Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4852

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1272
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4852
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 11
NJ 2000, 418
RvdW 2000, 47
BR 2000, p. 429
Module Ruimtelijke ordening 2000/5529

Conclusie

Nr. 1272 Mr. Ilsink

Derde Kamer B Conclusie inzake:

Onteigening 1. Strijpse Kampen B.V.

Zitting, 20 oktober 1999 2. Rhee-Bra C.V.

3. Bouwbedrijf Van Rhee

B.V.

4. Francina Johanna Maria

van Alphen 5. Johannes

Wilhelmus Cornelis Brands

tegen

1. de gemeente Eindhoven

2. de gemeente Oirschot

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en procesverloop

1.1. Bij besluit van 7 april 1997, nr. 65, heeft de

raad van de gemeente Eindhoven besloten ingevolge het

bepaalde bij art. 77, eerste lid, onder 1°, van de

Onteigeningswet (Ow.), ten behoeve van de uitvoering

van het bestemmingsplan "PIROC-Strijpsche Kampen"<(1) Dit plan is op 24 juni 1996 vastgesteld door de

van de gemeente Eindhoven, op 23 januari 1997

goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

en op 4 mei 1998 onherroepelijk geworden.

>, ten

name van de gemeente onder meer te onteigenen de

percelen, kadastraal bekend gemeente Woensel, sectie A,

nrs. 4117 (grondplannr. 1; weiland; groot 05.77.00 ha),

3704 (grondplannr. 2; weiland; groot 00.57.50 ha); en

3705 (grondplannr. 3; bouwland; groot 00.04.20 ha),

staande ten name van eiseres tot cassatie sub 1 de

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Strijpse Kampen B.V. (hierna: Strijpse Kampen). Bij

Koninklijk Besluit van 10 oktober 1997, no. 97.004830,

Stcrt. 5 november 1997, nr. 213 is voormeld

raadsbesluit goedgekeurd.

1.2. Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft

de raad van de gemeente Oirschot besloten ingevolge het

bepaalde bij art. 77, eerste lid, onder 1°, Ow., ten

behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan

"PIROC-Strijpsche Kampen"<(2) Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de

van de gemeente Oirschot, op 19 december 1996

goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

en op 4 mei 1998 onherroepelijk geworden.

>, ten name van de gemeente

onder meer te onteigenen het perceel, kadastraal bekend

gemeente Oirschot, sectie E, nr. 1100 (grondplannr. 12;

huis, tuin, weiland; groot 09.33.60 ha), staande ten

name van eiseres tot cassatie sub 4, Francina Johanna

Maria van Alphen (hierna: Van Alphen) en de percelen

kadastraal bekend gemeente Oirschot, sectie E, nrs. 755

(grondplannr. 13; bouwland; groot 00.04.60 ha) en 1099

(grondplannr. 18; bouwland, weiland; groot 06.83.25

ha), staande ten name van eiser tot cassatie sub 5

J.W.C. Brands (hierna: Brands). Bij Koninklijk Besluit

van 30 juni 1997, no. 97.003107, Stcrt. 18 juli 1997,

nr. 135 is voormeld raadsbesluit in zoverre

goedgekeurd.

1.3. Bij exploit van 19 oktober 1998 heeft de gemeente

Eindhoven Strijpse Kampen doen dagvaarden voor de

rechtbank te `s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) en

onder meer gevorderd te harer name vervroegd de

onteigening uit te spreken van de onder 1.1 vermelde

onroerende zaken.

1.4. Bij exploiten van 19 oktober 1998 heeft de

gemeente Oirschot Brands en Van Alphen doen dagvaarden

voor de rechtbank en onder meer gevorderd te harer name

vervroegd de onteigening uit te spreken van de onder

1.2. vermelde onroerende zaken.

1.5. Bij vonnis van 26 maart 1999 heeft de rechtbank:

<

?

>

- in de zaken tussen de gemeente Eindhoven en Strijpse

Kampen (rolnummer 31228 / HA ZA 98-2542), tussen de

gemeente Oirschot en Van Alphen (rolnummer 31229 / HA

ZA 98-2543) en tussen de gemeente Oirschot en Brands

(rolnummer 31230 / HA ZA 98-2544) het verzoek van

eiseres tot cassatie sub 2 de commanditaire

vennootschap Rhee-Bra C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en

van eiseres tot cassatie sub 3 de besloten vennootschap

met beperkte aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee

B.V. (hierna: Van Rhee B.V.), beherend vennote van

Rhee-Bra C.V., om in het onteigeningsgeding te mogen

tussenkomen, afgewezen;

- in de zaken met de rolnummers 31229 / HA ZA 98-2543

en 31230 / HA ZA 98-2544 Strijpse Kampen als

tussenkomende partij toegelaten;

- de voeging wegens verknochtheid bevolen van de drie

zaken;

- de onteigening uitgesproken van de hiervóór onder 1.1

en 1.2 vermelde percelen;

- in de zaak 31228 / HA ZA 98-2542 het voorschot op de

schadeloosstelling voor Strijpse Kampen bepaald op ƒ

517.671,--;

- in de zaak 31229 / HA ZA 98-2543 de voorschotten op

de schadeloosstelling voor onderscheidenlijk Van

Alphen, Strijpse Kampen en de huurder Teunissen bepaald

op ƒ 157.571,10, ƒ 1.460.259,-- en ƒ 12.960;

- in de zaak 31230 / HA ZA 98-2544 het voorschot op de

schadeloosstelling voor Strijpse Kampen bepaald op

ƒ557.158,50; en

- in alledrie de zaken dezelfde drie deskundigen en een

rechter-commissaris benoemd.

1.6. Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep

in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met

Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen.

1.7. De gemeenten Eindhoven en Oirschot hebben

voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld,

onder aanvoering van één middel.

1.8. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter

zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen

toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van

13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd.

1.9. Heden neem ik ook mijn conclusie in de

soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1273

tot en met 1276 zijn geregistreerd. Er zitten geen

wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover er

verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4,

vinden die hun verklaring in verschillen in de

feitelijke constellatie.

2. De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee

B.V. in het cassatieberoep

2.1. In hun schriftelijke toelichting van 9 juli 1999

hebben de gemeenten betoogd dat Rhee-Bra C.V. en Van

Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden

ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoeken om in de

onteigeningsgedingen te mogen tussenkomen heeft

afgewezen, op de grond dat zij geen derde-

belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid,

Ow.

2.2. Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken

van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in de

onteigeningsgedingen te mogen tussenkomen afgewezen, op

de grond dat zich in dit geval de situatie van

"tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3,

derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank

overwogen dat uit akten van (inbreng en) levering d.d.

22 januari 1999 weliswaar blijkt dat Rhee-Bra C.V. een

onverdeeld aandeel heeft verkregen in (een of meer van)

de daarin genoemde in het geding zijnde percelen, doch

dat van de inschrijving van de notariële akten in de

daartoe bestemde openbare registers, benodigd voor de

voltooiing van de voor de overdracht van onroerende

zaken vereiste levering, geen bewijs is overgelegd,

zodat, gelet op de betwisting door de gemeenten, niet

in rechte vast staat dat Rhee-Bra C.V. mede-eigenaar is

geworden van de te onteigenen percelen.

2.3. Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of

de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de

exceptie niet bij conclusie van antwoord is

voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is

voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond

van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde

is.<(3) Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde

druk (1989), § 143.

> In wezen betogen de gemeenten immers dat Rhee-Bra

C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het

onteigeningsgeding.

2.4. Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij

tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar,

rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening

met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert

gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de

schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat

geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de

consignatie van gelden.<(4) In de onderhavige zaken heeft de rechtbank consignatie

van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege

gelaten, aangezien partijen zich niet hebben uitgelaten

over het te consigneren bedrag, het belang van

interveniënten gering is en Strijpse Kampen

commanditair vennoot is van Rhee-Bra C.V.

>

2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt.

E.M.M. overwoog Uw Raad:

" (blz. 1692) O. dat de gemeente

ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch

tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de

onteigening heeft uitgesproken met vaststelling

van het bedrag der schadevergoeding en bepaling

dat dat bedrag zal worden geconsigneerd]

ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond,

dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem

beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te

onteigenen percelen is tegengesproken;

dat dit verweer moet worden verworpen;

(?)

dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de

bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om

[een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht

op het goed in het geding te mogen tusschenkomen]

te beletten in het geding tot onteigening te

blijven waken tegen krenking van de door hem

beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter

voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek

naar het bestaan dier betwiste rechten uit te

sluiten;

dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35

en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op

het te onteigenen goed is tegengesproken,

desondanks rangschikken onder de belanghebbenden

en toelaten tot uitoefening van zekere

bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de

Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der

deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting

heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij

pleidooi heeft ontwikkeld;

dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan

het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid

heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn

conclusieën de onteigening is uitgesproken van

perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en

waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een

naar zijn stellingen te laag bedrag;

dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie

open staat tegen dit vonnis, dat beslist over

rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te

zijn, en het voor de bescherming van zijn -

mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem

niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet

onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van

"partij" slechts schijnt te willen geven, behalve

aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan

het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het

goed niet wordt tegengesproken; dat toch uit die

woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in

strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet -

den kring van hen, voor wie de voorziening in

cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de

artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen,

niets wordt aangetroffen, dat wijst op een

beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze

wet partijen noemt"<(5) Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo

Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz.

deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie

tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss.

RUU (1984), blzz. 530-535.

>

2.6. Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als

bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige

geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de

vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre

kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden

ontleend voor de beantwoording van de vraag of Rhee-

Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding

tot vervroegde onteigening?

2.7. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet

deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor

de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de

mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de

rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele

mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening

voor de rechtbank uitgeput<(6) Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst

wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep

open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996,

615, m. nt. MB.

>. Op hetgeen verzoeksters tot

tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot

tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank

derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra

C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden

vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken

de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij

partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening.

2.8. De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf

Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden

ontvangen.

Beoordeling van het principaal cassatieberoep

3. Cassatiemiddel I

3.1. Dit middel richt zich tegen hetgeen de rechtbank

met betrekking tot de noodzaak van de onteigening heeft

overwogen op de blzz. 12 en 13 (in de zaak met

rolnummer 31228 / HA ZA 98-2542), 24 en 25 (in de zaak

met rolnummer 31229 / HA ZA 98-2543), en 36 en 37 (in

de zaak met rolnummer 31230 / HA ZA 98-2544) van het

bestreden vonnis. De overwegingen zijn in alledrie de

zaken nagenoeg gelijkluidend; dat geldt ook voor het

middel.

3.2. De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de

procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op

het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar

voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stellingen

van thans eisers tot cassatie blijkt dat destijds geen

sprake was van enige reële mogelijkheid tot

zelfrealisatie - zij spreken in dit verband van een

inmiddels volledig gewijzigde situatie - zodat er in

zoverre alleszins noodzaak was tot onteigening en de

overheid aldus in redelijkheid tot het

onteigeningsbesluit kon komen. De rechtbank is van

oordeel dat de vraag of in het onteigeningsgeding nog

ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde

onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen

met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen

positief kan worden beantwoord indien er op basis van

de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over

de mogelijkheid voor de gedaagde partij om - samen met

anderen - de bestemming zelf te realiseren. In dat

geval is de gevorderde onteigening niet rechtmatig,

althans ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de

rechtbank.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat eisers tot

cassatie sub 1, 4 en 5 niet de noodzakelijke details

geven over de exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie

en de praktische uitvoering daarvan en dat de gemeente

gemotiveerd heeft bestreden dat zelfrealisatie een

reële mogelijkheid is. Zij kan zich op basis hiervan in

feite geen goed oordeel vormen over de vraag of eisers

tot cassatie sub 1, 4 en 5 in samenwerking met Rhee-Bra

en met anderen inderdaad technisch, financieel en

praktisch tot zelfrealisatie van de op grondeigendommen

waar het om gaat rustende bestemming in staat zijn. De

rechtbank acht een nader tijdrovend feitenonderzoek

door middel van bewijslevering op dit punt in strijd

met de spoed die in een onteigeningsprocedure betracht

dient te worden.

Op grond van het voorafgaande beantwoordt de

rechtbank voormelde vraag ontkennend.

3.3. Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten

onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het

onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van

de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde

partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan

realiseren, alleen positief kan worden beantwoord

indien er op basis van de voorhanden gegevens geen

redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de

gedaagde partij - samen met anderen - zelf de

bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich

verzetten tegen feitenonderzoek door middel van

bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De

overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek

door middel van bewijslevering van de gestelde

mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de

spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient

te worden, is volgens eisers tot cassatie zonder nadere

redengeving onbegrijpelijk.

3.4. In het KB van 10 oktober 1997 overwoog de Kroon

naar aanleiding van de door eisers tot cassatie sub 1,

4 en 5 tegen het raadsbesluit naar voren gebrachte

bedenkingen onder meer:

"(Stcrt. 1997, 213, blz. 11, eerste kolom) (?) Met

betrekking tot de bedenking van de reclamanten,

dat zij zelf tot verwezenlijking van het

bestemmingsplan wil[len] overgaan, merken Wij op,

dat(?) hun gronden in het bestemmingsplan zijn

gelegen binnen de bestemmingen 'Militaire

doeleinden en bos, zone B' en

'Natuurontwikkelingsgebied'. Binnen zone B wordt

gestreefd naar een zodanige aanleg en behoud van

bos of anderszins natuurlijke terreintypen, dat er

sprake is van een groene aankleding en

ondersteuning van ecologische functies in de

omgeving. Voorts worden binnen deze zone verharde

wegen aangelegd. Mede gelet op de onderlinge

samenhang van de in het plangebied uit te voeren

werkzaamheden kan naar Ons oordeel van een zelf

verrichten van werkzaamheden door de reclamanten

uit een oogpunt van een doelmatige realisering van

het bestemmingsplan geen sprake zijn."

In het KB van 30 juni 1997 overwoog de Kroon naar

aanleiding van de door eisers tot cassatie sub 1, 4 en

5 tegen het raadsbesluit naar voren gebrachte

bedenkingen onder meer:

"(Stcrt. 1997, 135, blz. 15, tweede kolom) (?)

Voor de beoordeling van de bedenkingen inzake de

bereidheid zelf tot verwezenlijking van de

bestemmingen over te gaan verwijzen Wij naar

hetgeen Wij overwogen hebben bij soortgelijke

bedenkingen van de reclamante onder b."

en bij bedoelde bedenkingen van reclamante onder b:

"(blz. 14, vierde kolom) (?) Mede gelet

onderlinge samenhang van de in het plangebied uit

te voeren werkzaamheden en de beperkte omvang van

de eigendommen van de reclamante ten opzichte van

het gehele plangebied kan naar Ons oordeel van een

zelf verrichten van werkzaamheden door de

reclamante uit een oogpunt van een doelmatige

realisering van het bestemmingsplan geen sprake

zijn."

3.5. In hun conclusie(s) van antwoord voor de rechtbank

d.d. 11 december 1998 hebben eisers tot cassatie sub

1, 4 en 5 aangevoerd:

"16. [D]e [onder 3.4. geciteerde] overwegingen

[zijn] achterhaald omdat er thans een verbond is

binnen Rhee-Bra van 50 ha gronden van eigenaren

die ook voor een groot gedeelte nagenoeg

aaneengesloten liggen en bovendien bestaan er

middels Bouwbedrijf Van Rhee B.V. voldoende

mogelijkheden en technische kennis om het geheel

te kunnen uitvoeren. Het bouwbedrijf heeft reeds

informatie gevraagd bij het Ministerie van

Defensie [in] de persoon van Kolonel Ir. C. van

den Dungen zoals blijkt uit bijgaand schrijven van

9 november 1998 (?) .

17. Bouwbedrijf Van Rhee B.V. alsmede de Beheer-

en Beleggingsmaatschappij Van Rhee B.V. tezamen

met de Strijpse Kampen B.V. en de overige

inbrengende eigenaren beschikken over voldoende

financiële middelen, de gronden en technische

middelen en mogelijkheden om de door de overheid

voorgestane planuitvoering binnen de door de

overheid gestelde termijnen en voorwaarden en

voorschriften te realiseren. Gedaagden zijn dan

ook bereid om binnen het door de overheid te

stellen kader het bestemmingsplan te realiseren.

Er bestaat derhalve voor de gemeente gelet op de

mogelijkheid van zelfrealisatie geen enkele

noodzaak tot onteigening."

Voorts hebben eisers tot cassatie sub 1, 4 en 5 bewijs

aangeboden, in het bijzonder door middel van het horen

van getuigen, van hun stelling dat zij in staat zijn

het bestemmingsplan zelf te realiseren (zie onderdeel

23 van de conclusie(s) van antwoord).

3.6. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de

onteigenings-KB`s blijkt dat eisers tot cassatie sub

1, 4 en 5 hun bezwaar dat zij zelf tot verwezenlijking

van het bestemmingsplan willen overgaan niet voor het

eerst in het onteigeningsgeding naar voren hebben

gebracht. De beoordeling van dit bezwaar noopte de raad

van de gemeente Eindhoven, die van de gemeente Oirschot

en de Kroon tot een belangenafweging. De

onteigeningsrechter mag die belangenafweging slechts

marginaal toetsen. Voorts mag de onteigeningsrechter

zich niet over die belangenafweging uitlaten naar

aanleiding van feiten en omstandigheden, die de raad

en/of de Kroon niet bekend waren. Dat zou de

onteigeningsrechter immers op de stoel van het bestuur

zetten.<(7) Zie onderdeel 2.2.13 van de conclusie van de A-G Loeb

voor HR 2 april 1997, NJ 1997, 730, m. nt. P.C.E. van

Wijmen, BR 1997, blz. 770, m. nt. E. van der Schans

(Semler/Assen).

>

3.7. In het onteigeningsgeding hebben eisers tot

cassatie sub 1, 4 en 5 hun bezwaar met nieuwe

stellingen onderbouwd. Zoals gezegd mag de

onteigeningsrechter daar in beginsel geen acht op

slaan. Waarom heeft de rechtbank dat dan wel gedaan?

Misschien heeft de rechtbank zich (mede) laten leiden

door de vonnissen van de rechtbank te `s-Hertogenbosch

van 12 mei 1989, NJ 1990, 490 (Helmond/Van Mullekom) en

van de rechtbank te Arnhem van 28 maart 1996, nr. ON

1995/1041 (Nijkerk/Van Hell en Landman en Bouwfonds

Woningbouw B.V.), waarvan ik de relevante overwegingen

heb geciteerd in de onderdelen 3.4 en 3.5 van mijn

conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m.

nt. PCEvW (Willemsens-Maassen en Burgfonds/Dordrecht).

3.8. Indien de rechtbank, zoals in de onder 3.7

vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de

noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig

is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans

onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling

niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van)

het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende

belangenafweging, maar op een vaststelling van de

feiten.

3.9. De gemeenten Eindhoven en Oirschot hebben, anders

dan de gemeenten in de onder 3.7 vermelde zaken,

gemotiveerd bestreden dat zelfrealisatie een reële

mogelijkheid is. Mij dunkt dat daarmee voor de eisers

tot cassatie sub 1, 4 en 5 het doek valt. Ik meen voor

die opvatting voldoende aanknopingspunten te kunnen

vinden in rov. 3.3. van HR NJ 1999, 411, waarin Uw Raad

onderdeel 2 van het middel heeft verworpen, zulks onder

verwijzing naar, onder meer, onderdeel 3.9 van mijn

conclusie in die zaak. Weliswaar hebben eisers tot

cassatie sub 1, 4 en 5 aangeboden te bewijzen dat

zelfrealisatie een reële mogelijkheid is, maar dat

aanbod kan niet tot iets leiden. Immers, de vraag of

zelfrealisatie een reële mogelijkheid is, kan slechts

worden beantwoord in het kader van een bestuurlijke

belangenafweging en niet van een rechterlijke. De

klacht dat de rechtbank het bewijsaanbod ten onrechte

heeft gepasseerd, faalt dus bij gebrek aan belang.

3.10. Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs

voorgesteld.

4. Cassatiemiddel II

4.1. Dit middel keert zich tegen hetgeen de rechtbank

met betrekking tot de minnelijke onderhandelingen heeft

overwogen op de blzz. 11 en 12 (in de zaak met

rolnummer 31228 / HA ZA 98-2542), 23 en 24 (in de zaak

met rolnummer 31229 / HA ZA 98-2543), en 35 en 36 (in

de zaak met rolnummer 31230 / HA ZA 98-2544) van het

bestreden vonnis. De overwegingen zijn in alledrie de

zaken nagenoeg gelijkluidend; dat geldt ook voor het

middel.

4.2. Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder

meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling -

waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeenten

onvoldoende serieus hebben onderhandeld. Voorts zou de

rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij -

tegen de stelling van het tegendeel in - tot het

oordeel is gekomen dat de aanbiedingen van de gemeenten

niet reeds a prima vista als onredelijk kunnen worden

aangemerkt.

4.3. Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 Ow.,

waarin de eis wordt gesteld dat voor de

ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de

onteigenende partij de te onteigenen zaak bij

minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te

verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en

4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999,

24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den

Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat,

van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999,

411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens-

Maassen en Burgfonds/Dordrecht).

4.4. Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5:

"Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij

gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet

worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.

Daarbij dient die partij niet te werk te gaan

alsof dit voorschrift een te verwaarlozen

formaliteit is, in welk geval immers te kort zou

worden gedaan aan de strekking van het artikel dat

is gericht op het zo mogelijk vermijden van een

rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat

de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij

minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten

worden ondernomen in de periode tussen het

definitief worden van het besluit tot onteigening

(...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)."

4.5. In onderdeel 23 van hun conclusies van antwoord

voor de rechtbank hebben eisers tot cassatie sub 1, 4

en 5 bewijs aangeboden, in het bijzonder door middel

van getuigen, van hun stelling dat de gemeenten in de

periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van

het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze

en in de Ow. bedoelde pogingen hebben ondernomen om te

komen tot minnelijk overleg.

4.6. De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in §

4.4 hiervoor geciteerde rechtsregels - de

correspondentie besproken die tussen de raadsman van de

gemeenten enerzijds en de raadsman van eisers tot

cassatie sub 1, 4 en 5 anderzijds in de periode tussen

21 juli en 14 oktober 1998 is gevoerd naar aanleiding

van de aanbiedingen die de raadsman van de gemeenten

bij brieven van 21 juli 1998 aan de raadsman van eisers

tot cassatie sub 1, 4 en 5 heeft gedaan om te trachten

de eigendom van de ter onteigening aangewezen percelen

bij minnelijke overeenkomst te verwerven.<(8) Deze correspondentie is door de raadsman van de

gemeenten ter zitting van 26 januari 1999 in het geding

gebracht.

>

De rechtbank komt op basis daarvan tot de

conclusie dat:

"de gemeente[n] in de relevante periode een aanbod

[hebben] gedaan, [hun aanbiedingen hebben]

gespecificeerd en een redelijke tijd [hebben]

gegeven om daarop inhoudelijk in te gaan. [Eisers

tot cassatie sub 1, 4 en 5 zijn] niet inhoudelijk

op het aanbod ingegaan en [hebben] ook niet

aangegeven wat volgens [hun] een redelijke

schadeloosstelling zou zijn. Onder die

omstandigheden [hebben] de gemeente[n], mede in

aanmerking genomen dat [de aanbiedingen] van de

gemeente[n] niet reeds a prima vista als

onredelijk [kunnen] worden aangemerkt, voldoende

serieus onderhandeld. Meer kon gelet op de

opstelling van [eisers tot cassatie sub 1, 4 en 5]

niet van [hun] verwacht worden. Het moge zo zijn

geweest dat al voorafgaand aan [de aanbiedingen]

van 21 juli 1998 een aanzet tot onderhandelingen

heeft plaatsgevonden, doch gesteld noch gebleken

is dat toen [(hogere) bindende aanbiedingen zijn]

gedaan.

De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de

gemeente[n] niet in strijd met [art. 17 Ow.

hebben] gehandeld."

4.7. Aldus gemotiveerd geeft het oordeel van de

rechtbank dat de gemeenten niet in strijd met art. 17

Ow. hebben gehandeld mijns inziens geen blijk van een

onjuiste rechtsopvatting. Nu de gemeenten in ieder

geval vanaf 21 juli 1998 voldoende serieus onderhandeld

hebben en de rechtbank - in cassatie onbestreden -

heeft vastgesteld dat in de periode daarvoor geen

(hogere) bindende aanbiedingen zijn gedaan, hoefde de

rechtbank niet op het bewijsaanbod in te gaan.

4.8. Bij brieven van 8 september 1998 heeft de raadsman

van de gemeenten de aanbiedingen van 21 juli 1998

desverzocht gespecificeerd: geboden werd een bedrag van

ƒ 9,-- per m?. In het licht van het feit dat eisers tot

cassatie sub 1, 4 en 5 niet inhoudelijk op deze

aanbiedingen zijn ingegaan en ook niet hebben

aangegeven wat volgens hun een redelijke

schadeloosstelling zou zijn, hoefde de rechtbank niet

nader te motiveren waarom deze aanbiedingen niet reeds

a prima vista als onredelijk kunnen worden aangemerkt.

4.9. Het tweede cassatiemiddel treft evenmin doel.

5. Beoordeling van het incidenteel cassatiemiddel

5.1. De gemeenten hebben een incidenteel cassatiemiddel

voorgesteld, louter voor het geval één of meer grieven

in het principale cassatieberoep zouden slagen. Voor

het geval Uw Raad mij niet mocht volgen in mijn

conclusie tot verwerping van het principaal

cassatieberoep, merk ik het volgende op.

5.2. De klacht dat de rechtbank het bezwaar dat de

onteigening niet noodzakelijk is, omdat gedaagden c.q.

de tussengekomen partij na de onteigenings-KB's bereid

en in staat zouden zijn de bestemming waarvoor

onteigend wordt, zelf te realiseren, ten onrechte

inhoudelijk heeft behandeld, mist feitelijke grondslag.

De rechtbank heeft slechts onderzocht of eisers tot

cassatie sub 1, 4 en 5 de noodzakelijke details over de

exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie en de

praktische uitvoering daarvan hebben verschaft en

vastgesteld dat dit niet het geval is en dat de

gemeenten bovendien gemotiveerd hebben bestreden dat

zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Dat moest de

rechtbank ook onderzoeken. Indien de rechtbank namelijk

feitelijk kan vaststellen dat de noodzaak tot

onteigening thans niet meer aanwezig is, omdat de

onteigenende partij de desbetreffende stelling van de

onteigende niet, althans onvoldoende heeft weersproken,

berust die vaststelling immers niet op een toetsing van

de aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit ten

grondslag liggende bestuurlijke belangenafweging, maar

op een aan de rechter opgedragen vaststelling van de

feiten.

6. Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van

eisers tot cassatie sub 2 en 3 in hun cassatieberoep

en, beide middelen van het principaal cassatieberoep

ongegrond bevindend, tot verwerping van het beroep.

De Procureur-

Generaal bij de Hoge

Raad der Nederlanden

A-G