Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4894

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
112611
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4894
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 362, geldigheid: 2000-02-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 143
NJ 2000, 557

Conclusie

Nr. 112.611 Mr Machielse

Zitting: 7 december 1999 Conclusie inzake:

P.C.M. van Nijnatten

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 27 oktober 1998 heeft het gerechtshof

te 's-Hertogenbosch het openbaar ministerie niet

ontvankelijk verklaard in zijn vervolging voor wat

betreft het aan verzoeker onder 5 en 6 tenlastegelegde.

Voorts heeft genoemd hof verzoeker - voorzover in

cassatie van belang - veroordeeld ter zake van de feiten

1 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair, telkens

opleverende "als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat

zij hem wordt gedaan teneinde hem te bewegen om, zonder

daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn

bediening iets te doen". Verzoeker is daarbij veroordeeld

tot een geldboete van ƒ 25.000,-, subsidiair 130 dagen

hechtenis.

2. De procureur-generaal bij genoemd hof heeft beroep in

cassatie ingesteld. Dit beroep is uitsluitend gericht

tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar

ministerie ten aanzien van het onder 5 en 6

tenlastegelegde. De procureur-generaal heeft hiertoe bij

schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

Voorts heeft, namens verzoeker, mr H.H.M. van Dijk,

advocaat te Uden, drie middelen van cassatie voorgesteld.

In zijn schriftuur heeft mr Van Dijk bovendien het mi

ddel

van de procureur-generaal tegengesproken.

3. Ten aanzien van de bespreking van het middel van de

procureur-generaal is het volgende van belang.

4.1. Aan verzoeker is onder 5 en 6 - kort samengevat -

<

?

>

het volgende tenlastegelegd. Onder 5 wordt aan verzoeker

verweten dat hij in de periode van 1 januari 1993 tot en

met 2 februari 1993 een aangiftebiljet voor de

Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen over het

jaar 1992 opzettelijk onjuist zou hebben ingevuld. En wel

in die zin dat hij in werkelijkheid een hoger belastbaar

inkomen zou hebben dan dat hij had opgegeven. Onder 6

wordt aan verzoeker hetzelfde grondfeit verweten. Hier

betreft het evenwel het aangiftebiljet over het jaar 1993

dat in de periode van 25 februari 1994 tot en met 10

maart 1994 zou zijn ingevuld.

4.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting

van het hof van 13 oktober 1998 heeft verzoekers raadsman

aldaar onder meer het volgende verweer gevoerd. Ik citeer

uit 's hofs samenvatting van het verweer in de bestreden

uitspraak:

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn

strafvervolging.

De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie

ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde niet

ontvankelijk is in zijn vervolging, aangezien het

openbaar ministerie terzake deze feiten heeft gehandeld

in strijd met de aanmeldings-, transactie- en

vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en

douanedelicten, vastgesteld in de vergadering van de

procureurs-generaal d.d. 7 april 1993 en gepubliceerd in

de Staatscourant (1993, 75) (hierna: de Richtlijnen;

A.M.). De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat ingevolge

deze richtlijnen een particulier eerst voor

strafrechtelijke vervolging in aanmerking komt indien de

ontdoken belasting gedurende de onderzoeksperiode ƒ

12.000,-- of meer bedraagt en de zaak tenminste 3 punten

krijgt krachtens de bij de richtlijn behorende lijst

prioriteitsbepaling. De raadsman heeft (ten aanzien van

feit 5; A.M.) betoogd dat, nu verdachte in totaal een

bedrag van ƒ 12.810,-- niet aan de belasting heeft

opgegeven, hij daarover zeker niet eenzelfde bedrag aan

de belasting verschuldigd is en kan aan de cumulatief

gestelde voorwaarde van de vereiste punten niet meer

toegekomen worden.

4.2.2. Ten aanzien van feit 6 heeft verzoekers raadsman

blijkens zijn aan genoemd proces-verbaal van de

terechtzitting in appel gevoegde pleitnota in hetzelfde

verband ter zitting betoogd dat verzoeker over het jaar

1993 in werkelijkheid niet een hoger belastbaar inkomen

heeft gehad dan dat hij heeft opgegeven en zelfs een

teruggave heeft ontvangen van een bedrag van ƒ 22.408,-

van de belastingdienst. Ten bewijze hiervan heeft

verzoekers raadsman ter zitting een kopie van de

uitspraak op verzoekers bij de belastingen ingediende

bezwaarschrift 1993 overgelegd.

4.2.3. Blijkens het al genoemde proces-verbaal heeft de

procureur-generaal van het hof op dat verweer -

uitsluitend - aldus gereageerd, dat de Richtlijnen niet

zijn "geschreven voor gevallen waarin samenloop met

andere delicten aan de orde is".

4.2.4. Het bestreden arrest houdt ten aanzien van het

niet-ontvankelijkeheidsverweer de volgende beslissing in:

Het hof deelt de zienswijze van de raadsman en zal

mitsdien het openbaar ministerie ten aanzien van het

onder 5 en 6 ten laste gelegde niet ontvankelijk

verklaren in zijn vervolging.

4.3. Voor de beoordeling van het middel is vooropgesteld

het volgende van belang:

- Het hiervoor weergegeven betoog van de raadsman ten

aanzien van feit 5 kan niet anders worden begrepen dan

dat de raadsman daarin heeft gesteld dat verzoeker over

19923 in totaal weliswaar een bedrag van ƒ 12.810,-- niet

aan de belasting heeft opgegeven maar dat het bedrag aan

te weinig geheven belasting of premiehij, gelet op het

belastingpercentage dat hij verzoeker over dat bedrag in

werkelijkheid aan belastingen verschuldigd is, beneden de

grens van ƒ 12.000,- blijft. Ingevolge Als gevolg hiervan

kan aan de cumulatief gestelde voorwaarde van de vereiste

punten niet meer toegekomen worden. Nu het hof zich

hiermee heeft verenigd dient in cassatie van de in dit

betoog vervatte feiten en omstandigheden uit te worden

gegaan.

- Nu het hof voorts het ten aanzien van feit 6 gevoerde

verweer in het midden heeft gelaten dat verzoeker over

het jaar 1993 een teruggave heeft ontvangen van een

bedrag van ƒ 22.408,- van de belastingdienst zal ook

hiervan in cassatie moeten worden uitgegaan.

5. In het middel van de procureur-generaal worden met

juistheid de volgende uitgangspunten in stelling

gebracht. Gelet op de tenlastgelegde periode onder 5 die

de aanvang van het jaar 1993 bestrijkt zijn ten aanzien

van dat feit de oude Richtlijnen van toepassing: te weten

de Herziene richtlijnen bij het aanbieden van een

transactie ingevolge art. 76 AWR (Stct. 1990, 243, datum

inwerkingtreding 1 januari 1991). Ten aanzien van het

onder 6 aan verzoeker verweten feit dat de periode van

begin 1994 bestrijkt zijn de huidige Richtlijnen van

toepassing, waarvan de datum van inwerkingtreding is

bepaald op 1 juni 1993 (Stct. 1993, 75).

6. De oude Richtlijnen die dus uitsluitend van belang

zijn voor feit 5 hebben - kort samengevat - als

uitgangspunt, dat in een zaak, waarin de te weinig

geheven belasting/premie beneden de grens van circa ƒ

50.000,- blijft, door het openbaar ministerie een

transactie wordt aangeboden. Uitzonderingen en

nuanceringen hierop zijn mogelijk en deze worden ook

uitdrukkelijk genoemd in de oude Richtlijnen. Dat

evenwel, zoals door de procureur-generaal ter zitting is

betoogd, de Richtlijnen niet zouden zijn "geschreven voor

gevallen waarin samenloop met andere delicten aan de orde

is", valt uit die oude Richtlijnen allerminst

destilleren. Weliswaar houden deze onder meer het

volgende in:

"Fiscale delicten, die in georganiseerd verband en/of met

een zekere listigheid zijn gepleegd, komen in beginsel,

ongeacht de hoogte van de te weinig geheven belasting

en/of premie, voor (verdere) strafrechtelijke vervolging

in aanmerking. Te denken valt hier aan gevallen, die zijn

gepleegd met (...) op een zodanige wijze, dat ook andere

(commune) delicten zijn gepleegd, zoals bedreiging,

omkoping (...) e.d." (par. II en par. III onder b. van

oude Richtlijnen).

maar hieruit volgt slechts dat, indien sprake zou zijn

van samenhangloop van een of meer fiscale delicten met

een of meer commune delicten, hiermede van een

uitzondering op de hoofdregel van de

vervolgingsrichtlijnenen sprake is. Hiervan isDat geval doet zich hier evenwel

thans geen sprakeniet voor. De tenlastegelegde commune

en fiscale delicten vertonen geen samenhang. In het

requisitoir in hoger beroep gevoerd is evenmin gewezen op

een uitzondering volgens de Richtlijnen van 1990, die

vervolging toch rechtvaardigt. Voorzover de procureur-

generaal zich dan ook in cassatie op deze

uitzonderingsgrond van de oude Richtlijnen beroept, faalt

het middel.

7. In aanmerking genomen dat voorts in cassatie vast

staat dat verzoeker ten aanzien van feit 5. in totaal een

bedrag van ƒ 12.810,-- niet aan de belasting heeft

opgegeven , de onjuiste stelling van de procureur-

generaal in aanmerking genomen, alsmede erop geleten dat

het uitgangspunt van de oude Richtlijnen inhoudt dat

beneden de grens van ƒ 50.000,- een transactie wordt

aangeboden, is 's hofs oordeel dat het openbaar

ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in

zijn vervolging ten aanzien van het onder 5

tenlastgelegde niet onbegrijpelijk. 's Hofs op feitelijke

waardering berustende honorering van het beroep op niet-

ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan in

cassatie niet verder worden getoetst.<(1) Vgl. HR NJ 1989, 575.

> Dat het hof op dit

punt kennelijk per abuis in het midden heeft gelaten dat

ten aanzien van dit feit de oude Richtlijnen van

toepassing zijn, is slordig, maar maakt dit niet anders.

Uitermate slordig vind ik dit overigens wel.

8. De huidige Richtlijnen welke dus van belang zijn voor

feit 6 houden - zoals in het middel van de procureur-

generaal met juistheid wordt aangevoerd - ten aanzien van

de algemene uitgangspunten (onder par. 3) en voor zover

van belang het volgende in:

"De aard van de richtlijnen sluit niet uit, dat

individuele gevallen van de richtlijnen kan worden

afgeweken. Hiertoe kan worden besloten indien er gezien

de ernst van de schendingen of de persoon van de

verdachte aanleiding toe bestaat. Zulke afwijkingen zijn

mogelijk zowel 'naar boven' als 'naar beneden'. Voorts

zijn de richtlijnen niet van toepassing op zaken die

voortkomen uit onderzoeken door multi-disciplinair

samengestelde teams".

Hiernaast houden de Richtlijnen (onder par. 7) ten

aanzien van de vervolging nog in:

"Een zaak komt in beginsel voor dagvaarding in aanmerking

indien een transactie gelet op de ernst van de

geconstateerde normschending en/of de persoon van de

verdachte een onvoldoende reactie vormt".

En voorts (onder par. 7.2):

"Een particulier komt eerst voor strafrechtelijke

vervolging in aanmerking, indien de ontdoken belasting

gedurende de onderzoeksperiode ƒ 12.000,- of meer

bedraagt en (onderstreping door mij, A.M.)de zaak ten

minste drie punten krijgt krachtens de bij deze

richtlijnen behorende lijst prioriteitsbepaling (zie par.

8)".

Blijkens de hiervoor genoemde lijst (par. 8) komt

aan een bedrag aan ontdoken belasting van ƒ 12.000,- tot

ƒ 50.000,- een punt toe. Aan de status van de verdachte,

dan wel diens "voorbeeldfunctie", kan eveneens een

toekomen. Maar ook aan de combinatie van een onjuiste

aangifte met een of meer andere (niet fiscale) delicten

kan een punt toe komen.

9. Anders dan door de procureur-generaal ter zitting is

gesteld, houden ook de huidige Richtlijnen evenwel niet

in dat deze niet zouden zijn "geschreven voor gevallen

waarin samenloop met andere delicten aan de orde is".

10. Voorzover in het middel - op zich met juistheid -

wordt gesteld dat de huidige Richtlijnen niet van

toepassing zijn op zaken die voortvloeien uit onderzoeken

door multidisciplinair samengestelde teams (par. 3) en

dat het in de onderhavige zaak om zo een onderzoek gaat,

mist het middel feitelijke grondslag. Het hof heeft

hierover de samenstelling van het onderzoeksteam niets

vastgesteld, terwijl dit evenmin ter zitting als

omstandigheid is aangevoerd.

11. Als gezegd staat in cassatie ten aanzien van feit 6

vast dat verzoeker ten aanzien van de

inkomstenbelasting/premievolksverzekering over 1993 een

teruggave heeft ontvangen van de belastingdienst. De

procureur-generaal heeft hier niets tegenin gebracht.

Cruciaal is dat de procureur-generaal zich in

feitelijke aanleg niet heeft beroepen op één of meer van

de hiervoor weergegeven in de huidige Richtlijnen

genoemde uitzonderingen op het vervolgingsbeginsel om

niet te vervolgen onder die grens van ƒ 12.000,-.

Voorzover hierop in cassatie alsnog een beroep wordt

gedaan wordt miskend dat in cassatie niet voor het eerst

een beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden

die in cassatie niet vast staan en waaromtrent niet

eerder een verweer is gevoerd. Hieronder acht ik mede

begrepen die precieze vervolgingsgronden van het openbaar

ministerie. Ook in zoverre faalt dus het middel.

12. Op grond van het vorenoverwogene alsmede het reeds

genoemde vervolgingsbeginsel van de huidige Richtlijnen

in aanmerking genomen, acht ik ook 's hofs beslissing om

het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in

zijn vervolging ten aanzien van feit 6 niet

onbegrijpelijk.

13. Voorzover de procureur-generaal in het middel nog HR

NJ 1987, 304 in herinnering roept, faalt het middel reeds

op de door de procureur-generaal zelf aangevoerde

omstandigheden. Immers, in die zaak betrof het een

vervolging die niet zozeer - zoals in casu - was geënt op

een vervolgingsrichtlijn maar één die veeleer en

uitsluitend was gestoeld op art. 80 AWR. Maar ook

overigens betrof het in die zaak een totaal andere,

strikt formele kwestie (de inzending van de processen-

verbaal bij het bestuur van 's Rijks belastingen), waarop

naar 's hofs oordeel - anders de Hoge Raad - de

vervolging diende af te stuiten. Thans is van een

dergelijke formaliteit geen sprake.

Ook voorzover de steller van het middel zich nog

beroept op een eerdere - door de Hoge Raad in stand

gelaten - beslissing van het gerechtshof te 's-

Hertogenbosch om het openbaar ministerie wèl ontvankelijk

te achten in zijn vervolging, faalt het middel. Immers,

in die op 19 augustus 1994 gegeven uitspraak heeft het

hof - zoals in het middel zelf ook staat aangegeven -

zeer uitdrukkelijk gelet op de functie van de verdachte,

te weten die van burgemeester. In casu is bij verzoekers

- ook nog eens voormalige - functie in beduidend mindere

mate sprake van een voorbeeldfunctie, namelijk die van

wethouder.

Ook in zoverre faalt derhalve het middel.

14. Tenslotte wijs ik erop dat de oude en de huidige

Richtlijnen "recht" conform art. 99 Wet R.O. vormen nu

deze deugdelijk zijn bekend gemaakt en het openbaar

ministerie daaraan is gebonden, alsmede nu deze zich

jegens betrokkenen lenen om als rechtsregel te worden

toegepast.<(2) Onder meer HR NJ 1997, 724 en 1991, 119.

> Dat in art. 167 Sv het opportuniteitsbeginsel

is neergelegd waaruit volgt dat aan de officier van

justitie - ook in dit verband - binnen de door de wet en

de beginselen van behoorlijk bestuur gestelde grenzen

enige beleidsvrijheid toekomt, betekent in mijn visie niet

dat van de zijde van het openbaar ministerie met vrucht

eerst in cassatie (deugdelijke) redenen kunnen worden

aangevoerd op grond waarvan van de in de richtlijnen

neergelegde vervolgingsbeginselen zou dienen te worden

afgeweken, dan wel dat voor het eerst op feitelijke

gronden wordt aangevoerd dat deze op bepaalde gronden

toepassing missen.

In HR NJ 1991, 694 m.nt.C. heeft de Hoge Raad

geoordeeld dat de opvatting dat art. 167 lid 2 het

Openbaar Ministerie onder alle omstandigheden de vrijheid

geeft al dan niet van vervolging af te zien, zonder

daarvoor verantwoording af te leggen, in zijn

algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard.

Beginselen van een behoorlijke procesorde kunnen - aldus

de Hoge Raad - onder omstandigheden meebrengen dat het

openbaar ministerie naar aanleiding van een desbetreffend

verweer motiveert waarom het in een individueel geval tot

vervolging overgaat, in afwijking van bij de verdachte

gewekt vertrouwen dat van vervolging zou worden afgezien.

Van dit laatste is naar mijn mening thans sprake, gelet

op de inhoud van de oude en huidige Richtlijnen.

Mijn voormalig ambtgenoot Leijten heeft in zijn

conclusie vóór genoemd arrest nog het volgende

neergelegd. Indien er een algemeen vervolgingsbeleid -

uitgaande van het Openbaar Ministerie - voor handen is,

zal "flagrante afwijking van dat beleid - zoals dat

praktijk wordt toegepast - motivering behoeven en kan het

ontbreken daarvan zozeer in strijd zijn met de regels van

fatsoenlijke vervolging, dat zulks tot niet-

ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de

vervolging moet leiden". Ik sluit me hier bij aan en voeg

daar nog aan toe dat ik een ondeugdelijke motivering in

dit verband op één lijn wil stellen met het ontbreken van

een motivering.

Ook wil ik nog wijzen op de noot onder genoemd

arrest. De annotator stelt hierin onder meer dat het

"voor de hand ligt" dat verzaking van de hiervoor

bedoelde motiveringsplicht leidt tot niet-

ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. "Het

volkomen acceptabel dat een orgaan als het Openbaar

Ministerie dat over veel macht beschikt, moet uitleggen

waarom het anders handelt dan mag worden verwacht".

15. Kortom: 's hofs oordeel omtrent de niet-

ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn

vervolging ten aanzien van het onder 5 en 6 aan verzoeker

tenlastegelegde acht ik gelet op het namens verzoeker

gevoerde verweer en de respons daarop van het openbaar

ministerie toereikend gemotiveerd.

16. Het middel van de procureur-generaal faalt derhalve.

17. Voorzover namens verzoeker het middel van cassatie

van de procureur-generaal is tegengesproken behoeft dit

gelet op het vorenoverwogene geen bespreking meer. Ik kom

dan nu ook toe aan de bespreking van de namens verzoeker

ingediende cassatiemiddelen.

18. Het eerste middel heeft betrekking op de feiten 1, 3

en 4. In het middel wordt - in essentie - ten eerste

betoogd dat 's hofs bewijsmiddelen ontoereikend zijn voor

de bewezenverklaring dat verzoeker giften heeft

aangenomen, "wetende" dat die giften hem werd gedaan om

hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen. Te

weten (a) het in de gelegenheid stellen om een goede naam

bij (de/een ambtena(a)r(en) van) de gemeente Eindhoven te

krijgen of te houden in verband met het verstrekken van

projecten, en (b) het in stand houden of verbeteren van

de zakelijke relatie(s) met (de/een ambtena(a)r(en) van)

de gemeente Eindhoven.

19. Het hof heeft aan zijn bewezenverklaringen de

volgende nadere overweging omtrent het bewijs gewijd:

Met betrekking tot de feiten 1, 3 en 4 overweegt het hof

verder dat, gelet op de volgende feiten en

omstandigheden:

- de belangrijke positie die verdachte inzake ruimtelijke

ordening en standsontwikkeling in het ambtelijk apparaat

van de gemeente Eindhoven bekleedde;

- de omstandigheid dat de giften werden gedaan door de

ondernemers die er, ook volgens hun eigen verklaringen,

alle belang bij hadden goodwill te kweken bij het

ambtelijk apparaat van de gemeente, voorzover direct of

indirect belast met bouwaangelegenheden;

- de omstandigheden waaronder de giften werden gedaan (de

Arubareis werd door verdachte bewust niet gemeld bij zijn

chef, aan van Rijswijck en Horyon werden door verdachte

"zwarte" betalingen verricht en voor de

betalingsconstructie met betrekking tot de keuken werd

een valse factuur gebruikt),

het niet anders kan zijn dan dat verdachte heeft geweten

dat de giften door de verschillende ondernemers aan hem

werden gedaan teneinde een tegenprestatie te verkrijgen

zoals deze in de bewezenverklaring is omschreven.

Ander dan door de verdediging is betoogd acht het hof

deze omschrijvingen voldoende concreet.

20. Vooropgesteld ligt - anders dan de steller van het

middel veronderstelt - in 's hofs hiervoor weergegeven

overweging als zijn kennelijke oordeel besloten dat

verzoeker niet alleen "heeft geweten", maar dus ook dat

hij "moet hebben begrepen" en "heeft begrepen", dat de

door hem aangenomen giften aan hem werd gedaan om hem te

bewegen om in zijn bediening iets te doen.

21. In het middel wordt ten tweede naar ik begrijp

geklaagd over de begrijpelijkheid van het hiervoor

weergegeven oordeel van het hof. In dit licht wordt

erover geklaagd dat uit de door het hof gebezigde

bewijsmiddelen niet zou blijken dat tussen verzoeker en

Van der Hoeven (feit 1) als ook tussen verzoeker en Van

Rijswijck (feit 3) na de bewezenverklaarde gift nog enig

contact zou zijn geweest.

22. De hiervoor weergegeven klacht geeft blijk van een

onjuiste rechtsopvatting van art. 362 Sr. Dat art. 362 Sr

een beloning vooraf eist, en niet achteraf, zoals door de

steller van het middel in dit verband wordt aangevoerd,

staat hier geheel los van. Het gaat er immers gelet op de

bewoordingen en bestanddelen van dat artikel om dat de

ambtenaar - op het moment dat die de gift aanneemt - weet

dat die gift hem is gedaan om in de toekomst iets te doen

of na te laten. Zoals in de losbladige editie van het

WvSr staat weergegeven, is niet noodzakelijk dat één qua

tijd en plaats en verdere details nauwkeurig vaststaande

handeling wordt beoogd.<(3) NLR aant. 2 op art. 362 Sr.

> Hieruit volgt onder meer dat niet

behoeft vast te staan dat het beoogde handelen of nalaten

ook daadwerkelijk is gevolgd. Dit zou ook vreemd zijn.

Immers, zou een ambtenaar, die vandaag een gift heeft

aangenomen in de wetenschap dat zij hem wordt gedaan om

in de toekomst iets te doen of na te laten, en die al na

een week na de gift onvoorzien wordt ontslagen, niet

vervolgd kunnen worden op grond van art. 362 Sr omdat de

door de gever beoogde handeling niet is gevolgd? En zou

een ambtenaar evenmin kunnen worden vervolgd voor

handelen in strijd met art. 362 Sr omdat de beoogde

handeling van de gever nog niet is gevolgd? In mijn

optiek moeten deze vragen ontkennend beantwoord worden,

zodat het middel op dit punt geen verdere bespreking

behoeft.

23. Zuiver ten overvloede wijs ik erop dat tussen

verzoeker en Van der Houven (feit 1) na de

bewezenverklaarde gift nog wel degelijk contact is

geweest. Dit volgt uit de verklaring van Wouters dat Van

der Houven hem heeft medegedeeld dat er, na de reis naar

Aruba die van der Houven onder andere verzoeker en een

andere gemeenteambtenaar heeft aangeboden "omdat ze hem

in het zadel geholpen hadden" nog "regelmatig contact"

tussen Van der Houven en verzoeker is geweest. Voorts

heeft Wouters verklaard: "Van der Houven zei toen dat

deze reis zeker niet onrendabel was geweest omdat hij na

deze reis voor de B.V. gunstige projecten heeft kunnen

realiseren" (bewijsmiddel 5).

Voor het bewijs van de - veel belangrijker -

"link" tussen de gift en het daarmee beoogde doel van de

gever is van belang dat Van der Houven in dit verband

heeft verklaard dat hij verzoeker uit "een commerciële

reden" en "met een zuiver commercieel doel" op de reis

naar Aruba heeft gefêteerd (bewijsmiddel 6) en dat hij

zulks zag "als goodwill" (bewijsmiddel 8).

Voor de "link" tussen de gift en het daarmee

beoogde doel van de gever is - wat betreft feit 3 - van

belang dat Van Rijswijck (feit 3) heeft verklaard dat hij

de bevoordeling van verzoeker door de gift ter besparing

op verzoekers keuken van ƒ 2500,- heeft gedaan met het

oog op verzoekers positie bij de gemeente en uit

"goodwill", uit een "oogpunt van acquisitie omdat

verzoeker de naam van Van Rijswijck zou kunnen laten

vallen bij projectontwikkelaars, de gronduitgifte van de

gemeente en door hem nader aangeduide plannen

(bewijsmiddel 15).

24. Voorzover in cassatie erover wordt geklaagd dat het

hof een bepaalde in een later stadium afgelegde

verklaring van Van der Houven met betrekking tot de gift

niet geloofwaardig heeft geacht, kan het middel niet tot

cassatie leiden. Dit is een feitelijk, met de selectie

van de bewijsmiddelen samenhangend, oordeel dat typisch

tot het terrein van de feitenrechter behoort. Volgens

vaste rechtspraak van de Hoge Raad is zo'n oordeel aan de

feitenrechter voorbehouden en kan daarover in cassatie

niet worden geklaagd, uitzonderingen daargelaten die zich

hier niet voordoen.

25. Voorzover tot slot - zonder enige nadere adstructie -

erover wordt geklaagd dat met betrekking tot feit 4 uit

de bewijsmiddelen niet kan worden opgemaakt dat Horyon

verzoeker "een gift of belofte zou hebben gedaan waarvan

verzoeker tot cassatie wist dat zij hem werd gedaan om

hem te bewegen om zonder daardoor in strijd met zijn

plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten",

acht ik de klacht te weinig specifiek om te bespreken.

Overigens is deze weergave van de bewezenverklaring ook

nog eens te veelomvattend.

26. Het eerste middel faalt dus.

27. Het tweede middel klaagt erover dat de door het hof

gebezigde bewijsmiddelen voor feit 3 en 4 innerlijk

tegenstrijdig zouden zijn omdat daaruit zou volgen dat

bij verzoeker "maar liefst 2 aanrechtbladen zijn geleverd

en geplaatst" in zijn "relatief kleine" nieuwe keuken.

Ten aanzien van feit 3 zou de levering van "een

keukenblad" blijken uit de voor het bewijs gebezigde

"orderbevestiging van Van Nunen Keukens B.V.".

28. Het middel mist feitelijke grondslag. Uit de hiervoor

genoemde orderbevestiging kan niet worden opgemaakt dat

"een keukenblad" zou zijn geleverd, maar hooguit dat een

"keuken" is geleverd, alsmede kunststof plateaus voor de

magnetron en twee steunen, een mengkraan, spoelbakken,

verlichting en een krans- en lichtlijst.

28. Het tweede middel kan dus niet tot cassatie leiden.

29. Het derde middel berust op de stelling dat het hof

een zwaardere straf heeft opgelegd dan door de procureur-

generaal is gevorderd.

30. Blijkens het proces-verbaal ter zitting van het hof

van 13 oktober 1998 heeft de procureur-generaal aldaar

gevorderd de bewezenverklaring van de feiten 2 primair, 3

primair, 4 primair, 5 en 6 en daarvoor een

gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan

drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee

jaar en een geldboete van ƒ 15.000,-, subsidiair 130

dagen hechtenis geëist.

31. Het hof heeft een straf opgelegd als hiervoor onder 1

is weergegeven.

32. Het middel mist feitelijke grondslag. In art. 9 Sr

staat de relatieve zwaarte van de te onderscheiden

straffen weergegeven. De door het hof opgelegde geldboete

is als ingevolge hiervan reeds een lichtere straf dan de

door de procureur-generaal gevorderde vrijheidsstraf. Het

feit dat het hof bij zijn strafoplegging boven de

eveneens gevorderde geldboete is gaan zitten, doet

hieraan niet af. Evenmin doet hieraan af - zoals de

steller van het middel onder aanhaling van HR NJ 1979,

275 ook zelf al veronderstelt - de omstandigheid dat het

hof geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ex

art. 27 lid 3 Sr, aangezien zulks in cassatie niet kan

worden getoetst.

33. De klacht tenslotte dat het hof niet op verzoekers

draagkracht zou hebben gelet deelt hetzelfde lot, gezien

's hofs strafmotivering en zijn opnemen van art. 24c Sr

onder de aangehaalde artikelen.

34. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb

aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het

beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,