Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4938

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2000
Datum publicatie
23-03-2004
Zaaknummer
R99/138HR
Formele relaties
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBROT:1999:AF0448
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:1999:AE9937
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4938
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 284, geldigheid: 2000-02-25
Faillissementswet 285, geldigheid: 2000-02-25
Faillissementswet 287, geldigheid: 2000-02-25
Faillissementswet 288, geldigheid: 2000-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 131
NJ 2000, 310
RvdW 2000, 70

Conclusie

Rek.nr. R99/138 mr Wesseling-van Gent

Zitting 17 december 1999

Conclusie inzake:

[gefailleerde]

Edelhoogachtbaar College,

In cassatie is de vraag aan de orde of het hof bij zijn afwijzing van het verzoek tot toepassing van de Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen de juiste maatstaf heeft aangelegd en of het daarbij essentiële stellingen heeft gepasseerd.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Op 19 april 1999 heeft de besloten vennootschap Van Oyen Beheer B.V. zich gewend tot de rechtbank te Rotterdam met het verzoek verzoeker tot cassatie (Schotanus) in staat van faillissement te verklaren.

1.2 Tijdens de behandeling van deze faillissementsaanvraag heeft [gefailleerde] bij verzoekschrift van 26 mei 1999 de rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zijn totale schuldenlast f 3.426.939,- bedraagt en dat hij voorziet dat hij niet zal kunnen voortgaan met de betaling daarvan.

1.3 In de verklaring als bedoeld in art. 285 lid 1 sub e F heeft [gefailleerde] aangegeven dat tot deze schuldenlast behoort een schuld van f 1.596.649,- aan [gefailleerde] Beheer B.V., waarvan hij zelf directeur en enig aandeelhouder is. Daarnaast blijkt uit deze verklaring dat [gefailleerde] uit hoofde van geldlening, persoonlijke borgstelling en overige schulden aan drie schuldeisers een bedrag van f 664.597,- verschuldigd is. Voorts vermeldt de verklaring nog belastingschulden terzake IB over de jaren 1995 en 1996 ten belope van f 484.684,- en

f 163.009,-, alsmede een hypotheekschuld van f 518.000,-.

1.4 Bij brief van 4 juni 1999 heeft de advocaat van Van Oyen Beheer B.V., mr Breukelaar, mede namens een aantal andere schuldeisers bezwaar gemaakt tegen toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de schuldeisers is [gefailleerde] bij het ontstaan van zijn schulden niet te goeder trouw geweest, hetgeen onder andere zou blijken uit een aantal meegezonden stukken. Tot deze stukken behoort onder meer een lijst van ondernemingen, waarbij [gefailleerde] al dan niet rechtstreeks was betrokken en een openbaar verslag ex art. 73a F van mr K.W.H. Albert, curator in het faillissement van de besloten vennootschap Van der Maden Caravans B.V..

1.5 Na [gefailleerde] te hebben gehoord, heeft de rechtbank diens verzoek bij vonnis van 9 juni 1999 afgewezen. Zakelijk weergegeven heeft zij daartoe het volgende overwogen:

(a) [gefailleerde] hield en houdt zich bezig met overnames van en opvolging in bedrijven, waarvoor investeerders en beleggers worden geworven. In dit verband is hij al dan niet via [gefailleerde] Beheer B.V. als bestuurder, beherend vennoot of feitelijk leidinggever betrokken bij een groot aantal ondernemingen. Uit de door mr Breukelaar verschafte informatie blijkt dat het financiële beheer van deze ondernemingen ondoorzichtig is en dat financiële verplichtingen jegens investeerders niet worden nagekomen.

(b) Tenminste twee ondernemingen, Van der Maden Caravans B.V. en Van Oyen Installatiebedrijf B.V., zijn korte tijd na overname door [gefailleerde] in staat van faillissement verklaard. De vorderingen uit geldlening en borgstelling ten belope van f 664.597,- houden hiermee verband. Uit het openbaar verslag van de curator in het faillissement van Van der Maden Caravans B.V. blijkt dat de fiscus tijdens een boekenonderzoek heeft vastgesteld dat [gefailleerde] een bedrag van f 1.473.620 onrechtmatig aan dit bedrijf heeft onttrokken. De Ontvanger heeft tegen [gefailleerde] in verband met dit faillissement een vordering ingesteld op grond van onder meer kennelijk onbehoorlijk bestuur.

(c) Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat [gefailleerde] door middel van een nauwelijks te ontrafelen netwerk van bedrijfjes en stichtingen op grote schaal als ondernemer actief was en is, waarbij het aannemelijk is dat de gekozen constructies uitsluitend ertoe dien(d)en om hem ongrijpbaar te maken voor investeerders en andere schuldeisers. Wat de genoemde faillissementen betreft, valt aan de stukken het vermoeden te ontlenen dat met de - voornamelijk door derden gefinancierde - overnames voornamelijk werd beoogd de desbetreffende ondernemingen leeg te halen en vervolgens failliet te laten verklaren.

(d) Het voorgaande wettigt de gegronde vrees dat [gefailleerde] tijdens de toepassing van de saneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en zijn uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.

(e) Bovendien is aannemelijk geworden dat [gefailleerde] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden uit hoofde van de geldleningen en borgstellingen en zijn belastingschulden niet te goeder trouw is geweest.

1.6 [Gefailleerde] heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Gravenhage. In appel heeft hij betoogd dat het aantal schulden, waarvoor de toepassing van de schuldsaneringsregeling is verzocht, kan worden beperkt, nu de schuld aan [gefailleerde] Beheer B.V. in feite een schuld aan zichzelf is, de aanslagen IB naar verwachting zullen wegvallen tegen teruggaven OB en zijn echtgenote geheel zelfstandig de hypotheekschuld zal kunnen voldoen. Aldus dient de verzochte schuldsanering alleen te gelden voor de drie schulden uit geldlening en borgstelling ten belope van f 664.597,-.

Voorzover in cassatie van belang heeft [gefailleerde] vervolgens aangevoerd dat de rechtbank ten aanzien van deze schulden ten onrechte:

- acht heeft geslagen op de door mr Breukelaar toegezonden stukken (bezwaar b);

- er van uit is gegaan dat hij zich nog steeds bezig zou houden met het werven van investeerders voor de overname van en opvolging in bedrijven. Volgens [gefailleerde] is hij deze activiteiten aan het afbouwen en oefent hij thans onder de naam Bulk Buyer nog slechts het keukenmontagebedrijf uit (bezwaar c);

- heeft aangenomen dat het netwerk van rechtspersonen is geschapen om hem ongrijpbaar te maken. Het grote aantal vennootschappen en stichtingen houdt louter verband met het gekozen systeem, waarbij voor iedere belegger een commanditaire vennootschap is opgericht. Dit komt de overzichtelijkheid juist ten goede, zodat van ondoorzichtigheid ook geen sprake is (bezwaar d).

1.7 Na op 15 juli 1999 een mondelinge behandeling te hebben gehouden, heeft het hof bij arrest van 22 juli 1999 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen (rechtsoverweging 2):

“Gelet op de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat het vonnis van de rechtbank moet worden bekrachtigd.

Immers, niet aannemelijk is dat [gefailleerde] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest. Het hof verwijst kortheidshalve naar het openbaar verslag ex art. 73a van de Faillissementswet van 5 maart 1998 van de curator mr. K.W.H. Albert en naar diens brief van 3 juni 1999 aan mr. E.P. Breukelaar.

Bovendien heeft [gefailleerde] niet de vrees kunnen wegnemen die er op grond van zijn handel en wandel in het verleden is ontstaan dat hij zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen”.

1.8 [Gefailleerde] heeft tegen het arrest van het hof tijdig1 beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift tot cassatie bevat twee middelen, die beide zijn gericht tegen de hiervoor geciteerde rechtsoverweging. [gefailleerde] heeft zijn standpunt schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van de middelen

2.1 Deze zaak betreft één van de eerste (inhoudelijke) cassatieberoepen2 naar aanleiding van de op 1 december 1998 in werking getreden Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (titel III Faillissementswet) 3.

Voornaamste doelstelling van deze regeling is natuurlijke personen die zich in een uitzichtloze schuldensituatie bevinden, op termijn weer perspectief te bieden op een schuldenloos nieuw begin. Daarnaast wordt beoogd het aantal faillissementen van natuurlijke personen terug te dringen. 4

2.2 Toepassing van de schuldsaneringsregeling kan in beginsel alleen worden verzocht door de schuldenaar zelf. Art. 285 F schrijft in dit verband voor dat de schuldenaar in of bij zijn verzoekschrift een groot aantal gegevens dient te verstrekken, waaronder een overzicht van zijn schulden en bezittingen, een overzicht van zijn inkomsten en vaste lasten en een door of namens het college van B&W van zijn woonplaats afgegeven verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn tot een buitengerechtelijke schuldsanering te komen.

2.3 Afwijzing van het verzoek is slechts mogelijk op de vijf, limitatieve weigeringsgronden van art. 288 leden 1 en 2 F. De rechter kan deze gronden zo nodig in onderling verband hanteren. De in lid 1 genoemde afwijzingsgronden zijn imperatief , terwijl die van het tweede lid facultatief zijn.

2.4 In de bestreden rechtsoverweging heeft het hof respectievelijk zowel de in art. 288 lid 2 onder b F als de in art. 288 lid 1 onder b F genoemde weigeringsgrond aanwezig geoordeeld. Aangezien deze gronden de beslissing van het hof ieder voor zich kunnen dragen, kunnen de middelen alleen tot cassatie leiden, indien zij beide oordelen met succes bestrijden.

2.5 Middel 1 bestrijdt met een motiveringsklacht en een rechtsklacht het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is dat [gefailleerde] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest.

2.6 De motiveringsklacht betoogt in de kern dat het oordeel van het hof (zonder nadere motivering) onbegrijpelijk is, nu het hof op geen enkele wijze duidelijk maakt waarom het op grond van het verslag van de curator in het faillissement van Van der Maden Caravans B.V. en diens brief aan mr Breukelaar tot het oordeel komt dat [gefailleerde] niet te goeder trouw is geweest in de hierbedoelde zin.

2.7 Bij de beoordeling van deze klacht dient voorop te worden gesteld dat de rechter bij de toetsing van deze weigeringsgrond alle (relevante) omstandigheden kan betrekken, zoals de aard en de omvang van de schulden, de mate waarin de schuldenaar er een verwijt van gemaakt kan worden dat die zijn ontstaan en geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke5.

2.8 Uit rechtsoverweging 2 blijkt dat het hof zich bij zijn beoordeling niet heeft beperkt tot het verslag en de brief van de curator, maar alle stukken en het verhandelde ter zitting heeft meegewogen. Tegen de achtergrond van hetgeen daaruit omtrent het gedrag van [gefailleerde] naar voren komt, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft kennelijk en terecht in verband met de hier bedoelde weigeringsgrond het verslag en de brief van de curator in het faillissement van Van der Maden Caravans B.V. met name genoemd, omdat één van de drie schulden waarvoor [gefailleerde] de schuldsaneringsregeling in hoger beroep wilde laten gelden, rechtstreeks verband hield met dit faillissement.

2.9 Zowel in het middel als in de schriftelijke toelichting wordt mede een beroep gedaan op de notitie “Aanbevelingen tot de toepassing van de wet schuldsanering natuurlijke personen”. Deze notitie, die is opgesteld door de werkgroep Faillissementsrecht van de NVvR (Recofa) bevat louter interne aanbevelingen, waarmee wordt beoogd de leden van de rechterlijk macht een handvat te bieden bij de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Zij zijn geen richtlijnen en vormen derhalve geen recht in de zin van art. 99 RO6. Afwijking van deze aanbevelingen is dan ook geen grond voor cassatie.

2.10 Volgens de rechtsklacht heeft het hof een onjuiste maatstaf aangelegd, nu op grond van art. 288 lid 2 onder b F een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden afgewezen, indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Het hof heeft daarentegen geoordeeld dat niet aannemelijk is dat [gefailleerde] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest.

2.11 Deze klacht faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof hier onmiskenbaar de maatstaf van art. 288 lid 2 onder b F op het oog heeft gehad. Het hof bekrachtigt immers het oordeel van de rechtbank dat aannemelijk is geworden dat [gefailleerde] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de (belasting)schulden niet te goeder trouw is geweest

2.12 Er is in dezen inhoudelijk ook geen verschil tussen (1) het oordeel dat aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest en (2) het oordeel dat niet aannemelijk is dat hij op dat punt te goeder trouw is geweest. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat het hier niet gaat om de goede trouw als bedoeld in art. 3:11 BW of de objectiefrechtelijke redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en 6:248 BW, maar om een gedragsmaatstaf in de zin van te goeder trouw handelen7. Deze gedragsmaatstaf, die ook is terug te vinden in art. 54 F, is door de wetgever welbewust in de wet is opgenomen, teneinde misbruik van de schuldsaneringsregeling te voorkomen. Om voor toepassing van de regeling in aanmerking te komen, komt het er steeds op aan of de schuldenaar al dan niet te goeder trouw heeft gehandeld (art. 288 lid 2, aanhef en onder b) of dat te verwachten valt dat hij de uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen al dan niet te goeder trouw zal naleven8.

In beide hiervoor weergegeven formuleringen 1 en 2 wordt dezelfde gedragsmaatstaf aangelegd. Ook om deze reden faalt de klacht.

2.13 Middel 1 faalt derhalve, zodat middel 2 bij gebrek aan belang in beginsel geen bespreking behoeft. Voor het geval Uw Raad anders mocht oordelen, bespreek ik ook middel 2.

2.14 Middel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat [gefailleerde] (ook in hoger beroep) niet de vrees heeft kunnen wegnemen die op grond van zijn gedrag in het verleden is ontstaan dat hij zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal nakomen.

2.15 Het middel klaagt er allereerst over dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof heeft verzuimd aandacht te besteden aan de hiervoor in nr. 1.6 weergegeven bezwaren b-d. Volgens het middel heeft het hof aldus essentiële stellingen gepasseerd.

2.16 In hoeverre de rechter gehouden is op een bepaalde stelling of argument in te gaan hangt af onder meer van het belang van die stelling of het argument voor de uitkomst van de procedure, van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en van hetgeen ten processe vaststaat9.

Tegen deze achtergrond behoefde het hof niet met zoveel woorden in te gaan op de bezwaren c en d. Tegenover de door mr Breukelaar verschafte informatie en hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen, zijn deze stellingen te vaag en onvoldoende onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [gefailleerde] deze stellingen ook niet verder uitgewerkt of met stukken gestaafd.

Bezwaar c miskent bovendien dat het hof bij de beoordeling of de schuldenaar de saneringsregeling te goeder trouw zal naleven, diens (betalings)gedrag in het verleden jegens zijn schuldeisers kan betrekken10. Dat [gefailleerde] inmiddels zijn oude leven heeft beëindigd en heeft besloten “gewoon weer keukens te monteren”, is derhalve niet doorslaggevend.

2.17 De klacht dat de rechtbank geen acht had mogen slaan op de door mr Breukelaar toegezonden informatie (bezwaar b) betreft een rechtsvraag, waartegen niet met een motiveringsklacht kan worden opgekomen. Bovendien heeft [gefailleerde] geen belang bij deze klacht aangezien hij zich over deze informatie heeft kunnen uitlaten en dienaangaande ook is gehoord.

2.18 Middel 2 bevat daarnaast nog de klacht dat het oordeel van het hof in strijd is met het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een “fair trial”.

2.19 Deze klacht dient te falen, nu het middel niet duidelijk maakt welk fundamenteel beginsel van procesrecht het hof zou hebben geschonden. Voor zover wordt gedoeld op het beginsel van hoor en wederhoor faalt zij, nu [gefailleerde] in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad zich uit te laten over de inhoud van het verslag en de brief van de curator in het faillissement van Van der Maden Caravans B.V.

A. Middel 2 faalt derhalve eveneens.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ingevolge art. 292 F bedraagt de cassatietermijn acht dagen. Het verzoekschrift tot cassatie is ter griffie ingekomen op 29 juli 1999.

2 De Hoge Raad heeft inmiddels in twee cassatieberoepen arrest gewezen. In beide gevallen, HR 7 mei 1999, NJ 1999, 505 en HR 15 oktober 1999, rek. nr. R99/078 (niet gepubliceerd), werd de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de cassatietermijn.

3 De Schuldsaneringsregeling bestaat uit vier wetten, te weten: (1) Wet van 25 juni 1998 tot wijziging van de Faillissementswet i.v.m. de sanering van schulden van natuurlijke personen (de Hoofdwet), Stb. 1998, 445; (2) Wet van 25 juni 1998 tot inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de wijziging van de Faillissementswet i.v.m. de sanering van schulden van natuurlijke personen (Invoeringswet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen), Stb. 1998, 446; (3) Wet van 25 juni 1998 tot wijziging van enige onderdelen van de wet van 25 juni 1998, Stb. 1998, 445 (de Novelle), Stb. 1998, 447 en (4) Wet van 1 juli 1998 tot aanpassing van wetgeving aan de wijziging van de Faillissementswet i.v.m. de sanering van schulden van natuurlijke personen (Tweede invoeringswet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen), Stb. 1998, 448. Zie ook G.H. Lankhortst, rubriek Wetgeving in NTBR 1988/7, blz. 254. Over de schuldsaneringsregeling is in boekvorm verschenen: R.J. Verschoof, Schuldsanering voor natuurlijke personen, NIBEreeks 1998 en Polak-Wessels, Schuldsanering natuurlijke personen, Deventer 1999.

4 Kamerstukken II, 1992-1993, 22 969, nr. 3, blz. 6.

5 Kamerstukken II, 1992-1993, 22 969, nr. 3, blz. 14 en Kamerstukken II, 1993-1994, 22 696, nr. 6, blz.20.

6 Vgl. ten aanzien van de richtlijnen vervat in het rapport Alimentatienormen van de NVvR HR 1 november 1991, NJ 1992,30.

7 Kamerstukken II, 1992-1993, 22 969, nr. 3, blz. 37-38.

8 Kamerstukken II, 1992-1993, 22696, nr. 3, blz. 12-14; Kamerstukken II, 1993-1994, nr. 6, blz. 19-21.

9 Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, 1989, blz. 234-235.

10 Kamerstukken II, 1992-1993, 22 696, nr. 3, blz. 13.