Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4878

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/174HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4878
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 3a, geldigheid: 2000-02-18
Faillissementswet 15b, geldigheid: 2000-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2000/64
JOL 2000, 114
NJ 2000, 296
RvdW 2000, 63

Conclusie

Rek.nr. R99/174HR Mr Strikwerda

Parket, 4 jan. 2000 conclusie inzake

[gefailleerde]

tegen

Benfried B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij zijn arrest van 5 oktober 1999 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage het vonnis van de Rechtbank aldaar van 1 september 1999, waarbij thans verzoeker van cassatie, hierna: [gefailleerde], op verzoek van thans verweerster in cassatie, hierna: Benfried, in staat van faillissement is verklaard, bekrachtigd.

2. Tegen dit arrest is [gefailleerde] (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. Benfried heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om verweer te voeren.

3. Het middel keert zich tegen de weigering van het Hof om de faillissementsaanvraag te schorsen in afwachting van de beslissing op het inmiddels door [gefailleerde] bij de Rechtbank ingediende verzoekschift ex art. 284 Fw tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

4. Het Hof grondde zijn weigering op de overweging dat toewijzing van het schorsingsverzoek ertoe zou leiden dat de Rechtbank bij de behandeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zou stuiten op de faillissementsprocedure bij het Hof en zich, ingevolge de wetssystematiek, genoodzaakt zou zien het verzoek tot schuldsanering aan te houden totdat het Hof in de faillissementsprocedure heeft beslist (r.o. 7).

5. Het middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat "analoge althans redelijke wetstoepassing ertoe (dient) te leiden dat ook in een hoger beroep naar aanleiding van een uitgesproken faillietverklaring, schorsing daarvan het gevolg is als blijkt van een ingediend verzoekschrift ex art. 284 Faill.wet".

6. Het middel faalt. Het verzoekschrift tot faillietverklaring van [gefailleerde] is door Benfried op 8 juni 1999 bij de Rechtbank ingediend. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling door de Rechtbank in raadkamer van het verzoekschrift op 7 juli 1999 heeft [gefailleerde] aldaar verklaard dat hij "bericht (heeft) gekregen van de rechtbank omtrent de WSNP". Daaruit valt op te maken, dat - in ieder geval vóór 7 juli 1999 - aan [gefailleerde] de kennisgeving bedoeld in art. 3 lid 1 Fw is gedaan. Uit de bijlagen bij de brief d.d. 15 november 1999 van de advocaat van [gefailleerde] aan de Civiele Griffie van de Hoge Raad blijkt dat het verzoekschrift ex art. 284 Fw tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling eerst op 5 oktober 1999 door [gefailleerde] bij de Rechtbank is ingediend. Hieruit volgt dat [gefailleerde] het verzoekschrift als bedoeld in art. 284 Fw na het verstrijken van de termijn van veertien dagen bedoeld in art. 3 lid 1 Fw heeft ingediend. Derhalve was noch de Rechtbank, noch het Hof gehouden op de voet van art. 3a lid 2 Fw de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring te schorsen. Het is aan de rechter die beslist op het door [gefailleerde] ingediende verzoekschrift ex art. 284 Fw om te beoordelen of er gronden zijn om met toepassing van art. 15b Fw het uitgesproken faillissement op te heffen onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,