Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4850

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1274
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 1274 Mr. Ilsink

Derde Kamer B Conclusie inzake:

Onteigening 1. Antonius Franciscus

Henricus van de Sande

Zitting, 20 oktober 1999 2. Rhee-Bra C.V.

3. Bouwbedrijf Van Rhee

B.V.

tegen

de gemeente Oirschot

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en procesverloop

1.1. Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft

de raad van de gemeente Oirschot (hierna: de gemeente)

besloten ingevolge het bepaalde bij art. 77, eerste

lid, onder 1°, van de Onteigeningswet (Ow.), ten

behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan

"PIROC-Strijpsche Kampen"<(1) Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de

gemeenteraad, op 19 december 1996 goedgekeurd door

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en op 4 mei 1998

onherroepelijk geworden.

>, ten name van de gemeente

onder meer te onteigenen het perceel, kadastraal bekend

gemeente Oirschot, sectie E, nr. 930 (grondplannr. 27),

groot 01.67.20 ha, zijnde bouwland. Dit perceel stond

ten name van Antonius Franciscus Henricus van de Sande

(hierna: Van de Sande). Bij Koninklijk Besluit van 30

juni 1997, no. 97.003107, Stcrt. 18 juli 1997, nr. 135

(hierna: het KB) is voormeld raadsbesluit inzoverre

goedgekeurd.

1.2. Bij exploit van 19 oktober 1998 heeft de gemeente

Van de Sande doen dagvaarden voor de rechtbank te `s-

Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) en onder meer

gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te

<

?

>

spreken van voormelde onroerende zaak.

1.3. Bij vonnis van 26 maart 1999, nr. 31233 / HA ZA

98-2547, heeft de rechtbank het verzoek van eiseres tot

cassatie sub 2 de commanditaire vennootschap Rhee-Bra

C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en van eiseres tot

cassatie sub 3 de besloten vennootschap met beperkte

aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee B.V. (hierna:

Van Rhee B.V.), beherend vennote van Rhee-Bra C.V., om

in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen,

afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de gevorderde

onteigening uitgesproken; het voorschot op de

schadeloosstelling voor Van de Sande bepaald op ƒ

144.569,70; en drie deskundigen en een rechter-

commissaris benoemd.

1.4. Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep

in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met

Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen.

1.5. De gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel

cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één

middel.

1.6. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter

zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen

toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van

13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd.

1.7. Heden neem ik ook mijn conclusie in de

soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1272,

1273, 1275 en 1276 zijn geregistreerd. Er zitten geen

wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover er

verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4,

vinden die hun verklaring in verschillen in de

feitelijke constellatie.

2. De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee

B.V. in het cassatieberoep

2.1. In haar schriftelijke toelichting van 9 juli 1999

heeft de gemeente betoogd dat Rhee-Bra C.V. en Van

Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden

ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoek om in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen heeft

afgewezen, op de grond dat zij geen derde-

belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid,

Ow.

2.2. Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken

van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen afgewezen, op

de grond dat zich in dit geval de situatie van

"tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3,

derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank

overwogen dat uit de overgelegde akte van levering d.d.

22 januari 1999 weliswaar blijkt dat Van de Sande aan

Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. een onverdeeld aandeel

heeft geleverd in het in het geding zijnde perceel,

doch dat van de inschrijving van de notariële akte in

de daartoe bestemde openbare registers, benodigd voor

de voltooiing van de voor de overdracht van onroerende

zaken vereiste levering, geen bewijs is overgelegd,

zodat, gelet op de betwisting door de gemeente, niet in

rechte vast staat dat Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V.

mede-eigenaar zijn geworden van het te onteigenen

perceel.

2.3. Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of

de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de

exceptie niet bij conclusie van antwoord is

voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is

voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond

van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde

is.<(2) Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde

druk (1989), § 143.

> In wezen betoogt de gemeente immers dat Rhee-Bra

C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het

onteigeningsgeding.

2.4. Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij

tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar,

rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening

met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert

gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de

schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat

geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de

consignatie van gelden.<(3) In de onderhavige zaak heeft de rechtbank consignatie

van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege

gelaten, omdat door geen van de partijen is duidelijk

gemaakt voor welk bedrag zou dienen te worden

geconsigneerd, het belang van interveniënten zeer

gering is en zij een samenwerkingsovereenkomst hebben

met Van de Sande.

>

2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt.

E.M.M. overwoog Uw Raad:

" (blz. 1692) O. dat de gemeente

ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch

tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de

onteigening heeft uitgesproken met vaststelling

van het bedrag der schadevergoeding en bepaling

dat dat bedrag zal worden geconsigneerd]

ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond,

dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem

beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te

onteigenen percelen is tegengesproken;

dat dit verweer moet worden verworpen;

(?)

dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de

bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om

[een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht

op het goed in het geding te mogen tusschenkomen]

te beletten in het geding tot onteigening te

blijven waken tegen krenking van de door hem

beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter

voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek

naar het bestaan dier betwiste rechten uit te

sluiten;

dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35

en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op

het te onteigenen goed is tegengesproken,

desondanks rangschikken onder de belanghebbenden

en toelaten tot uitoefening van zekere

bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de

Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der

deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting

heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij

pleidooi heeft ontwikkeld;

dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan

het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid

heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn

conclusieën de onteigening is uitgesproken van

perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en

waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een

naar zijn stellingen te laag bedrag;

dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie

open staat tegen dit vonnis, dat beslist over

rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te

zijn, en het voor de bescherming van zijn -

mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem

niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet

onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van

"partij" slechts schijnt te willen geven, behalve

aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan

het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het

goed niet wordt tegengesproken; dat toch uit die

woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in

strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet -

den kring van hen, voor wie de voorziening in

cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de

artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen,

niets wordt aangetroffen, dat wijst op een

beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze

wet partijen noemt"<(4) Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo

Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz.

deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie

tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss.

RUU (1984), blzz. 530-535.

>

2.6. Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als

bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige

geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de

vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre

kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden

ontleend voor de beantwoording van de vraag of Rhee-

Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding

tot vervroegde onteigening?

2.7. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet

deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor

de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de

mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de

rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele

mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening

voor de rechtbank<(5) Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst

wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep

open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996,

615, m. nt. MB.

> uitgeput. Op hetgeen verzoeksters tot

tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot

tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank

derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra

C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden

vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken

de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij

partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening.

2.8. De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf

Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden

ontvangen.

Beoordeling van het principaal cassatieberoep

3. Cassatiemiddel I

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de

procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op

het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar

voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stelllingen

van Van de Sande blijkt dat destijds geen sprake was

van enige reële mogelijkheid tot zelfrealisatie - hij

spreekt in dit verband van een inmiddels volledig

gewijzigde situatie - zodat er in zoverre alleszins

noodzaak was tot onteigening en de overheid aldus in

redelijkheid

tot het onteigeningsbesluit kon komen. De rechtbank is

van oordeel dat de vraag of in het onteigeningsgeding

nog ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde

onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen

met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen

positief kan worden beantwoord indien er op basis van

de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over

de mogelijkheid voor de gedaagde partij om - samen met

anderen - de bestemming zelf te realiseren. In dat

geval is de gevorderde onteigening niet rechtmatig,

althans ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de

rechtbank.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat Van de

Sande niet de noodzakelijke

details geeft over de exacte mogelijkheden tot

zelfrealisatie en de praktische

uitvoering daarvan en dat de gemeente gemotiveerd heeft

bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.

Zij kan zich op basis hiervan in feite geen goed

oordeel vormen over de vraag of Van de Sande in

samenwerking met Rhee-Bra en met anderen inderdaad

technisch, financieel en praktisch tot zelfrealisatie

van de op grondeigendommen waar het om gaat rustende

bestemming in staat is. De rechtbank acht een nader

tijdrovend feitenonderzoek door middel van

bewijslevering op dit punt in strijd met de spoed die

in een onteigeningsprocedure betracht dient te worden.

Op grond van het voorafgaande beantwoordt de

rechtbank voormelde vraag ontkennend.

3.2. Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten

onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het

onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van

de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde

partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan

realiseren, alleen positief kan worden beantwoord

indien er op basis van de voorhanden gegevens geen

redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de

gedaagde partij - samen met anderen - zelf de

bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich

verzetten tegen feitenonderzoek door middel van

bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De

overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek

door middel van bewijslevering van de gestelde

mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de

spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient

te worden, is volgens eiser tot cassatie sub 1 zonder

nadere redengeving onbegrijpelijk.

3.3. In zijn conclusie van antwoord voor de rechtbank

d.d. 11 december 1998 heeft Van de Sande aangevoerd:

"14. (?) [T]hans [is er] een verbond (?) binnen

Rhee-Bra van 50 ha gronden van eigenaren die ook

voor een groot gedeelte nagenoeg aaneengesloten

liggen en bovendien bestaan er middels Bouwbedrijf

Van Rhee B.V. voldoende mogelijkheden en

technische kennis om het geheel te kunnen

uitvoeren. Het bouwbedrijf heeft reeds informatie

gevraagd bij het Ministerie van Defensie [in] de

persoon van Kolonel Ir. C. van den Dungen zoals

blijkt uit bijgaand schrijven van 9 november 1998

(?) .

15. Bouwbedrijf Van Rhee B.V. alsmede de Beheer-

en Beleggingsmaatschappij Van Rhee B.V. tezamen

met de Strijpse Kampen B.V. en de overige

inbrengende eigenaren beschikken over voldoende

financiële middelen, de gronden en technische

middelen en mogelijkheden om de door de overheid

voorgestane planuitvoering binnen de door de

overheid gestelde termijnen en voorwaarden en

voorschriften te realiseren. Gedaagden zijn dan

ook bereid om binnen het door de overheid te

stellen kader het bestemmingsplan te realiseren.

Er bestaat derhalve voor de gemeente gelet op de

mogelijkheid van zelfrealisatie geen enkele

noodzaak tot onteigening."

Voorts heeft Van de Sande bewijs aangeboden, in het

bijzonder door middel van het horen van getuigen, van

zijn stelling dat hij in staat is het bestemmingsplan

zelf te realiseren (zie onderdeel 21 van de conclusie

van antwoord).

3.4. Het door Van de Sande voor het eerst bij de

rechtbank aangevoerde bezwaar dat er gelet op de

mogelijkheid tot zelfrealisatie geen noodzaak tot

onteigening is, noopt tot een nieuwe belangenafweging,

die de (onteigenings)rechter niet mag uitvoeren. Dan

zou de rechter immers op de stoel van het bestuur gaan

zitten. De noodzaak tot onteigening moet ook in het

onteigeninsgeding worden beoordeeld, maar dat kan

slechts aan de hand van op die noodzaak betrekking

hebbende bezwaren, die zozeer aan de rechtmatigheid van

de onteigening in de weg staan dat de belangenafweging,

die aan (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit

ten grondslag ligt, niet aan de orde komt. Het door Van

de Sande aangevoerde bezwaar stelt die belangenafweging

nu juist wel aan de orde.<(6) Zie onderdeel 3.8 van mijn conclusie voor HR 30

september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW (Willemsens-

Maassen en Burgfonds/Dordrecht).

>

3.5. Waarom heeft de rechtbank daar dan wel acht op

geslagen? Misschien heeft de rechtbank zich (mede)

laten leiden door de vonnissen van de rechtbank te

`s-Hertogenbosch van 12 mei 1989, NJ 1990, 490

(Helmond/Van Mullekom) en van de rechtbank te Arnhem

van 28 maart 1996, nr. ON 1995/1041 (Nijkerk/Van Hell

en Landman en Bouwfonds Woningbouw B.V.), waarvan ik de

relevante overwegingen heb geciteerd in de onderdelen

3.4 en 3.5 van mijn conclusie

voor HR 30 september 1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW

(Willemsens-Maassen en Burgfonds/Dordrecht).

3.6. Indien de rechtbank, zoals in de onder 3.5

vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de

noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig

is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans

onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling

niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van)

het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende

belangenafweging, maar op een vaststelling van de

feiten.

3.7. De gemeente heeft, anders dan de gemeenten in de

onder 3.5 vermelde zaken, gemotiveerd bestreden dat

zelfrealisatie een reële mogelijkheid is. Mij dunkt dat

daarmee voor Van de Sande het doek valt. Ik meen voor

die opvatting voldoende aanknopingspunten te kunnen

vinden in rov. 3.3 van HR NJ 1999, 411, waarin Uw Raad

onderdeel 2 van het middel heeft verworpen, zulks onder

verwijzing naar, onder meer, onderdeel 3.9 van mijn

conclusie in die zaak. Weliswaar heeft Van de Sande

aangeboden te bewijzen dat zelfrealisatie een reële

mogelijkheid is, maar dat aanbod kan niet tot iets

leiden. Immers, de vraag of zelfrealisatie een reële

mogelijkheid is, kan slechts worden beantwoord in het

kader van een bestuurlijke belangenafweging en niet van

een rechterlijke. De klacht dat de rechtbank het

bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, faalt dus

bij gebrek aan belang.

3.8. Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs

voorgesteld.

4. Cassatiemiddel II

4.1. Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder

meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling -

waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeente

onvoldoende serieus heeft onderhandeld. Voorts zou de

rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij -

tegen de stelling van het tegendeel in - tot het

oordeel is gekomen dat het aanbod van de gemeente niet

reeds a prima vista als onredelijk kan worden

aangemerkt.

4.2. Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 Ow.,

waarin de eis wordt gesteld dat voor de

ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de

onteigenende partij de te onteigenen zaak bij

minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te

verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en

4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999,

24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den

Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat,

van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999,

411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens-

Maassen en Burgfonds/Dordrecht).

4.3. Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5:

"Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij

gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet

worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.

Daarbij dient die partij niet te werk te gaan

alsof dit voorschrift een te verwaarlozen

formaliteit is, in welk geval immers te kort zou

worden gedaan aan de strekking van het artikel dat

is gericht op het zo mogelijk vermijden van een

rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat

de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij

minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten

worden ondernomen in de periode tussen het

definitief worden van het besluit tot onteigening

(...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)."

4.4. In onderdeel 21 van zijn conclusie van antwoord

voor de rechtbank heeft Van de Sande bewijs aangeboden,

in het bijzonder door middel van het horen van

getuigen, van zijn stelling dat de gemeente in de

periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van

het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze

en in de Ow. bedoelde pogingen heeft ondernomen om te

komen tot minnelijk overleg.

4.5. De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in §

4.3 hiervoor geciteerde rechtsregels - de

correspondentie besproken die tussen de raadsman van de

gemeente enerzijds en Van de Sande anderzijds in de

periode tussen 21 juli en 15 oktober 1998 is gevoerd

naar aanleiding van het aanbod dat de raadsman van de

gemeente bij brief van 21 juli 1998 aan Van de Sande

heeft gedaan om te trachten de eigendom van het ter

onteigening aangewezen perceel bij minnelijke

overeenkomst te verwerven.<(7) Deze correspondentie is door de raadsman van de

gemeente ter zitting van 26 januari 1999 in het geding

gebracht.

>

De rechtbank komt op basis daarvan tot de

conclusie dat:

"de gemeente in de relevante periode een aanbod

heeft gedaan en een redelijke tijd heeft gegeven

om daarop inhoudelijk in te gaan. Gesteld noch

gebleken is dat door of zijdens de gemeente

tevoren reeds een bindend aanbod is gedaan. Van de

Sande heeft niet om een specificatie van het

aanbod gevraagd en slechts het aanbod als

volstrekt onaanvaardbaar van de hand gewezen,

zonder aan te geven wat volgens hem een redelijke

schadeloosstelling zou kunnen zijn. Onder die

omstandigheden heeft de gemeente, mede in

aanmerking genomen dat het aanbod van de gemeente

niet reeds a prima vista als onredelijk kan worden

aangemerkt, voldoende serieus onderhandeld.

De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de

gemeente niet in strijd met [art. 17 Ow.] heeft

gehandeld."

4.6. Aldus gemotiveerd geeft het oordeel van de

rechtbank dat de gemeente niet in strijd met art. 17

Ow. heeft gehandeld mijns inziens geen blijk van een

onjuiste rechtsopvatting. Nu de gemeente in ieder geval

vanaf 21 juli 1998 voldoende serieus heeft onderhandeld

en de rechtbank - in cassatie onbestreden - heeft

vastgesteld dat door of zijdens de gemeente in de

periode daarvoor niet reeds een bindend aanbod is

gedaan, hoefde de rechtbank niet op het bewijsaanbod in

te gaan.

4.7. Bij brief van 21 juli 1998 heeft de raadsman van

de gemeente Van de Sande meegedeeld dat de gemeente

thans een bedrag biedt van ƒ 160.633,--. Dat komt neer

op een bedrag van ƒ 9,60 per m?. In het licht van het

feit dat Van de Sande niet om

een specificatie van het aanbod heeft gevraagd en

slechts het aanbod als volstrekt onaanvaardbaar van de

hand heeft gewezen, zonder aan te geven wat volgens hem

een redelijke schadeloosstelling zou kunnen zijn,

hoefde de rechtbank niet nader te motiveren waarom het

aanbod van de gemeente niet reeds a prima vista als

onredelijk kan worden aangemerkt.

4.8. Het tweede cassatiemiddel treft evenmin doel.

5. Beoordeling van het incidenteel cassatiemiddel

5.1. De gemeente heeft een incidenteel cassatiemiddel

voorgesteld, louter voor het geval één of meer grieven

in het principale cassatieberoep zouden slagen. Voor

het geval Uw Raad mij niet mocht volgen in mijn

conclusie tot verwerping van het principaal

cassatieberoep, merk ik het volgende op.

5.2. De klacht dat de rechtbank het bezwaar dat de

onteigening niet noodzakelijk is, omdat gedaagde na het

Koninklijk Besluit van 30 juni 1997 bereid en in staat

zou zijn de bestemming waarvoor onteigend wordt, zelf

te realiseren, ten onrechte inhoudelijk heeft

behandeld, mist feitelijke grondslag. De rechtbank

heeft slechts onderzocht of Van de Sande de

noodzakelijke details over de exacte mogelijkheden tot

zelfrealisatie en de praktische uitvoering daarvan

heeft verschaft en vastgesteld dat dit niet het geval

is en dat de gemeente bovendien gemotiveerd heeft

bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.

Dat moest de rechtbank ook onderzoeken. Indien de

rechtbank namelijk feitelijk kan vaststellen dat de

noodzaak tot onteigening thans niet meer aanwezig is,

omdat de onteigenende partij de desbetreffende stelling

van de onteigende niet, althans onvoldoende heeft

weersproken, berust die vaststelling immers niet op een

toetsing van de aan (de goedkeuring van) het

onteigeningsbesluit ten grondslag liggende bestuurlijke

belangenafweging, maar op een aan de rechter opgedragen

vaststelling van de feiten.

6. Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van

eisers tot cassatie sub 2 en 3 in hun cassatieberoep

en, beide middelen van het principaal cassatieberoep

ongegrond bevindend, tot verwerping van het beroep.

De Procureur-

Generaal bij de Hoge

Raad der Nederlanden

A-G