het volgende neer.

(1) In strijd met de interne procedure-afspraken7 zijn de overige arbiters niet ingegaan op zijn voorstel een bijeenkomst te beleggen om de consequenties te bespreken van het Benet-ton II-arrest van de Hoge Raad.8 Aangezien dit arrest is uitgesproken op een moment waarop het PFA-1616 in concept gereed was, maar nog niet was uitgesproken, diende te worden overlegd over de vragen of de arbitrage NAI 1616 moest worden aangehouden - zoals door Benetton was verzocht - en of het concept moest worden herzien. Volgens de voorzitter van de arbitragecommissie, aldus nog steeds Bonelli, betrof dit verzoek een “paramount point” 9.

(2) Bovendien is in het vonnis zoals dit is uitgesproken op één punt10 een van het concept afwijkende motivering opgenomen, zonder dat daarover in een vergadering tussen arbiters is overlegd. Ook dit is in strijd met de interne afspraken, nu het ging om een “material decision”.

1.17 Tegen deze achtergrond heeft Benetton bij dagvaarding van 25 augustus 199711 een procedure tot vernietiging van het PFA-1616 op voet van art. 1065 Rv aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Den Haag.

Daarnaast heeft Benetton bij verzoekschrift van 26 augustus 1997 de onderhavige procedure ingeleid, waarin zij de rechtbank heeft verzocht de (verdere) tenuitvoerlegging van het PFA-1616 te schorsen totdat op haar vordering tot vernietiging onherroepelijk zal zijn beslist. Hiertoe heeft Benetton, mede onder verwijzing naar de “minority opinion” van Bonelli, de volgende schorsingsgronden in de zin van art. 1066 Rv aangevoerd:

A) De mogelijkheid bestaat dat het PFA-1616 zal worden vernietigd, omdat:

1) de arbiters zich niet aan hun opdracht hebben gehouden door de door hen gemaakte interne procedure-afspraken te schenden en het beginsel van het collegiaal beslissen niet in acht te nemen;

2) dit vonnis niet (behoorlijk) met redenen is omkleed wat betreft (a) de beslissing omtrent het toepasselijke recht en wat betreft (b) de beslissing omtrent de vraag of de licentieovereenkomst nietig is wegens strijd met art. 81 EG-Verdrag;

3) dit vonnis in strijd is met de openbare orde, omdat het (a) tot stand is gekomen met schending van de door de arbiters gemaakte interne procedureafspraken en met schending van het beginsel van collegiaal beslissen en het bovendien (b) wat de inhoud betreft in strijd is met art. 81 EG-Verdrag.

B) Het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen in de arbitrage NAI 1325 is van invloed op de arbitrage NAI 1616;

C) De eisen van een goede procesorde brengen mee dat in de arbitrage NAI 1616 omtrent vragen rond art. 81 EG-Verdrag geen beslissing wordt gegeven hangende de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen.

1.18 Na partijen bij tussenbeschikking van 8 januari 1998 in de gelegenheid te hebben gesteld de reactie van de overige arbiters (aangeduid als: “majority memorandum”) op de “minority opinion” van Bonelli in het geding te brengen, heeft de rechtbank in haar eindbeschikking van 19 maart 1998 de (verdere) tenuitvoerlegging van het PFA-1616 geschorst op de grond dat dit vonnis in strijd met de openbare orde tot stand is gekomen, zodat te verwachten valt dat dit zal worden vernietigd.

Zakelijk weergegeven heeft de rechtbank hiertoe overwogen dat het scheidsgerecht zich niet heeft gehouden aan zijn eigen procedurevoorschriften, waardoor binnen de kring van arbiters het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Voorts zijn partijen niet gehoord omtrent een beslissing waar deze regels dat voorschreven (tussenbeschikking rov. 12-14 en eindbeschikking rov. 1-6).

1.19 Eco Swiss en Bulova hebben tegen de beide beschikkingen van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof te Den Haag. Benetton heeft onder handhaving van alle aangevoerde schorsingsgronden verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel appèl ingesteld. Voorts heeft zij het hof incidenteel verzocht de eindbeschikking van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

1.20 In zijn beschikking van 17 december 1998 heeft het hof alle in eerste aanleg door Benetton aangevoerde schorsingsgronden verworpen, de beschikkingen van de rechtbank vernietigd en het verzoek tot schorsing alsnog afgewezen. De daartoe door het hof gevolgde gedachtegang kan als volgt worden weergegeven.

a) De klacht dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (schorsingsgrond A.1) faalt. De door Benetton bedoelde regels zijn niet door partijen vastgesteld maar zijn door de arbiters gemaakte, interne procedureafspraken (rov. 8).

b) Het PFA-1616 is wat betreft de beslissing omtrent het toepasselijke recht voldoende met redenen omkleed (schorsingsgrond A2(a)). Het scheidsgerecht heeft uit art. 26 van de licentieovereenkomst afgeleid dat Nederlands materieel recht van toepassing is. De weerleg-ging van de tegenwerpingen van Benetton is van voldoende motivering voorzien (rov. 9.1-9.3).

c) De klacht dat het PFA-1616 niet (behoorlijk) is gemotiveerd wat betreft de beslissing omtrent art. 81 EG-Verdrag (schorsingsgrond A2(b)), faalt. Benetton heeft die klacht in de vernietigings-procedure niet aangevoerd en zij heeft ook niet aangegeven waarom het PFA op dit punt niet aan de motiveringseisen van art. 1065 Rv voldoet. Bovendien kleven aan de motivering niet zodanige gebreken dat het PFA geacht moet worden niet met redenen te zijn omkleed in de zin van art. 1065 Rv (rov. 9.4-9.6).

d) Niet kan worden gezegd dat het PFA wat betreft zijn wijze van totstandkomen in strijd is met de openbare orde (schorsingsgrond A3(a)). De door arbiters intern afgesproken procedureregels vormen immers geen dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat naleving daarvan nimmer mag worden verhinderd. Bovendien heeft het scheidsgerecht het beroep van Benetton op nietigheid afgewezen op diverse gronden, die deze afwijzing ieder voor zich kunnen dragen. De wijziging van de motivering, ten aanzien waarvan deze procedureregels zouden zijn geschonden, betrof slechts een verweer van Eco Swiss en Bulova tegen de vordering van Benetton en had geen betekenis voor de overige gronden voor de beslissing. Ten slotte geldt dat het arrest van 21 maart 1997 geen betekenis heeft voor de materiële gronden waarop het beroep van Benetton op art. 81 EG-Verdrag werd verworpen. Het door Bonelli gevraagde overleg over de betekenis van dit arrest kon daarom op de uitkomst van het PFA geen invloed hebben (rov. 5.1-5.8).

e) De klacht dat het PFA-1616 naar zijn inhoud in strijd is met de openbare orde (schorsingsgrond A3(b)), faalt eveneens. Zelfs als het HvJ EG de door de Hoge Raad gestelde vragen in de voor Benetton meest gunstige zin zou beantwoorden en de vernietigingsrechter dus het oordeel van arbiters omtrent art. 81 EG-Verdrag zou dienen te toetsen, is het hof mét het scheidsgerecht van oordeel dat in elk geval art. 16 van de licentieovereenkomst niet strijdig is met deze bepaling en dat de nietigheid van twee andere bepalingen niet meebrengt dat de verplichting tot onderhandelen vervalt (rov. 11.1-11.5).

f) Om dezelfde redenen als uiteengezet in rov. 5.6-5.8, worden ook de schorsingsgronden B en C verworpen (rov. 5.9).

g) De slotsom is derhalve dat het niet in de verwachting ligt dat het PFA-1616 zal worden vernietigd. Nu het verzoek tot schorsing niet kan worden toegewezen, dient het incidentele verzoek om de eindbeschikking van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, te worden afgewezen (rov. 12-13).

1.21 Benetton heeft tegen de beschikking van het hof tijdig12 beroep in cassatie ingesteld. In haar verzoekschrift tot cassatie wordt één middel voorgedragen, dat bestaat uit vijf onderdelen. Eco Swiss heeft een verweerschrift ingediend, waarin zij verzoekt het cassatieberoep te verwerpen. Bulova is in cassatie niet verschenen.

2. Beantwoording van de door de Hoge Raad in Benetton II gestelde vragen door het HvJ EG

2.1 Nadat partijen in de onderhavige zaak (Benetton III) de stukken hadden gefourneerd voor beschikking, heeft het HvJ EG op 1 juni 1999 arrest gewezen in de zaak-Benetton II. In mijn conclusie in de Benetton II-zaak ben ik uitgebreider op het door het HvJ EG gewezen arrest ingegaan. Ik verwijs naar die beschouwingen en hecht de desbetreffende conclusie aan.

2.2 Partijen zijn vervolgens bij mijn "tussenconclusie" van 26 oktober 1999 uitgenodigd schriftelijk uiteen te zetten welke betekenis dit arrest naar hun mening voor de onderhavige zaak heeft. Beide partijen hebben daarop een nadere memorie genomen, die aan het dossier is toegevoegd. Zij hebben bij de eerder door hen ingenomen standpunten volhard. Bij de bespreking van de respectieve onderdelen zal voorzoveel nodig op het arrest van het HvJ EG en de reacties daarop van partijen, worden ingegaan.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het is inmiddels al voor de derde maal dat partijen zich in het kader van een verzoek tot schorsing van een tussen hen gewezen arbitraal vonnis, tot de Hoge Raad wenden. Voor het beoordelingskader van dit verzoek verwijs ik naar de conclusie13 van de A-G Vranken voor Benetton II. Kort gezegd komt dit erop neer dat de rechter bij de beoordeling van een schorsingsverzoek in dubbel opzicht beperkt is.

Allereerst geldt dat de vernietigingsgronden van art. 1065 Rv met uitzondering van grond (e) (strijd met de openbare orde) een formeel karakter hebben. Mede daarom mag de vernietigingsprocedure niet worden gebruikt als een verkapt appèl, zodat de vernietigings-rechter zich in beginsel dient te onthouden van een beoordeling van de inhoud van het arbitrale vonnis.

Dit klemt temeer voor de schorsingsrechter, die een verzoek tot schorsing alleen mag toewijzen indien daartoe gronden zijn. Aangezien het hier gaat om een voorlopige voorzie-ning14, dient de rechter zich in beginsel te beperken tot een voorlopig oordeel omtrent de kans van slagen van de vernietigingsprocedure.

3.2 Tegen deze achtergrond klaagt onderdeel 1 dat rov. 8 onjuist is, althans onvoldoende gemotiveerd. Volgens het onderdeel betekent het feit dat arbiters hun interne procedureaf-spraken hebben geschonden, dat zij zich niet aan hun opdracht hebben gehouden. Dit geldt in elk geval nu binnen de kring van arbiters het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht is genomen, omdat dit beginsel in het kader van de collegiale besluitvorming behoort tot de essentiële waarborgen voor een eerlijke arbitrale procedure.

3.3 Het onderdeel leent zich voor gemeenschappelijke bespreking met onderdeel 3, dat met vier subonderdelen opkomt tegen de rov. 5.4-5.8. Subonderdeel 3.1 is gericht tegen rov. 5.4 en betoogt dat het daarin vervatte oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het antwoord op de vraag of schending van een door de arbiters zelf vastgestelde procedurele regel meebrengt dat een arbitraal vonnis wegens de wijze waarop het is totstandgekomen, in strijd is met de openbare orde, afhangt van het belang van deze regel voor het totstandkomen van een rechtens aanvaardbare arbitrale beslissing.

3.4 Over de vraag die door beide onderdelen aan de orde wordt gesteld, namelijk of het PFA-1616 aan een fataal totstandkomingsgebrek lijdt doordat Bonelli, kort gezegd, in de slotfase van de oordeelsvorming van arbiters buitenspel is geraakt, kan mogelijk verschillend worden gedacht. Om de volgende zelfstandige redenen meen ik evenwel dat deze kwestie in de gegeven omstandigheden geen belang meer heeft.

(i) Het dictum van het PFA-1616 wordt zelfstandig gedragen door de verwerping op materiële gronden van het beroep op nietigheid. Dit deel van de beslissing is in elk geval niet met schending van enige procedureafspraak tot stand gekomen. Rechtbank en hof hebben dit oordeel van arbiters onderschreven en de daartegen gerichte cassatieklachten kunnen - zoals nog zal blijken - geen doel treffen.

(ii) Het feit dat de overige arbiters de behandeling van de zaak niet hebben willen aanhouden, zoals Bonelli heeft gesuggereerd of zelfs verzocht, is achteraf gedekt door het arrest van het HvJ EG in Benetton II. Bij de voor haar positieve beantwoording van vraag 1 heeft Benetton immers geen belang nu het Hof tevens heeft geoordeeld - in nationaalrechtelijke termen geformuleerd - dat art. 81 EG-verdrag, hoezeer ook van openbare orde in de zin van art. 1065 Rv, niet een norm van een zó fundamenteel karakter inhoudt dat het gezag van gewijsde van het PFA 1325 daarvoor dient te wijken. Daarmee staat vast dat art. 81 EG-verweren ook in de onderhavige arbitrage niet meer met succes kunnen worden aangevoerd. De Hoge Raad heeft in rov. 6 (derde alinea) van Benetton II immers beslist dat dit gezag van gewijsde eraan in de weg staat dat bij de begroting van de schade die een gevolg is de van de niet-nakoming van de licentieovereenkomst, alsnog een nietigheidsverweer in de beoordeling wordt betrokken dat in dit tussenvonnis niet aan de orde is geweest. Hetzelfde dient te gelden ten aanzien van andere stellingen of weren die de bindende kracht van deze overeenkomst raken.15

(iii) Weliswaar is het op zichzelf ongelukkig dat de overige arbiters buiten Bonelli om het beroep van Benetton op art. 81 EG-verdrag op een andere grond hebben verworpen dan in het concept daartoe was aangevoerd. Maar voor de uitkomst van deze procedure is dit niet van belang, nu die gewijzigde beslissing in materieel opzicht juist is gebleken.

3.5 Dit laatste argument verdient nadere toelichting.

H.J. Snijders meent dat vernietiging van een arbitraal vonnis wegens schending van hoor en wederhoor bij gebrek aan belang achterwege dient te blijven, indien (absoluut) vaststaat dat de beslissing bij onverkorte toepassing van dit beginsel niet anders zou zijn geweest16. Dit standpunt wordt bestreden door Sanders, die meent dat schending van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor steeds tot vernietiging moet leiden. Een onder-zoek naar het belang van de schending brengt immers mee dat de rechter zich in de zaak zelf dient te verdiepen, hetgeen niet is te rijmen met het rechtskarakter van arbitrage17.

Ik schaar mij aan de zijde van Snijders. Het standpunt van Sanders ziet eraan voorbij dat er geen redelijk belang mee is gediend (art. 3:303 juncto 3:326 BW) een vonnis te vernietigen als dit aan een gebrek lijdt, dat op de beslissing niet van invloed is geweest. Dit wordt niet anders als dat gebrek van fundamentele aard is. Daarbij moet worden bedacht dat door het vonnis te vernietigen, de - vaak aanzienlijke - hoeveelheid tijd, geld en moeite die partijen in de arbitrage hebben geïnvesteerd, in één klap tot nul moeten worden afgeschreven.

Ik meen voorts dat in dit verband een (bij de bespreking van subonderdeel 3.1 nader uit te werken) vergelijking kan worden getrokken tussen enerzijds de besluitvorming binnen een scheidsrechterlijk college en anderzijds binnen de organen van een rechtspersoon. Art. 2:15 lid 3 aanhef en onder (a) BW bepaalt dat een derde bevoegd is de vernietiging te vorderen van een door een zodanig orgaan genomen besluit, mits hij daarbij een redelijk belang heeft. Ik zie deze laatste voorwaarde als een specifieke uitwerking van de algemene norm van art. 3:303 BW. Art 2:15 BW wordt in de literatuur over het algemeen aldus opgevat dat het slechts de bevoegdheid geeft om vernietiging te vorderen aan diegenen, wier juridische positie door dat besluit wordt beïnvloed.18 Deze uitleg strookt met mijn boven verdedigde standpunt over de vernietigbaarheid van arbitrale vonnissen en zet dit daarom mede kracht bij.

3.6 In deze visie falen onderdeel 1 en subonderdeel 3.1 bij gebrek aan belang.

Voor het geval de Hoge Raad hierover echter anders zou denken, bespreek ik beide onderdelen ook afzonderlijk. Ik begin met onderdeel 1. Dit onderdeel strekt ten betoge dat de onder 1.12 van deze conclusie geciteerde interne afspraken hebben te gelden als onderdeel van de "opdracht" van arbiters in de zin van art. 1065 Rv lid 1, aanhef en onder (c).

3.7 Het begrip opdracht in art. 1065 lid 1 onder c Rv heeft een materiële zijde (wát arbiters moeten berechten) en een formele zijde (hóe zij het geschil moeten berechten). Deze formele zijde van de opdracht wordt gevormd door de door partijen aan arbiters gestelde procedure-regels en/of het door hen toepasselijk verklaarde arbitragereglement. Binnen die grenzen hebben arbiters echter de vrijheid de arbitrale rechtsgang zelf te bepalen en daaromtrent werkafspraken te maken. De vraag of, en zo ja in hoeverre, bepaalde procedureregels tot de opdracht behoren, is een kwestie van uitleg van de akte van compromis, de daarin opgenomen procedurevoorschriften en daarover gemaakte nadere partijafspraken19. De rechter dient zich hieromtrent zelfstandig een oordeel te vormen, in welk verband in de literatuur wordt gepleit voor een terughoudende opstelling. Slechts wezenlijke schendingen van de opdracht behoren tot vernietiging te leiden20.

3.8 Nu is gesteld noch gebleken dat de door partijen aan arbiters gegeven en door hen aanvaarde opdracht, dan wel de artikelen 20-42 van het NAI-reglement, (mede) omvat dat zij interne werkafspraken (zoals onderhavige) dienen te maken en dit ook niet uit de aard van die opdracht voortvloeit, meen ik dat onderdeel 1 ook op zichzelf geen doel kan treffen.

3.9 Wat betreft subonderdeel 3.1 merk ik vooraf op dat het bij strijd met de openbare orde in de zin van art. 1065 Rv gaat om schending van fundamentele beginselen van procesrecht21. Hoewel dit begrip moeilijk is te definiëren, is - mede gezien art. 6 EVRM - in elk geval als fundamenteel beginsel te beschouwen het toepassen van hoor en wederhoor van partijen. In de literatuur en rechtspraak wordt in het algemeen geoordeeld dat het in art. 6 EVRM verankerde beginsel van hoor en wederhoor uitsluitend betrekking heeft op hun positie, dus niet op de inhoud van collegiale besluitvorming22.

3.10 Het subonderdeel klaagt in de kern dat de wijze waarop de besluitvorming binnen het scheidsrechterlijk college heeft plaatsgevonden, aan een essentieel gebrek heeft geleden.

Het hof heeft in rov. 5.4 geoordeeld dat de interne procedureregels van het scheidsgerecht geen dwingend recht van een zo fundamenteel karakter opleveren dat de naleving daarvan niet mag worden verhinderd, zodat een arbitraal vonnis dat in strijd met dergelijke regels tot stand is gekomen, op die enkele grond (“niet (alleen)”) nog niet in strijd met de openbare orde is.

Deze motivering gaat mijns inziens voorbij aan de essentie van de klacht. Zoals opgemerkt onder 3.5 kan de voormelde besluitvorming m.i. met vrucht worden vergeleken met de wijze waarop besluiten binnen de organen van een rechtspersoon worden genomen.23 Dienaangaande heeft de Hoge Raad in een al ouder, maar nog steeds actueel arrest24 overwogen:

"dat de betekenis van een bepaling in de statuten van een rechtspersoon, voorschrijvende dat een besluit moet uitgaan van een orgaan van de rechtsper-soon, in het geval waarin dat orgaan uit meer personen is samengesteld in het bijzonder hierin is gelegen, dat het besluit tot stand komt als de vrucht van onderling overleg van alle leden van dat orgaan die, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, aan dat overleg wensen deel te nemen."

Het komt mij voor dat deze normen met tenminste gelijke kracht hebben te gelden voor de wijze van besluitvorming binnen een scheidsrechterlijk college. Het beginsel dat iedere arbiter die de wens daartoe te kennen geeft, in de gelegenheid dient te worden gesteld zich in het besluitvormingsproces te doen horen, is naar mijn mening wel degelijk van zó fundamentele aard, dat het niet opzij mag worden gezet. Daardoor wordt immers de kwaliteit van de scheidsrechterlijke procedure mede bepaald. Daarom meen ik dat de door het subonderdeel bestreden overweging, blijk geeft van onjuiste rechtsopvatting.

3.11 Dit betekent echter niet dat het scheidsrechterlijk vonnis uiteindelijk zal moeten worden vernietigd.

Ten eerste neem ik aan dat de Hoge Raad de onder 3.4-3.5 van deze conclusie weergegeven redenering zal volgen. Als hij dit doet, komt hij aan de onderhavige kwestie niet toe.

Ten tweede zou, als de Hoge Raad die redenering niet volgt en dus op dit onderdeel vernietigt, de verwijzingsrechter moeten nagaan of Bonelli inderdaad op een reële wijze aan dat overleg wenste deel te nemen of dat aannemelijk is dat zijn interventie door andere motieven werd ingegeven. Weliswaar heeft het Haagse hof in rov. 5.3 veronderstellenderwijs aangenomen dat Bonelli uit een brief van de voorzitter van het scheidsgerecht heeft afgeleid en ook mocht afleiden

"dat tenminste nader overleg tussen alle arbiters zou plaatsvinden over een wijziging van de motivering in de PFA en over de vraag of de beslissing moest worden aangehouden in verband met de uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 1997 (NJ 98/207)".

Maar na vernietiging is de verwijzingsrechter niet aan die veronderstelling gebonden. Als de versie die in het majority memorandum wordt gegeven, de juiste is, lijkt het mij niet uitgeslo-ten dat de verwijzingsrechter zal oordelen dat Bonelli, gezien zijn eigen opstelling, die verwachting juist niet mocht hebben. In samenhang met het feit dat de opdracht van partijen in de mogelijkheid voorziet dat het scheidsrechtelijk vonnis niet door alle arbiters wordt ondertekend, is het daarom niet denkbeeldig dat de gang van zaken zoals die feitelijk is geweest, uiteindelijk de toets der kritiek van de schorsingsrechter (én van de vernietigingsrechter) zal kunnen doorstaan. Maar de kortsluiting van het noodzakelijke feitenonderzoek die het hof heeft toegepast, lijkt mij onjuist.

3.12 Subonderdeel 3.2 meent dat het onduidelijk is wat het hof in rov. 5.8 bedoelt met "de einduitspraak".

Het onderdeel loopt erop vast dat er geen twijfel over kan bestaan dat het hof hiermee heeft gedoeld op het PFA 1616 (Partial Final Award)

3.13 Subonderdeel 3.3 betoogt dat de rov. 5.5-5.8 op een onjuiste rechtsopvatting berusten, althans onvoldoende zijn gemotiveerd. Het subonderdeel stelt daartoe in de kern dat pas kan worden vastgesteld of het door Bonelli verlangde overleg geen invloed zou hebben gehad op het PFA, nadat dit overleg zou zijn gevoerd.

Dit is op zichzelf juist, maar dan in de algemene zin dat men nooit zeker weet wat het gevolg zou zijn geweest van een bepaalde gebeurtenis, voordat die gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Met dergelijke oeverloze waarheden behoeft in het recht echter niet te worden gerekend, omdat dit dan onhanteerbaar zou worden. Daarom mocht het hof ermee volstaan te oordelen dat het door Bonelli verlangde overleg geen betrekking had op de dragende gronden voor de uiteindelijk gegeven beslissing, zodat Benetton geen (rechtens terzake dienend) belang heeft bij de onderhavige klacht. Het subonderdeel kan dus geen doel treffen.

3.14 Subonderdeel 3.4 tamboureert wederom op het door Bonelli verlangde overleg. Het subonderdeel heeft geen succes op de bovengenoemde gronden. Voorzover het mede erover klaagt dat de arbiters in het geheel niet tot een PFA hadden behoren te komen, stuit het af op hetgeen onder 3.4 (ii) van deze conclusie is opgemerkt.

3.15 Onderdeel 2 is gericht tegen de rov. 9.2-9.3, waarin het hof heeft geoordeeld dat de beslissing van de arbiters omtrent het toepasselijke recht, voldoende met redenen is omkleed.25 Het onderdeel acht dit oordeel onbegrijpelijk, nu Benetton in de arbitrage uitvoerig heeft betoogd dat en waarom niet het Nederlandse materiële recht maar de lex mercatoria26, althans Italiaans recht van toepassing is, op welk betoog het scheidsgerecht met geen woord heeft gerespondeerd.

3.16 Bij de beoordeling van deze motiveringsklacht dient positie te worden gekozen inzake de in de literatuur en de lagere jurisprudentie27 bestaande controverse of het voldoende is dat een arbitraal vonnis enigerlei motivering bevat, ongeacht de inhoud daarvan28, dan wel of in het kader van de toetsing aan art. 1065 Rv een stap verder mag worden gegaan door een evident gebrekkig gemotiveerd vonnis te beschouwen als een niet met redenen omkleed vonnis in de zin van lid 1 aanhef en onder (d) van deze bepaling29.

Ten gunste van het eerste standpunt wordt aangevoerd dat een andere opvatting zou leiden tot toetsing van de inhoud van het scheidsrechtelijk vonnis (verkapt appèl) en de deur zou openzetten voor een vloed aan vernietigingsacties.

Ten gunste van het laatste standpunt wordt argument gehanteerd dat een ondeugdelijke motivering in wezen geen motivering is en de motiveringseis anders een wassen neus zou zijn, met dien verstande dat vernietiging beperkt dient te blijven tot gevallen van een apert ondeugdelijke motivering (“klinkklare onzin”).

Voor de goede orde vermeld ik daarnaast nog het standpunt van diegenen30 die aan een arbitraal vonnis dezelfde mo-ti-ve-ringseisen (lijken te) stellen als gelden voor de overheidsrechter. Dit standpunt heeft echter nauwelijks aanhang gevonden en moet mijns inziens als te vergaand van de hand worden gewezen.

In procedures als de onderhavige dient overigens de extra terughoudendheid in herinnering te worden geroepen waaraan de over een schorsingsverzoek oordelende rechter zich heeft te houden, zoals onder 3.1 van deze conclusie is vooropgesteld.

3.17 De bewoordingen van de wet ("het vonnis is niet (...) met redenen omkleed") geven steun aan de eerstgenoemde opvatting.

Voor de wetsgeschiedenis geldt hetzelfde. In het VV II heeft het lid van de GPV-fractie gesteld dat een ondeugdelijke motivering gelijk staat aan een geheel ontbrekende motivering, zodat een arbitraal vonnis zonder deugdelijke motivering nietig is omdat een fundamenteel beginsel van procesrecht is geschonden. Deze opvatting, die de deur naar toetsing van de motivering wijd openzet, is bij de MvA II door de minister verworpen31:

"De ondergetekende acht de door het lid van de GPV-fractie voorgestelde formulering ongewenst. Deze formulering kan aanleiding geven tot een inhoudelijke toetsing van het arbitrale vonnis door de gewone rechter. Hierbij wijst de ondergetekende erop dat, voorzover hem bekend, nagenoeg elke arbitragewetgeving slechts vereist dat een arbitraal vonnis moet zijn gemotiveerd, zonder aan de motivering nadere eisen te stellen. Vgl. onder meer art 31, tweede lid, van de UNCITRAL Model Law. Verfijning van de wettekst is hier niet aangewezen."

3.18 Toch denk ik dat wij een kleine stap verder moeten gaan dan ermee volstaan te onderzoeken of het arbitraal vonnis enigerlei motivering bevat. Mede omdat partijen die arbitrage overeenkomen - hetgeen in de praktijk lang niet altijd met volledige wederzijdse overeenstemming plaatsvindt - hun geschil in beginsel aan kennisneming van de overheidsrechter onttrekken, mag een volstrekt onbegrijpelijke motivering niet ongemoeid worden gelaten. Die extra stap dient echter maar een kleine zijn. Met name moet worden vermeden dat deze toetsing zich ontwikkelt tot een verkapt appèl, waartoe een controle op de kwaliteit van de motivering gemakkelijk kan leiden. Het (algemene) belang van een doeltreffende arbitrale procedure is bij zelfbeperking van de rechterlijke macht gebaat.

In dit licht zou ik onder het ontbreken van een motivering mede willen verstaan een motivering die zó gebrekkig is, dat zij naar informatief gehalte en overtuigingskracht, met een geheel ontbrekende motivering op één lijn is te stellen.

3.19 Deze toets kan het arbitrale vonnis ruimschoots doorstaan. De kern van de door Benetton in de arbitrage geponeerde stelling was immers, dat het Nederlandse recht als de lex arbitri slechts het toe te passen procesrecht betrof, doch dat partijen voor het overige in art. 26 van de licentieovereenkomst “did not make a clear and unambigious choice of law”32. Het scheidsgerecht heeft deze stelling verworpen omdat naar zijn oordeel in art. 26 een duidelijke keuze voor Nederlands materieel recht was gemaakt. Waar het de rechtskeuzeclausule aldus duidelijk achtte, hoefde het niet meer in te gaan op alle verdere argumenten van Benetton op dit punt33. Het scheidsgerecht heeft vervolgens in zijn overwegingen 3.2 en 3.3 toch nog het subsidiaire betoog van Benetton beoordeeld, inhoudende dat een keuze voor Nederlands recht ook omvat het Nederlandse IPR en dat via dit IPR Italiaans materieel recht van toepassing is. Het heeft dat betoog verworpen.

Het oordeel van het hof dat deze motivering niet apert ondeugdelijk is, kan onder deze omstandigheden niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd worden genoemd. Onderdeel 2 kan dus niet tot cassatie leiden.

3.20 Onderdeel 4 komt met twee subonderdelen op tegen hetgeen het hof in rov. 5.9 heeft overwogen ten aanzien van de ingeroepen schorsingsgronden B en C (de invloed van het antwoord op de door de Hoge Raad in Benetton II gestelde prejudiciële vragen en de eisen van een goede procesorde). Volgens het onderdeel is deze rov. een onvoldoende gemotiveerde weerlegging van hetgeen Benetton in feitelijke aanleg heeft doen aanvoeren34. Dat betoog komt erop neer dat, als het HvJ EG de door de Hoge Raad gestelde vragen in de door Benetton verdedigde zin zal beantwoorden, het in de rede ligt dat het PFA-1325 en FAA-1325 zullen worden vernietigd. Het geschil omtrent de rechtsgeldigheid van de opzegging van de licentieovereenkomst zal dan moeten worden beslist door de burgerlijke rechter, die mede zal hebben te oordelen over de geldigheid van deze overeenkomst. Daarbij behoort de burgerlijke rechter niet te worden geconfronteerd met arbitrale beslissingen in de arbitrage NAI-1616, die strijdig zouden kunnen zijn met zijn oordeel. De niet te verwaarlozen kans op tegenstrijdige beslissingen brengt mee dat schorsing van het PFA-1616 geïndiceerd is, zodat de opvatting van de burgerlijke rechter omtrent de geldigheid van de licentieovereenkomst later richtinggevend kan zijn voor de beslissing in de arbitrage NAI-1616, aldus nog steeds dit - inleidende - betoog.

3.21 Voorzover dit betoog naast een inleiding ook een zelfstandige klacht bevat, faalt deze bij gebrek aan feitelijke grondslag. Zoals uiteengezet in mijn aangehechte conclusie in Benetton II, heeft het HvJ EG de door de Hoge Raad gestelde vragen immers niet (alle) in de door Benetton verdedigde zin beantwoord. In die procedure heb ik daarom geconcludeerd dat de Hoge Raad de zaak zelf zal afdoen door, met vernietiging van de bestreden beschikking, behoudens wat betreft de afwijzing van het verzoek van Benetton tot zekerheidstelling door Eco Swiss, de beschikking van de rechtbank alsnog te bekrachtigen.

3.22 Subonderdeel 4.1 spitst de weergegeven inleidende beschouwingen toe door te stellen dat ’s hofs oordeel in rov. 5.9 al daarom onvoldoende is gemotiveerd, omdat volstrekt onduidelijk is wat “dezelfde reden” is waarom het betoog van Benetton niet zou opgaan.

Deze klacht faalt omdat het hof hiermee klaarblijkelijk doelt op de redenen die zijn genoemd in de rov. 5.7-5.8. Hierin heeft het hof geoordeeld dat de in het Benetton II-arrest van de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen in de onderhavige procedure alleen betekenis (kunnen) hebben voor het door Eco Swiss en Bulova in de arbitrage NAI-1616 opgeworpen verweer, dat het beroep van Benetton op de nietigheid van de licentieovereenkomst wegens strijd met art. 81 EG-Verdrag niet meer aan de orde kan komen. Op de verwerping door het scheidsgerecht van dit beroep op materiële gronden hebben de door de Hoge Raad gestelde vragen echter geen betrekking, zodat het hof zijn desbetreffende beslissing niet hoefde aan te houden.

3.23 Subonderdeel 4.2 klaagt erover dat het hof in rov. 5.9 geheel voorbij is gegaan aan het door Benetton aangevoerde aspect van de geenszins te verwaarlozen kans op tegenstrijdige beslissingen.

Deze klacht faalt reeds omdat het hof ook in de rov. 11.3-11.5 wel degelijk aandacht heeft besteed aan de processuele consequenties die de antwoorden op de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen zouden kunnen hebben. In deze rov. heeft het hof immers veronderstellenderwijs aangenomen dat het HvJ EG zal beslissen dat de vernietigingsrechter zelfstandig dient te toetsen of de licentieovereenkomst in strijd is met art. 81 EG-Verdrag. In de rov. 11.4-11.5 heeft het hof vervolgens geoordeeld dat deze vraag - die naar het subonderdeel betoogt, in beide arbitrages aan de orde dient te komen - naar zijn oordeel ontkennend moet worden beantwoord. Hierin ligt tevens besloten dat naar het (voorlopig) oordeel van het hof geen gevaar bestaat voor tegenstrijdige uitspraken.

De klacht faalt ten overvloede voorts omdat die mogelijkheid, aangenomen dat zij theoretisch zou bestaan, zich inmiddels niet heeft verwezenlijkt. Zoals één en andermaal opgemerkt, is het arrest van het HvJ EG immers niet gunstig voor Benetton uitgepakt.

Onderdeel 4 kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.

3.24 Onderdeel 5 is gericht tegen de afwijzing van het incidentele verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de eindbeschikking van de rechtbank en is voor-gedragen voor het geval één of meer van de hiervoor besproken klachten doel mocht treffen. Nu dat in mijn ogen niet zo is, faalt ook dit onderdeel.

4. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Benetton in de kosten van het geding in cassatie.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vgl. productie B in de ordner m.b.t. rekest 8850.

2 HR 21 maart 1997, NJ 1998, 206. Uit informatie die ik heb ingewonnen op voet van art. 107 RO is mij gebleken dat het hof Den Haag bij arrest van 16 september 1999 in de rekest-civielprocedure zelf, de vordering van Benetton heeft afgewezen. Volgens de griffie van de Hoge Raad is tegen dit arrest binnen de daarvoor openstaande termijn, geen cassatieberoep ingesteld.

3 HR 21 maart 1997, NJ 1998, 207.

4 Te kennen uit de minority opinion van Prof. Bonelli en onder meer weergegeven in rov. 3 van het in de onderhavige procedure door de rechtbank gewezen eindvonnis van 19 maart 1998.

5 De rechtbank heeft - evenals de Hoge Raad in het Benetton II-arrest waarin hij vragen heeft gesteld aan het HvJ EG - nog gesproken over art. 85 EG - verdrag. Ingevolge het Verdrag van Maastricht is deze bepaling echter vernummerd tot art. 81. Ik zal consequent deze nieuwe nummering aanhouden, ook waar scheidsgerecht, rechtbank, hof en Hoge Raad zelf nog hebben gesproken over art. 85.

6 Kort daarop heeft Benetton het scheidsgerecht als geheel gewraakt. Dit wrakingsverzoek is door het dagelijks bestuur van het NAI afgewezen. Benetton is vervolgens door de president van de rechtbank Rotterdam niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot wraking (gegevens ontleend aan Verbunt, TvA 1999, blz. 7-9).

7 Geciteerd onder 1.12 van deze conclusie.

8 Aangehaald onder 1.10 van deze conclusie.

9 Brief van 21 april 1997, te kennen uit de minority opinion van prof. Bonelli en het majority memorandum

10 Betreffende één van de gronden waarop het standpunt van Benetton, dat de licentieovereenkomst wegens strijd met art. 81 EG - verdrag nietig was, werd verworpen. Aanvankelijk was - in aanwezigheid van Bonelli - tussen de arbiters afgesproken dat dit standpunt (mede) zou worden verworpen op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. In de uitspraak zoals deze uiteindelijk is gedaan, is die grond evenwel vervangen door een beroep op het gezag van gewijsde van het PFA-1325.

11 Bijlage 1 bij het inleidend verzoekschrift d.d. 26 augustus 1997.

12 Het verzoekschrift tot cassatie is op 17 februari 1999 binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad.

13 Nrs. 13-18.

14 HR 21 maart 1997, NJ 1998, 206.

15 Voor een bredere uitwerking van dit standpunt verwijs ik naar mijn conclusie van heden in Benetton II.

16 Noot onder HR 18 juni 1993, NJ 1994, 449; zie ook: Losbl. Burg. Rv (Snijders), aant. 1 bij art. 1039.

17 Sanders, Het nieuwe arbitragerecht, 1996, blz.143; zie ook TvA 1993, blz. 169.

18 Pitlo/Löwensteijn, 1994, Rechtspersonenrecht, nr. 1.75, die ook andere opvattingen vermeldt; Van der Heijden/ Van der Grinten, nr. 224.2

19 HR 28 september 1990, NJ 1991, 230; Sanders, a.w. blz. 269-272; Sanders, Aantasting van arbitrale vonnissen, 1940, blz. 124-133 en 149-165; Losbl. Burg. Rv. (Snijders), aant. 4 bij art. 1065; Stein, De nieuwe arbitragewet, 1987, blz. 23; Nolen, Handleiding voor arbiters, 1957, blz. 146-151. Zie meer algemeen Van Houtte, Procedure-afspraken bij arbitrage, TvA 1989, blz. 81 e.v..

20 Losbl. Burg. Rv. (Snijders), aant. 4 bij art. 1065; Van den Berg/Van Delden/Snijders, Arbitragerecht, 1992, blz. 134.

21 HR 18 februari 1994, NJ 1994, 765.

22 Zie hierover Snijders/Ynzonides/Meijer, 1997, blz. 23-26; Hugenholtz/Heemskerk, 1998, blz. 8-9; Wesseling-Van Gent, Het civiele geding in de toekomst, 1987, blz. 110 e.v.. Vgl. voorts HR 8 november 1963, NJ 1964, 139; HR 18 juni 1993, NJ 1994, 449.

23 Weliswaar is een arbitraal college geen rechtspersoon, maar het is wél een samenwerkingsverband. In het rechtspersonenrecht bestaat een ontwikkelde en genuanceerde regelgeving over de wijze van besluitvorming binnen samenwerkingsverbanden, die zich tot op zekere hoogte voor overeenkomstige toepassing leent op de besluitvorming binnen een arbitraal college.

24 HR 15 juli 1968, NJ 1969, 101 (Wijsmuller).

25 Zie hierover ook Meijer, TvA 1999, blz. 112.

26 Hiermee wordt bedoeld het geheel van internationaal aanvaarde handelsgebruiken, zie Losbl. Burg. Rv. (Snij-ders), aant. 3 bij art. 1054.

27 Zie voor dit laatste de uitspraken genoemd in Losbl. Burg. Rv (Snijders), aant. 5 bij art. 1057, noot 3 en 4.

28 In deze zin Sanders, a.w. art. 1057, aant. 5; S.L. Buruma, Motivering volgens de Nederlandse arbitragewet, in: Gemo-ti-veerd gehuldigd, 1993, blz. 187 en Van den Berg, Hoe gastvrij is Nederland voor de internationale arbitrage, rede 1990, blz. 18.

29 Aldus Losbl. Burg. Rv (Snijders), aant. 5 bij art. 1057; Van den Berg, Van Delden, Snijders, a.w., blz. 20-22; Snijders/Ynzonides/Meijer, 1997, blz. 329 en De Ly, De Nederlandse advocaat en internationale arbi-trage: welk recht?, TvA 1997, blz. 85.

30 Hardenberg, t.a.p., blz. 47 e.v. en Van Bavel, t.a.p., blz. 7 e.v.

31 MvA II, TvA 1986, blz. 90-95.

32 Vgl. blz. 40 van de Partial reply van Benetton, overgelegd als productie 4 bij de mondelinge behandeling van 4 november 1997.

33 HR 9 september 1994, NJ 1995, 285.

34 In nr. 5.4 van de inleidende dagvaarding in de vernietigingsprocedure en in nr. 9.10 van haar verzoekschrift tot schorsing.