Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4871

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
C98/211HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 177, geldigheid: 2000-02-18
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 399, geldigheid: 2000-02-18
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 401a, geldigheid: 2000-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2000/82
JOL 2000, 119
NJ 2000, 352
RvdW 2000, 65
JAR 2000, 82

Conclusie

Rolnr. C 98/211

Zitting 3 december 1999

Conclusie mr Spier

inzake

CAAIB BOULABHAR

(hierna: werknemer of

Boulabhar)

tegen

1. DE V.O.F. VAN STEYN

& ZN

2. J.M. VAN STEYN

3. J.A.M. VAN STEYN

4. R.M. VAN STEYN

(hierna: Van Steyn)

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten

1.1 Tussen Boulabhar en Van Steyn heeft een

arbeidsovereenkomst bestaan. Op 18 december 1996 heeft

Boulabhar het werk verlaten. Sedertdien heeft hij geen werk

zaamheden meer voor Van Steyn verricht.

1.2 Boulabhar heeft Van Steyn op 27 december 1996 bezocht.

1.3 Van Steyn heeft werknemer bij brief van diezelfde datum be

richt dat zij ervan uitgaat dat hij zijn werkzaamheden op 30

december 1996 zal hervatten.

1.4 Van Steyn heeft de regionaal directeur voor de Arbeids

voorziening (RDA) verzocht toestemming te verlenen de arbeids

overeenkomst met Boulabhar te beëindigen.

1.5.1 Boulabhar heeft zich tegen dat verzoek verweerd. Hij

stelt in zijn verweerschrift van 11 februari 1997 o.m.:

"Ik wil nog steeds terug naar mijn werk onder voorwaarde

dat ik ALLE mijn loonstrookjes van 1991 t/m 1996 krijg en

over alle gewerkte dagen moet mijn werkgever met terug

werkende kracht premies en belasting afdragen"

1.5.2 De reactie van Boulabhar vervolgt (hetgeen door de

Rechtbank niet is vastgesteld, doch uit de stukken blijkt)<(1) Ik vermeld dit gegeven omdat hetgeen onder 1.6 wordt

geciteerd - en door de Rechtbank wél is vastgesteld -

anders moeilijk te begrijpen is.

>:

"Ook laat ik u weten dat ik mijn werk op 24 februari 1997

zal hervatten."

1.6 Van Steyn heeft werknemer bij brief van 21 februari 1997

o.m. meegedeeld:

"Daar u mondeling heeft opgezegd delen wij u mede dat

arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden met ingang

van 30 december is ontbonden. U hoeft dus per 24-2-1997

niet op de werkplek te verschijnen."

1.7 De Kantonrechter te Leiden heeft de arbeidsovereenkomst

ontbonden bij beschikking van 17 december 1997, met ingang van

1 oktober 1997, zulks onder toekenning aan werknemer van een

vergoeding van ƒ 10.000 bruto.

1.8 Met het oog op het cassatieberoep, dat in het bijzonder

steunt op een veelheid van feitelijke stellingen, voeg ik nog

enkele gegevens toe die, naar ik uit de stukken afleid, tussen

partijen in confesso zijn.

1.9 Boulabhar heeft rond 4 april 1997 de bijstand van Mr De

Boorder ingeroepen. Z.E.G. heeft de RDA bij brief van 4 april

1997 o.m. bericht:

"Cliënt is onverkort werkwillig."

1.10 Bij brief van 10 april 1997 deelt Mr De Boorder aan Ruis,

klaarblijkelijk de accountant van Van Steyn, mee:

"Uit de mij ter beschikking staande stukken blijkt dat

cliënt vanaf 18 december 1996 onverkort werkwillig is en

zich op 30 december 1996 ter werkhervatting bij Uw

cliënten heeft gemeld.

Voor de goede orde bericht ik U nadrukkelijk dat cliënt

onverkort werkwillig is en op de eerste afroep beschik

baar is om zijn werkzaamheden te hervatten."

1.11 De RDA heeft op 14 mei 1997 geweigerd toestemming te

verlenen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2. Procedureverloop

2.1 Werknemer heeft zich op 9 juni 1997 gewend tot de Kanton

rechter te Leiden. Hij vorderde doorbetaling van loon vanaf 27

december 1996 tot aan het rechtsgeldige einde van de ar

beidsovereenkomst, wedertewerkstelling en - zou hij door Van

Steyn zijn ontslagen - nietig-verklaring van dit ontslag.

2.2 Werknemer heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd

dat hij door Van Steyn op 27 december 1996 van het werk is

weggestuurd en, hoewel hij herhaaldelijk bij Van Steyn is

langsgeweest, niet meer tot de werkplek is toegelaten.

2.3 Van Steyn heeft zich tegen de vorderingen van werknemer

verweerd. Zij stelde zich op het standpunt dat werknemer de

werkplek uit vrije wil heeft verlaten en dat hij zijn werk

zaamheden niet meer wilde hervatten.

2.4 Van Steyn stelde voorts: Boulabhar heeft sedert 1991 op

"ad hoc basis" gewerkt. De afspraak was dat hij op 17 december

1996 zou overwerken. Die dag kwam hij na de avondpauze niet

meer terug. Boulabhar is daar de volgende dag op aangesproken.

Toen heeft hij de werkplek zonder nadere verklaring verlaten.

Werknemer heeft Van Steyn op 27 en 28 december 1996 en begin

januari 1997 bezocht. Hij werd vergezeld door een derde. Hij

vroeg o.m. om afgifte van zijn jaaropgaven vanaf 1991; die

konden hem niet direct worden verstrekt. Tevens werd namens

Boulabhar gedreigd met een proces, "dat het bedrijf wel eens ƒ

40.000 zou kunnen kosten". Werknemer zou het wel willen rege

len voor ƒ 20.000 in contanten. Bij ieder bezoek aan Van Steyn

is werknemer verzocht het werk te hervatten. Hij is hier niet

op ingegaan. Werknemer is op 27 december 1996 per brief ge

vraagd op 30 december 1996 het werk te hervatten. Werknemer is

echter niet ver schenen. Werknemer heeft zich pas op 4 april

1997 bereid verklaard zijn werk te hervatten. Die bereidverkla

ring is vanwege de tijdsspanne tussen 18 december 1996 en 4

april 1997 "volstrekt ongeloofwaardig" te achten, ook al omdat

hij sedert februari 1997 elders werkzaam was.

2.5 De Kantonrechter heeft de vorderingen van werknemer op 17

december 1997 afgewezen.

2.6 De Kantonrechter achtte het niet aannemelijk geworden dat

werknemer in de periode van 27 december 1996 tot 1 oktober

1997 "ooit daadwerkelijk zijn diensten heeft aangeboden

beschikbaar is geweest voor arbeid" en noemde het standpunt

van werknemer dat hij daadwerkelijk bereid was de bedongen

arbeid te verrichten "volstrekt ongeloofwaardig". Werknemer

zou dit standpunt, ondanks het verweer terzake van Van Steyn,

op geen enkele wijze nader hebben onderbouwd. Naar het oordeel

van de Kantonrechter was werknemer op 18 december 1996 "kenne

lijk gewoon boos of beledigd weggelopen".

2.7 Voorzover Van Steyn al in verzuim zou zijn geweest loon

specificaties te verstrekken, stelde de Kantonrechter dat:

"dit geen reden is om de arbeidsprestatie (met behoud van

recht op loon) op te schorten, al was het maar omdat

Boulabhar Van Steyn toen nog nimmer schriftelijk in

gebreke had gesteld."

2.8 De vordering tot wedertewerkstelling werd afgewezen omdat

de arbeidsovereenkomst inmiddels (per 1 oktober 1997) was

ontbonden; de nietig-verklaring werd afgewezen omdat "van een

door Van Steyn gegeven ontslag niets is gesteld of gebleken".

2.9 Werknemer heeft tegen dit vonnis beroep ingesteld bij de

Rechtbank te 's-Gravenhage. Hij heeft in appèl zijn eis, strek

kende tot weder-tewerkstelling, klaarblijkelijk ingetrokken.

Hij heeft zijn vordering tot doorbetaling van loon gewijzigd,

in dier voege dat aanspraak wordt gemaakt op loon vanaf 18

december 1996 in plaats van 27 december 1996.

2.10 Werknemer heeft in appèl twee grieven geformuleerd. In

grief I maakte hij de Kantonrechter (kort samengevat) het

verwijt op onjuiste gronden tot het oordeel te zijn gekomen,

dat hij niet werkelijk bereid was de bedongen arbeid te ver

richten, waarbij de Kantonrechter tevens ten onrechte zou

hebben overwogen dat werknemer zich "niet onderbouwd werkwil

lig heeft verklaard" (zie onder de derde subgrief).

2.11 In grief II verwijt werknemer de Kantonrechter dat hij

hem niet tot het bewijs van zijn stellingen heeft toegelaten.

2.12 Van Steyn heeft verweer gevoerd. Zij voert - samengevat -

aan dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode vóór

en na 24 februari 1997. Voordien bestond de

arbeidsovereenkomst nog, maar bestaat geen verplichting tot

loonbetaling. Boulabhar was niet bereid te werken. Nadien is

de arbeidsovereenkomst ten einde gekomen. Van Steyn leidt dit

af uit haar brief van 21 februari 1997 waarin zij Boulabhar

doet weten dat hij mondeling heeft opgezegd, ten gevolge

waarvan de arbeidsovereenkomst "met ingang van 30 december

1996 is ontbonden." "Dus", zo gaat de brief verder, behoeft

hij "per 24-2-1997 niet op de werkplek te verschijnen"

sub 8 e.v. en voor de opmerkelijke stellingname over de

beëindiging sub 16, waar wordt aangegeven wat in de brief "natuur

lijk" is bedoeld). Voor het geval het appèl zou leiden tot

vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter, heeft Van

Steyn de Rechtbank verzocht de loonvordering naar analogie van

artikel 7:680 lid 5 BW te matigen (mva onder 28 en 36).

2.13.1 De Rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen op 3 juni

1998. Zij heeft, voorzover thans van belang, overwogen:

"Nu vaststaat dat Boulabhar na 18 december 1996 niet meer

voor de vof heeft gewerkt en hij niettemin doorbetaling

van zijn loon heeft gevorderd, rust op hem de bewijslast

van zijn stellingen. Hij heeft in hoger beroep aangeboden

te bewijzen dat hij op 18 december 1996 van zijn werk is

gestuurd, en dat hij vervolgens, ondanks zijn getoonde

werkwilligheid, niet meer tot zijn werk is toegelaten. De

rechtbank acht dit bewijsaanbod voldoende concreet, zodat

zij Boulabhar tot bewijslevering zal toelaten" (rov 4.4)

2.13.2 Het dictum van dit vonnis luidt:

"- laat Boulabhar toe te bewijzen dat hij op 18 december

van zijn werk is gestuurd, en dat hij vervolgens, ondanks

zijn getoonde werkwilligheid, niet meer tot zijn werk is

toegelaten."

2.14 Boulabhar heeft tegen dit vonnis tijdig beroep in

cassatie ingesteld. Van Steyn heeft verweer gevoerd.

3. Bespreking van het middel

3.1 Alvorens het middel te kunnen bespreken moet onder ogen

worden gezien wat de betekenis is van rov. 3.2, waartegen geen

klacht is gericht. Ik versta deze rov. aldus dat de Rechtbank

heeft geconstateerd dat Boulabhar na 18 december 1996 niet

meer heeft gewerkt, zonder een oordeel te geven over de vraag

of dit het gevolg is van ontslag of het opstappen van

Boulabhar. Deze interpretatie is in het bijzonder gestoeld op

de omstandigheid dat de Rechtbank verderop (in rov 4.2)

aangeeft dat partijen van mening verschillen over hetgeen die

datum is voorgevallen; ook de bewijsopdracht wijst duidelijk

in deze richting.

3.2 Onderdeel 1 stelt dat het vonnis van de Rechtbank lijdt

aan een motiveringsgebrek omdat de feitenvaststelling onjuist,

althans onvolledig is. De Rechtbank zou hebben verzuimd een

aantal feiten te vermelden, terwijl die feiten voor de beoor

deling van de zaak wel van belang zouden zijn. Kennelijk

strekt dit onderdeel ertoe te betogen dat sprake is van een

motiveringsgebrek omdat de Rechtbank essentiële stellingen van

werknemer onbesproken heeft gelaten.

3.3 Alhoewel de Rechtbank op een aantal mogelijk relevante

feiten niet is ingegaan, kan deze klacht niet tot cassatie

leiden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt

uit het bepaalde in (thans) art. 399 Rv dat tegen een

interlocutoir vonnis geen beroep in cassatie openstaat als de

feitenrechter nog niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een

beslissing heeft gegeven.<(2) Zie onder HR 9 maart 1956, NJ 1956, 159; HR 23 maart

1956, NJ 1956, 267; HR 3 februari 1967, NJ 1968, 32 DJV

en HR 12 juni 1970, NJ 1970, 388.> In dat geval kan evenmin worden

geklaagd over een motiveringsgebrek.<(3) HR 23 maart 1956, NJ 1956, 267.>

3.4 In zoverre is Boulabhar niet-ontvankelijk in zijn cassatie

beroep. Voorzover de door werknemer gesignaleerde stellingen,

na bewijslevering, van belang zouden zijn, zal de Rechtbank

daaraan alsnog aandacht moeten schenken. Voorzover de

stellingen van belang zijn voor de bewijslastverdeling, wordt

daaraan aandacht besteed bij de bespreking van het derde

onderdeel.

3.5 Subonderdeel 1 van onderdeel 2 bouwt voort op de klacht

zoals in onderdeel 1 geformuleerd; het is een inleiding op

subonderdeel II. De klacht mist in zoverre zelfstandige

betekenis.

3.6 Subonderdeel II verwijt de Rechtbank in de eerste plaats

de stellingen van Van Steyn onjuist te hebben weergegeven.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is de uitleg van

processtukken - behoudens ingeval die uitleg onbegrijpelijk is

- van feitelijke aard en in cassatie onaantastbaar. De uitleg

die de Rechtbank aan de stellingen van Van Steyn heeft gegeven

is zeker niet onbegrijpelijk Daarop stuit deze klacht af.

3.7 De tweede klacht die in subonderdeel II besloten ligt,

heeft betrekking op de bewijsopdracht en de daaraan ten

grondslag liggende rov. 4.4. De Rechtbank heeft werknemer

uitdrukkelijk en zonder voorbehoud met het bewijs van zijn

stellingen belast. Daarom staat tegen deze beslissing

cassatieberoep open.<(4) HR 24 september 1993, NJ 1994, 226 rov 3 en HR 9

oktober 1998, NJ 1999, 195, ARB rov 4. >

3.8 Werknemer betoogt, kort samengevat, dat de Rechtbank hem

ten onrechte voor de gehele periode van 18 december 1996 tot 1

oktober 1997 heeft belast met het bewijs dat hij zich bereid

heeft verklaard de bedongen arbeid te verrichten. De Rechtbank

zou uit het oog hebben verloren dat hij onbetwist heeft

gesteld (en aangetoond) dat hij zich meermalen schriftelijk

bereid heeft verklaard de bedongen arbeid te verrichten. Hij

acht het onbegrijpelijk dat hij dat nader zou moeten aantonen.

3.9 Ter afwering van de loonvordering heeft Van Steyn -

voorzover thans van belang - betoogd dat van een serieus

aanbod van Boulabhar geen sprake was. Zij heeft in dat verband

betoogd dat Boulabhar op herhaalde verzoeken om weer te komen

werken niet is ingegaan.

3.10.1 Waarom de Rechtbank Boulabhar bewijs opdraagt komt niet

uit de verf. Tegen de achtergrond van zijn stellingen en de

door hem overgelegde stukken - die op zich slechts ten dele

door Van Steyn zijn bestreden - is voor een dergelijk oordeel

slechts plaats als de stellingen van Boulabhar ongeloofwaardig

worden geacht, bijvoorbeeld omdat het aanbod om weer te komen

werken niet serieus valt te nemen. Deze stelling is door Van

Steyn betrokken. Ook de Kantonrechter was die mening

toegedaan. Mogelijk geldt hetzelfde voor de Rechtbank. Als de

Rechtbank Boulabhar inderdaad op deze grond met het bewijs zou

hebben belast, had zij dat oordeel moeten motiveren. Bij de

bespreking van onderdeel 3 kom ik op deze kwestie terug.

3.10.2 Volledigheidshalve merk ik over de kwestie van de

aannemelijkheid van het relaas van Boulabhar nog het volgende

op. De stellingen van beide partijen roepen, in elk geval bij

mij, vragen op.

3.10.3 Boulabhar heeft bijvoorbeeld onverenigbare stellingen

betrokken over hetgeen 30 december 1996 zou zijn gebeurd (hij

zou toen op het bedrijf zijn geweest en hebben verklaard weer

aan de slag te willen, doch Van Steyn stelde geen prijs op

zijn diensten<(5) Brief van Mr De Boorder van 4 april 1997 aan Arbeidsbu

reau Lisse onder 8 en 9, prod. bij cvr. >; in de appèldagvaarding wordt gesteld dat

Boulabhar niet meer weet wat er op 30 december 1996 is

gebeurd; in de brief van Mr De Boorder van 24 april 1997 heet

het dat Boulabhar 30 december 1996 bewust niet meer naar het

bedrijf is gegaan omdat hij eerder was geweigerd<(6) Deze brief is gehecht aan de mvg.>).

3.10.4 Van Steyn heeft weliswaar omstandig uiteengezet dat

meermalen (ook na 27 december 1996) is aangedrongen op het aan

de slag gaan van Boulabhar, maar dit is niet zonder meer te

rijmen met de omstandigheid dat zij 2 januari 1997 een

ontslagvergunning aanvraagt wegens de ernstig verstoorde

arbeidsverhouding.<(7) De brief maakt onderdeel uit van prod. 10 bij mvg.>

3.10.5 Het is uiteindelijk aan de feitenrechter om een oordeel

te vellen over de aannemelijkheid en geloofwaardigheid van

stellingen. Een oordeel daarover zal zich in het algemeen

onttrekken aan toetsing in cassatie. De Rechtbank heeft

evenwel geen enkel oordeel gegeven.

3.11 Wellicht heeft de Rechtbank willen voortborduren op de

eigen stellingen van Boulabhar dat over deze kwestie tot 4

april 1997 "nog discussie mogelijk" was, waaruit zij mogelijk

de conclusie heeft getrokken dat de latere brieven door Van

Steyn als niet ernstig gemeend konden worden opgevat. Ook hier

geldt evenwel dat het bestreden vonnis ten minste een

aanknopingspunt moet bieden voor een dergelijk oordeel. Dat

valt er niet in te lezen. De klacht van subonderdeel II houd

ik daarom voor gegrond.

3.12 Onderdeel 3 (blz. 11 t/m 19) herhaalt in de eerste plaats

de hiervoor met betrekking tot subonderdeel II besproken

klacht. De door het onderdeel breed uitgemeten feiten en in

feitelijke aanleg betrokken stellingen zullen door de

verwijzingsrechter moeten worden beoordeeld. Het onderdeel

kaart deze goeddeels prematuur aan. In dit stadium behoeft er,

zoals hiervoor bij de bespreking van onderdeel 1 aangegeven,

niet op te worden ingegaan. Daarbij verdient nog opmerking dat

de verschillende processtukken en de daaraan gehechte

producties niet alle even duidelijk zijn, zodat er eens te

meer reden is de uitleg ervan over te laten aan de

feitenrechter.

3.13 Voorts behelst het onderdeel een beschouwing over de

vraag of de verhindering al of niet aan Van Steyn kan worden

toegerekend (blz. 15). Ik heb daarin geen klacht kunnen

ontwaren.

3.14 Het onderdeel staat vervolgens stil bij het verweer van

Van Steyn dat de door Boulabhar uitgesproken bereidheid om

weer te komen werken niet serieus was (blz. 15 e.v.). Betoogd

wordt dat Van Steyn zulks dient te bewijzen. In beginsel is

die stelling juist, in elk geval in een situatie waarin de

werknemer is ontslagen.<(8) HR 30 mei 1997, NJ 1997, 611 rov 3.3.2. > Op grond van de stellingen van

partijen en de door hen in geding gebrachte stukken kan de

rechter, in een voorkomend geval, tot de slotsom komen dat de

werkgever een en ander voorshands zodanig aannemenlijk heeft

gemaakt dat de bewijslast verschuift naar de werknemer. Voorts

is voor de bewijslastverdeling van belang of Boulabhar is

ontslagen<(9) Volgens het onderdeel (blz. 17) zou van ontslag geen

sprake zijn. Zie ik het goed, dan is in de visie van

werknemer sprake van een situatie die erg veel

gelijkenis vertoont met ontslag. Reeds de dagvaarding

(onder 3) vermeldt dat Boulabhar "buitengezet" is en

dat hij niet meer tot zijn werk werd toegelaten. Hij

vordert (dan ook) o.m. nietigverklaring van het

ontslag. Hoe de feiten, indien geen sprake is van

ontslag, rechtens zouden moeten worden geduid heeft

Boulabhar niet duidelijk gemaakt.> of vrijwillig - en tot ongenoegen van Van Steyn,

die heeft benadrukt dat er veel werk te doen viel - zijn

werkzaamheden heeft beëindigd.<(10) In dit laatste geval ligt immers niet aanstonds voor

de hand dat de werknemer, die te kennen heeft gegeven

niet meer te willen werken, later tot andere gedachten

komt. Voor dergelijke gevallen geldt m.i. nog steeds de

regel van HR 1 februari 1952, NJ 1953, 366.> Aan de hand van alle

stellingen en van de in geding gebrachte stukken zal de

verwijzingsrechter opnieuw moeten beoordelen hoe de bewijslast

ten deze moet worden verdeeld.

3.15 Ten slotte voert het onderdeel nog aan dat van belang is

1) dat het gaat om een buitenlandse werknemer die de

Nederlandse taal niet goed machtig is, 2) dat Van Steyn

tegenstrijdige stellingen heeft betrokken en 3) dat er in casu

geen ontslag is (blz. 18/19). De Rechtbank zou deze stellingen

ten onrechte geheel buiten beschouwing hebben gelaten.

3.16 De onder 3.15 1) genoemde omstandigheid is in feitelijke

aanleg nauwelijks aan de orde geweest. De Rechtbank kon er

redelijkerwijs aan voorbijgaan, reeds omdat zich bij de

stukken verschillende - volstrekt duidelijke en in het

Nederlands gestelde - brieven van Boulabhar bevinden.

3.17 De onder 3.15 2) weergegeven klacht voldoet niet aan de

eisen van art. 407 lid 2 Rv.

3.18 Hiervoor heb ik reeds aangegeven dat m.i. inderdaad van

belang kan zijn of sprake is van een ontslag of niet

(omstandigheid 3, zoals vermeld onder 3.15).

3.19 Voorzover op blz. 19 nog een of meer omstandigheden

worden vermeld waarmee rekening zou moeten worden gehouden, is

onvoldoende duidelijk wat deze inhouden en waarom zij van

belang zouden zijn.

3.20 Onderdeel 3 bevat klachten die per saldo gegrond zijn. De

Rechtbank heeft enkele van de daarin aan de orde gestelde

stellingen niet besproken. Hierboven onder 3.14 en 3.18 heb ik

trachten aan te geven dat zij zulks met het oog op de

bewijslastverdeling wél had moeten doen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het tussenvonnis

van de Rechtbank.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlan

den,

Advocaat-Generaal