Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4900

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2000
Datum publicatie
15-08-2001
Zaaknummer
34778
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4900
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13, geldigheid: 2000-02-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/478
BNB 2000/217
FED 2000/118
WFR 2000/350
V-N 2000/13.24

Conclusie

Nr. 34778 Derde Kamer A Vennootschapsbelasting 1994 Mr Van Kalmthout Conclusie inzake X B.V. tegen de Staatssecretaris van Financiën

Parket, 17 september 1999

Edelhoogachtbaar college,

Evenals in de zaken die bij de Hoge Raad aanhangig zijn onder de nummers 34.253 en 34.775, gaat het in deze procedure om de vraag wanneer aandelen als "voorraad" worden gehouden in de zin van art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969. In alle drie zaken neem ik heden conclusie.

1. Feiten en procesverloop

1.1. Belanghebbende is in december 1986 opgericht. Zij heeft lijfrenteverplichtingen tegenover een drietal natuurlijke personen. Verder houdt zij zich incidenteel bezig met de handel in aandelenvennootschappen.

1.2. Op 16 februari 1994 heeft belanghebbende alle aandelen verworven in een vennootschap genaamd B BV. De koopprijs bedroeg f 5.000, de met de koop verband houdende kosten (notariskosten) f 828.

1.3. Op 24 mei 1994 heeft belanghebbende de aandelen B BV weer verkocht. De verkoopopbrengst beliep f 8.000.

1.4. B BV was een lege vennootschap. Zij had noch bezittingen, noch schulden. Haar aandelenkapitaal was door verliezen teloor gegaan. In de periode dat de aandelen door belanghebbende werden gehouden, heeft B BVgeen activiteiten uitgeoefend.

1.5. In haar aangifte vennootschapsbelasting 1994 heeft belanghebbende de winst die zij heeft behaald met de aandelen B BV- zijnde f 2.172 - aangemerkt als een voordeel dat op grond van art. 13 Wet Vpb 1969 vrijgesteld is van vennootschapsbelasting.

1.6. De inspecteur van de Belastingdienst Grote ondernemingen 2 te P (hierna: de Inspecteur) heeft voornoemd bedrag van f 2.172 wèl tot belanghebbendes belastbare winst gerekend. Hij stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de aandelen B BV heeft gehouden als voorraad zoals bedoeld in art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969 (in de voor het onderhavige jaar geldende tekst.)

1.7. Bij zijn uitspraak van 9 september 1998, nr. P97/21569,1 heeft het gerechtshof te Amsterdam de Inspecteur in het gelijk gesteld.

1.8. Belanghebbende heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het houdt kort gezegd in, dat uitsluitend aandelen in geldzak-BV's gehouden kunnen worden als voorraad in de zin van art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969, dat B BVgeen geldzak-BV was en dat derhalve de deelnemingsvrijstelling toepassing behoort te vinden.

1.9. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift in cassatie ingediend en het middel bestreden.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het Hof is er bij zijn rechtsoverwegingen van uitgegaan dat belanghebbende de aandelen B BV heeft gekocht om deze weer te verkopen.2 Dit uitgangspunt heeft belanghebbende in cassatie niet aangevochten, zodat het moet worden geëerbiedigd.

2.2. Het Hof heeft onder meer overwogen:

"In het algemeen geldt als voorraad de hoeveelheid zaken die zich, als bestemd voor de omzet, in het ondernemingsvermogen bevinden ter bewerking, verwerking of verkoop. De duidelijke tekst van de Wet geeft geen aanleiding af te wijken van deze uitleg van het voorraadbegrip."3

In de bijlage bij deze conclusie heb ik een beschouwing gewijd aan het voorraadbegrip in art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969. Mijn slotsom is dat bij de uitleg van dit begrip de wetshistorie dient te worden gevolgd en niet de wettekst in zijn gebruikelijke betekenis. Dat leidt ertoe dat het begrip voorraad in art. 13, lid 2, een eigen, beperkte inhoud wordt gegeven. De rechtsopvatting van het Hof is hiermee in strijd. Voor zover het cassatiemiddel hiertegen opkomt, acht ik het gegrond.

2.3. Uit de ontstaansgeschiedenis van art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969 blijkt dat de uitzondering voor aandelen die als voorraad worden gehouden voortkomt uit de wens van de wetgever de winsten behaald met de handel in zogenaamde geldzak-BV's te belasten. Maar wat de wetgever in dit verband precies voor ogen had met de aanduiding geldzak-BV is minder duidelijk.

Zeker is, dat op vennootschappen wier bezittingen alleen bestaan uit geldmiddelen de kwalificatie geldzak van toepassing is. Maar het gaat te ver om te veronderstellen dat de wetgever uitsluitend aandelen in dergelijke vennootschappen onder het voorraadbegrip van art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969 heeft willen brengen. De Staatssecretaris heeft immers, nadat hem was gevraagd een definitie van een geldzak-BV te geven, te kennen gegeven dat de bezittingen ervan ook uit (andere) beleggingen kunnen bestaan.

Zeker is voorts, dat naar de bedoeling van de wetgever aandelen in een vennootschap die in materiële zin een onderneming drijft niet als voorraad worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor aandelen in een vennootschap die onroerende zaken bezit in het kader van projectontwikkeling.

2.4. Zolang belanghebbende de houdster van de aandelen B BV was, had B BV geen enkele bezitting en geen enkele activiteit. Het vergt nogal wat fantasie om B BV dan toch te betitelen als geldzak-BV.

Maar zoals ik hiervoor onder 2.3. al heb opgemerkt, geloof ik niet dat de wetgever bij de introductie van het voorraadbegrip in art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969 uitsluitend het oog heeft gehad op vennootschappen wier bezittingen slechts uit geldmiddelen bestaan. Wij moeten ons dan ook niet op het woord geldzak-BV blind staren.

Naar ik meen is, gelet op de wetsgeschiedenis, een beter criterium de vraag of het lichaam waarin de aandelen worden gehouden bezittingen heeft die voor de koper van de aandelen financieel risico meebrengen. Is dat het geval, dan kan geen sprake zijn van het houden van de aandelen als voorraad.

2.5. In de bijlage bij deze conclusie bepleit ik, onder aandelen die als voorraad worden gehouden te verstaan: aandelen die

(i) door de belastingplichtige zijn bestemd voor de verkoop en behoren tot diens vlottende kapitaal, èn

(ii) betrekking hebben op vennootschappen welke geen activa hebben, of (nagenoeg) geen andere activa dan liquide middelen en/of bezittingen die onverwijld zonder noemenswaardig verlies in liquide middelen kunnen worden omgezet.

De aandelen B BV die van belanghebbende zijn geweest voldoen aan deze omschrijving; B BV had immers geen activa, dus ook geen andere activa dan liquide middelen en/of bezittingen die onverwijld in liquide middelen kunnen worden omgezet. Daarom meen ik dat het Hof, hoewel het is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, niettemin terecht heeft aangenomen dat belanghebbende de aandelen B BV als voorraad heeft gehouden zoals bedoeld in art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969. Het cassatiemiddel faalt dus voor zover het inhoudt dat bij een juiste, restrictieve uitleg van het begrip voorraad in art. 13, lid 2, Wet Vpb 1969 op de aandelen B BV de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Het middel als geheel kan daarom niet tot cassatie leiden.

3. Conclusie

Het middel ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vermeld in V-N 17 december 1998, punt 1.4.

2 R.o. 5.2., laatste volzin.

3 R.o. 5.2. eerste twee volzinnen.