Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4851

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1273
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4851
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 1273 Mr. Ilsink

Derde Kamer B Conclusie inzake:

Onteigening 1. Martinus Cornelis

Wouters

Zitting, 20 oktober 1999 2. Johannes Martinus

Henricus Cornelis Wouters

3. Rhee-Bra C.V.

4. Bouwbedrijf Van Rhee

B.V.

tegen

de gemeente Oirschot

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en procesverloop

1.1. Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft

de raad van de gemeente Oirschot (hierna: de gemeente)

besloten ingevolge het bepaalde bij art. 77, eerste

lid, onder 1°, van de Onteigeningswet (Ow.), ten

behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan

"PIROC-Strijpsche Kampen"<(1) Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de

gemeenteraad, op 19 december 1996 goedgekeurd door

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en op 4 mei 1998

onherroepelijk geworden.

>, ten name van de gemeente

onder meer te onteigenen de percelen, kadastraal bekend

gemeente Oirschot, sectie E, nrs. 1089 (grondplannr.

29), groot 04.75.00 ha, zijnde bouwland en 1103

(grondplannr. 32), groot 00.31.00 ha, zijnde eveneens

bouwland. Beide percelen stonden ten name van eiser tot

cassatie sub 1, Martinus Cornelis Wouters (hierna: M.C.

Wouters). Bij Koninklijk Besluit van 30 juni 1997, no.

97.003107, Stcrt. 18 juli 1997, nr. 135 (hierna: het

KB) is voormeld raadsbesluit inzoverre goedgekeurd.

<

?

>

1.2. Bij exploit van 19 oktober 1998 heeft de gemeente

M.C. Wouters doen dagvaarden voor de rechtbank te `s-

Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) en onder

meer gevorderd te harer name vervroegd de onteigening

uit te spreken van voormelde onroerende zaken.

1.3. Bij vonnis van 26 maart 1999, nr. 31235 / HA ZA

98-2549, heeft de rechtbank eiser tot cassatie sub 2

Johannes Martinus Henricus Cornelis Wouters (hierna:

J.M.H.C. Wouters), die pachter is van de te onteigenen

percelen, toegelaten als tussenkomende partij en het

verzoek van eiseres tot cassatie sub 3 de commanditaire

vennootschap Rhee-Bra C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en

van eiseres tot cassatie sub 4 de besloten vennootschap

met beperkte aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee

B.V. (hierna: Van Rhee B.V.), beherend vennote van

Rhee-Bra C.V., om in het onteigeningsgeding te mogen

tussenkomen, afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de

gevorderde onteigening uitgesproken; de voorschotten op

de schadeloosstelling voor M.C. Wouters en J.M.H.C.

Wouters bepaald op onderscheidenlijk ƒ 278.100,-- en

ƒ 127.955,70; en drie deskundigen en een rechter-

commissaris benoemd.

1.4. Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep

in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met

Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen.

1.5. De gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel

cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één

middel.

1.6. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter

zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen

toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van

13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd.

1.7. Heden neem ik ook mijn conclusie in de

soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1272

en 1274 tot en met 1276 zijn geregistreerd. Er zitten

geen wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover

er verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4,

vinden die hun verklaring in verschillen in de

feitelijke constellatie.

2. De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee

B.V. in het cassatieberoep

2.1. In haar schriftelijke toelichting van 9 juli 1999

heeft de gemeente betoogd dat Rhee-Bra C.V. en Van

Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden

ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoek om in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen heeft

afgewezen, op de grond dat zij geen derde-

belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid,

Ow.

2.2. Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken

van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen afgewezen, op

de grond dat zich in dit geval de situatie van

"tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3,

derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank

overwogen dat uit de overgelegde akte van levering d.d.

22 januari 1999 weliswaar blijkt dat M.C. Wouters aan

Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. een onverdeeld aandeel

heeft geleverd in de in het geding zijnde percelen,

doch dat van de inschrijving van de notariële akte in

de daartoe bestemde openbare registers, benodigd voor

de voltooiing van de voor de overdracht van onroerende

zaken vereiste levering, geen bewijs is overgelegd,

zodat, gelet op de betwisting door de gemeente, niet in

rechte vast staat dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V.

mede-eigenaar zijn geworden van de te onteigenen

percelen.

2.3. Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of

de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de

exceptie niet bij conclusie van antwoord is

voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is

voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond

van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde

is.<(2) Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde

druk (1989), § 143.

> In wezen betoogt de gemeente immers dat Rhee-Bra

C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het

onteigeningsgeding.

2.4. Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij

tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar,

rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening

met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert

gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de

schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat

geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de

consignatie van gelden.<(3) In de onderhavige zaak heeft de rechtbank consignatie

van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege

gelaten, omdat geen van de partijen heeft aangegeven

voor welk bedrag consignatie zou moeten plaatsvinden,

het belang van interveniënten zeer gering is en zij een

samenwerkingsovereenkomst hebben met M.C. Wouters.

>

2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt.

E.M.M. overwoog Uw Raad:

" (blz. 1692) O. dat de gemeente

ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch

tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de

onteigening heeft uitgesproken met vaststelling

van het bedrag der schadevergoeding en bepaling

dat dat bedrag zal worden geconsigneerd]

ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond,

dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem

beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te

onteigenen percelen is tegengesproken;

dat dit verweer moet worden verworpen;

(?)

dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de

bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om

[een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht

op het goed in het geding te mogen tusschenkomen]

te beletten in het geding tot onteigening te

blijven waken tegen krenking van de door hem

beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter

voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek

naar het bestaan dier betwiste rechten uit te

sluiten;

dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35

en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op

het te onteigenen goed is tegengesproken,

desondanks rangschikken onder de belanghebbenden

en toelaten tot uitoefening van zekere

bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de

Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der

deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting

heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij

pleidooi heeft ontwikkeld;

dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan

het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid

heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn

conclusieën de onteigening is uitgesproken van

perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en

waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een

naar zijn stellingen te laag bedrag;

dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie

open staat tegen dit vonnis, dat beslist over

rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te

zijn, en het voor de bescherming van zijn -

mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem

niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet

onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van

"partij" slechts schijnt te willen geven, behalve

aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan

het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het

goed niet wordt tegengesproken; dat toch uit die

woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in

strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet -

den kring van hen, voor wie de voorziening in

cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de

artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen,

niets wordt aangetroffen, dat wijst op een

beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze

wet partijen noemt"<(4) Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo

Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz.

deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie

tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss.

RUU (1984), blzz. 530-535.

>

2.6. Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als

bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige

geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de

vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre

kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden

ontleend voor de beantwoording van de vraag of Rhee-

Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding

tot vervroegde onteigening?

2.7. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet

deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor

de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de

mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de

rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele

mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening

voor de rechtbank<(5) Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst

wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep

open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996,

615, m. nt. MB.

> uitgeput. Op hetgeen verzoeksters tot

tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot

tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank

derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra

C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden

vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken

de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij

partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening.

2.8. De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf

Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden

ontvangen.

Beoordeling van het principaal cassatieberoep

3. Cassatiemiddel I

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de

procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op

het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar

voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stelllingen

van M.C. Wouters blijkt dat

destijds geen sprake was van enige reële mogelijkheid

tot zelfrealisatie - hij spreekt in dit verband van een

inmiddels volledig gewijzigde situatie - zodat er in

zoverre alleszins noodzaak was tot onteigening en de

overheid aldus in redelijkheid

tot het onteigeningsbesluit kon komen. De rechtbank is

van oordeel dat de vraag of in het onteigeningsgeding

nog ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde

onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen

met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen

positief kan worden beantwoord indien er op basis van

de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over

de mogelijkheid voor de gedaagde partij om - samen met

anderen - de bestemming zelf te realiseren. In dat

geval is de gevorderde onteigening niet rechtmatig,

althans ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de

rechtbank.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat M.C.

Wouters niet de noodzakelijke details geeft over de

exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie en de

praktische uitvoering daarvan en dat de gemeente

gemotiveerd heeft bestreden dat zelfrealisatie een

reële mogelijkheid is. Zij kan zich op basis hiervan in

feite geen goed oordeel vormen over de vraag of M.C.

Wouters in samenwerking met Rhee-Bra en met anderen

inderdaad technisch, financieel en praktisch tot

zelfrealisatie van de op grondeigendommen waar het om

gaat rustende bestemming in staat is. De rechtbank acht

een nader tijdrovend feitenonderzoek door middel van

bewijslevering op dit punt in strijd met de spoed die

in een onteigeningsprocedure betracht dient te worden.

Op grond van het voorafgaande beantwoordt de

rechtbank voormelde vraag ontkennend.

3.2. Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten

onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het

onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van

de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde

partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan

realiseren, alleen positief kan worden beantwoord

indien er op basis van de voorhanden gegevens geen

redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de

gedaagde partij - samen met anderen - zelf de

bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich

verzetten tegen feitenonderzoek door middel van

bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De

overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek

door middel van bewijslevering van de gestelde

mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de

spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient

te worden, is volgens eisers tot cassatie sub 1 en 2

zonder nadere redengeving onbegrijpelijk.

3.3. In hun conclusies van antwoord voor de rechtbank

d.d. 13 november 1998 hebben eisers tot cassatie sub 1

en 2 aangevoerd:

"6. M.C. Wouters is inmiddels met [Rhee-Bra C.V.]

op 3 juli 1998 (?) een overeenkomst aangegaan

waarbij partijen hebben uitgesproken dat zij samen

willen werken met als doel de eigendom van

gedaagde zo spoedig mogelijk te gaan ontwikkelen

en daartoe een exploitatie-overeenkomst aan te

gaan met de gemeenten Eindhoven c.q. Oirschot

en/of eventuele derden daaronder begrepen het

Ministerie van Defensie teneinde het

bestemmingsplan "Piroc-Strijpsche Kampen" van de

gemeente Oirschot/ Eindhoven zelf te realiseren.

Deze overeenkomst heeft [J.M.H.C.] Wouters in zijn

hoedanigheid van pachter mede ondertekend.) (?)

Rhee-Bra is uitermate in staat om met en in

opdracht van M.C. Wouters het bestemmingsplan te

realiseren. Immers Rhee-Bra heeft inmiddels, door

met verschillende eigenaren/belanghebbenden binnen

het plangebied gelijkluidende overeenkomsten te

sluiten, de beschikking over een zeer groot

grondoppervlak - circa 50 ha - binnen voornoemd

plan. Voorts beschikt Rhee-Bra over een

bouwbedrijf met voldoende technische en financiële

middelen om de door de overheid voorgestane

planuitvoering binnen de door de overheid gestelde

termijnen en binnen de door de overheid te stellen

voorwaarden en voorschriften te realiseren.

[J.M.H.C.] Wouters en M.C. Wouters zijn bereid om

binnen het door de overheid te stellen kader het

bestemmingsplan te realiseren. Er bestaat derhalve

voor de gemeente gelet op de mogelijkheid van

zelfrealisatie geen enkele noodzaak tot

onteigening.

7. Ten opzichte van het [KB van 30 juni 1997], is

er thans sprake van een volledig gewijzigde

situatie. Was er ten tijde van het nemen van

genoemd besluit nog geen sprake van dat de

betrokken eigenaren/belanghebbenden zelf in staat

waren tot zelfrealisatie, nu is dat wel het geval.

Thans beschikken zij door het sluiten van de

hiervoor genoemde overeenkomst over een

grondoppervlakte van circa 50 ha, zijnde 50% van

het plangebied. Zoals gezegd is een samenwerking

aangegaan met een deskundige ontwikkelaar/aannemer

die in staat is tot realisering van het

bestemmingsplan. [M.C. en J.M.H.C.] Wouters

conclude[ren] derhalve dat gegeven deze nieuwe

omstandigheden de toetsing van de

onteigeningstitel ten aanzien van de

zelfrealisatie door Uw Rechtbank voor de hand

ligt."

Voorts hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2 bewijs

aangeboden, in het bijzonder door middel van het horen

van getuigen, van hun stelling dat zij in staat zijn

het bestemmingsplan zelf te realiseren (zie onderdeel

12 van de conclusies van antwoord).

3.4. Het door eisers tot cassatie sub 1 en 2 voor het

eerst bij de rechtbank aangevoerde bezwaar dat er gelet

op de mogelijkheid tot zelfrealisatie geen noodzaak tot

onteigening is, noopt tot een nieuwe belangenafweging,

die de (onteigenings)rechter niet mag uitvoeren. Dan

zou de rechter immers op de stoel van het bestuur gaan

zitten. De noodzaak tot onteigening moet ook in het

onteigeningsgeding worden beoordeeld, maar dat kan

slechts aan de hand van op die noodzaak betrekking

hebbende bezwaren, die zozeer aan de rechtmatigheid van

de onteigening in de weg staan dat de belangenafweging,

die aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit

ten grondslag ligt, niet aan de orde komt. Het door

eisers tot cassatie sub 1 en 2 aangevoerde bezwaar

stelt die belangenafweging nu juist wel aan de orde.<(6) Zie onderdeel 3.8 van mijn conclusie voor HR 30

september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW (Willemsens-

Maassen en Burgfonds/Dordrecht).

>

3.5. Waarom heeft de rechtbank daar dan wel acht op

geslagen? Misschien heeft de rechtbank zich (mede)

laten leiden door de vonnissen van de rechtbank te

`s-Hertogenbosch van 12 mei 1989, NJ 1990, 490

(Helmond/Van Mullekom) en van de rechtbank te Arnhem

van 28 maart 1996, nr. ON 1995/1041 (Nijkerk/Van Hell

en Landman en Bouwfonds Woningbouw B.V.), waarvan ik de

relevante overwegingen heb geciteerd in de onderdelen

3.4 en 3.5 van mijn conclusie

voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW

(Willemsens-Maassen en Burgfonds/Dordrecht).

3.6. Indien de rechtbank, zoals in de onder 3.5

vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de

noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig

is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans

onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling

niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van)

het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende

belangenafweging, maar op een vaststelling van de

feiten.

3.7. De gemeente heeft, anders dan de gemeenten in de

onder 3.5 vermelde zaken, gemotiveerd bestreden dat

zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Mij dunkt dat

daarmee voor eisers tot cassatie sub 1 en 2 het doek

valt. Ik meen voor die opvatting voldoende

aanknopingspunten te kunnen vinden in rov. 3.3 van HR

NJ 1999, 411, waarin Uw Raad onderdeel 2 van het middel

heeft verworpen, zulks onder verwijzing naar, onder

meer, onderdeel 3.9 van mijn conclusie in die zaak.

Weliswaar hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2

aangeboden te bewijzen dat zelfrealisatie een reële

mogelijkheid is, maar dat aanbod kan niet tot iets

leiden. Immers, de vraag of zelfrealisatie een reële

mogelijkheid is, kan slechts worden beantwoord in het

kader van een bestuurlijke belangenafweging en niet van

een rechterlijke. De klacht dat de rechtbank het

bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, faalt dus

bij gebrek aan belang.

3.8. Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs

voorgesteld.

4. Cassatiemiddel II

4.1. Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder

meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling -

waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeente

onvoldoende serieus heeft onderhandeld. Voorts zou de

rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij -

tegen de stelling van het tegendeel in - tot het

oordeel is gekomen dat het standpunt van de gemeente

niet reeds a prima vista als onredelijk kan worden

aangemerkt.

4.2. Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 Ow.,

waarin de eis wordt gesteld dat voor de

ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de

onteigenende partij de te onteigenen zaak bij

minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te

verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en

4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999,

24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den

Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat,

van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999,

411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens-

Maassen en Burgfonds/Dordrecht).

4.3. Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5:

"Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij

gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet

worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.

Daarbij dient die partij niet te werk te gaan

alsof dit voorschrift een te verwaarlozen

formaliteit is, in welk geval immers te kort zou

worden gedaan aan de strekking van het artikel dat

is gericht op het zo mogelijk vermijden van een

rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat

de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij

minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten

worden ondernomen in de periode tussen het

definitief worden van het besluit tot onteigening

(...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)."

4.4. In onderdeel 12 van hun conclusies van antwoord

voor de rechtbank hebben eisers tot cassatie sub 1 en 2

bewijs aangeboden, in het bijzonder door middel van

getuigen, van hun stelling dat de gemeente in de

periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van

het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze

pogingen heeft ondernomen om te komen tot minnelijk

overleg.

4.5. De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in §

4.3 hiervoor geciteerde rechtsregels - de

correspondentie besproken die tussen de raadsman van de

gemeente enerzijds en de raadsman van eisers tot

cassatie sub 1 en 2 anderzijds in de periode tussen 21

juli en 23 oktober 1998 is gevoerd naar aanleiding van

de aanbiedingen die de raadsman van de gemeente bij

brieven van 21 juli 1998 aan de raadsman van eisers tot

cassatie sub 1 en 2 heeft gedaan om te trachten de

eigendom van de ter onteigening aangewezen percelen

vrij van pacht bij minnelijke overeenkomst te

verwerven.<(7) Deze correspondentie is door de raadsman van de

gemeente ter zitting van 26 januari 1999 in het geding

gebracht.

>

De rechtbank komt op basis daarvan tot de

conclusie dat:

"de gemeente in de relevante periode een aanbod

heeft gedaan en een redelijke tijd heeft gegeven

om daarop inhoudelijk in te gaan. Gesteld noch

gebleken is dat tevoren door

vertegenwoordigers/taxateurs van de gemeente een

bindend aanbod is gedaan. Tevens heeft de gemeente

een specificatie verschaft. Op basis van de

briefwisseling kan worden geconcludeerd dat de

standpunten van partijen ver uiteen lagen en dat

er geen redelijke kans was op een vergelijk. Nu

het standpunt van de gemeente niet reeds a prima

vista als onredelijk kan worden aangemerkt heeft

zij aldus, mede in aanmerking genomen het door

[M.C.] Wouters bij genoemde brief d.d. 23 oktober

ingenomen standpunt, voldoende serieus

onderhandeld.

De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de

gemeente ten aanzien van M.C. Wouters niet in

strijd met [art. 17 Ow.] heeft gehandeld.

(?) De rechtbank komt op dezelfde gronden als

hiervoor aangegeven [tot de slotsom] dat t.o.v.

J.M.H.C. Wouters niet in strijd is gehandeld met

[art. 17 Ow.]."

4.6. Aldus gemotiveerd geeft het oordeel van de

rechtbank dat de gemeente niet in strijd met art. 17

Ow. heeft gehandeld mijns inziens geen blijk van een

onjuiste

rechtsopvatting. Nu de gemeente in ieder geval vanaf 21

juli 1998 voldoende serieus heeft onderhandeld en de

rechtbank - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld

dat in de periode daarvoor door

vertegenwoordigers/taxateurs van de gemeente geen

bindende aanbiedingen zijn gedaan, hoefde de rechtbank

niet op het bewijsaanbod in te gaan.

4.7. Bij brieven van 17 september 1998 heeft de

raadsman van de gemeente de aanbiedingen van 21 juli

1998 gespecificeerd. Vervolgens heeft hij bij brief van

14 oktober 1998 aan de raadsman van eisers tot cassatie

sub 1 en 2 meegedeeld:

"In antwoord op Uw brief d.d. 6 oktober jl. deel

ik U mede dat de [gemeente] niet bereid is met de

door U gevraagde schadeloosstellingen, die bijna

het dubbele vormen van het aangeboden bedrag,

accoord te gaan.

De ter onteigening aangewezen percelen zijn

verpacht.

Vergelijkbare grond: het perceel Gemeente Oirschot

Sectie E nr. 1084 groot 19.21.00 HA is aangekocht

van Philips Electronics NV als verpachte grond

voor 5,50 per m? (koopovereenkomst 12 december

1996; notariële akte 20 december 1996).

Daarmede is de thans geboden prijs van ƒ 6,-- per

m? voor verpachte grond alleszins in

overeenstemming. Aankoop van pachtvrije grond en

dan nog wel voor ƒ 15,-- per m? leidt tot een

bedrag dat veel te ver verwijderd is van de

werkelijke waarde/schade op basis van aankoop van

verpachte grond met afzonderlijke vergoeding voor

de pachter."

In dit licht bezien hoefde de rechtbank niet nader te

motiveren waarom het standpunt van de gemeente niet

reeds a prima vista als onredelijk kan worden

aangemerkt.

4.8. Het tweede cassatiemiddel treft evenmin doel.

5. Beoordeling van het incidenteel cassatiemiddel

5.1. De gemeente heeft een incidenteel cassatiemiddel

voorgesteld, louter voor het geval één of meer grieven

in het principale cassatieberoep zouden slagen. Voor

het geval Uw Raad mij niet mocht volgen in mijn

conclusie tot verwerping van het principaal

cassatieberoep, merk ik het volgende op.

5.2. De klacht dat de rechtbank het bezwaar dat de

onteigening niet noodzakelijk is, omdat gedaagde na het

Koninklijk Besluit van 30 juni 1997 bereid en in staat

zou zijn de bestemming waarvoor onteigend wordt, zelf

te realiseren, ten onrechte inhoudelijk heeft

behandeld, mist feitelijke grondslag. De rechtbank

heeft slechts onderzocht of eiser tot cassatie sub 1 de

noodzakelijke details over de exacte mogelijkheden tot

zelfrealisatie en de praktische uitvoering daarvan

heeft verschaft en vastgesteld dat dit niet het geval

is en dat de gemeente bovendien gemotiveerd heeft

bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.

Dat moest de rechtbank ook onderzoeken. Indien de

rechtbank namelijk feitelijk kan vaststellen dat de

noodzaak tot onteigening thans niet meer aanwezig is,

omdat de onteigenende partij de desbetreffende stelling

van de onteigende niet, althans onvoldoende heeft

weersproken, berust die vaststelling immers niet op een

toetsing van de aan (de goedkeuring van) het

onteigeningsbesluit ten grondslag liggende bestuurlijke

belangenafweging, maar op een aan de rechter opgedragen

vaststelling van de feiten.

6. Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van

eisers tot cassatie sub 3 en 4 in hun cassatieberoep

en, beide middelen van het principaal cassatieberoep

ongegrond bevindend, tot verwerping van het beroep.

De Procureur-

Generaal bij de Hoge

Raad der Nederlanden

A-G