Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4849

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
1275
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4849
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 1275 Mr. Ilsink

Derde Kamer B Conclusie inzake:

Onteigening 1. Mr H.B.J.

Reijnders q.q.

Zitting, 20 oktober 1999 2. Rhee-Bra C.V.

3. Bouwbedrijf Van Rhee

B.V.

tegen

1. de gemeente Oirschot

2. de gemeente Eindhoven

Edelhoogachtbaar College,

1. Feiten en procesverloop

1.1. Bij besluit van 26 november 1996, nr. 145, heeft

de raad van de gemeente Oirschot besloten ingevolge het

bepaalde bij art. 77, eerste lid, onder 1°, van de

Onteigeningswet (Ow.), ten behoeve van de uitvoering

van het bestemmingsplan "PIROC-Strijpsche Kampen"<(1) Dit plan is op 28 mei 1996 vastgesteld door de

gemeenteraad, op 19 december 1996 goedgekeurd door

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant en op 4 mei 1998

onherroepelijk geworden.

>, ten

name van de gemeente onder meer te onteigenen de

percelen, kadastraal bekend gemeente Oirschot, sectie

E, nrs. 939 (grondplannr. 11), groot 09.40.50 ha,

zijnde "boerderijen" en 1085 (grondplannr. 17), groot

03.12.40 ha, zijnde weiland. Beide percelen stonden ten

name van de op 6 februari 1995 overleden Cornelius

Johannes Maria van Dal (hierna: C.J.M. van Dal). Bij

Koninklijk Besluit van 30 juni 1997, no. 97.003107,

Stcrt. 18 juli 1997, nr. 135 (hierna: het KB) is

voormeld raadsbesluit inzoverre goedgekeurd.

1.2. Bij beschikking van 21 oktober 1998 heeft de

<

?

>

rechtbank te `s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) mr

H.B.J. Reijnders (hierna ook: mr Reijnders) benoemd als

derde in de zin van art. 20 Ow., tegen wie het geding

tot onteigening voor C.J.M. van Dal kan worden gevoerd.

1.3. Bij exploit van 28 oktober 1998 heeft de gemeente

Oirschot mr Reijnders doen dagvaarden voor de rechtbank

en onder meer gevorderd te harer name vervroegd de

onteigening uit te spreken van voormelde onroerende

zaken.

1.4. Bij vonnis van 26 maart 1999, nr. 31488 / HA ZA

98-2620, heeft de rechtbank het verzoek van eiseres tot

cassatie sub 2 de commanditaire vennootschap Rhee-Bra

C.V. (hierna: Rhee-Bra C.V.) en van eiseres tot

cassatie sub 3 de besloten vennootschap met beperkte

aansprakelijkheid Bouwbedrijf Van Rhee B.V. (hierna:

Van Rhee B.V.), beherend vennote van Rhee-Bra C.V., om

in het onteigeningsgeding te mogen tussenkomen,

afgewezen en de gemeente Eindhoven toegelaten als

tussenkomende partij. Voorts heeft de rechtbank de

gevorderde onteigening uitgesproken, het voorschot op

de schadeloosstelling voor mr Reijnders vastgesteld op

ƒ 2.008.539,-- en dat voor de gemeente Eindhoven op

nihil. Tenslotte heeft zij drie deskundigen en een

rechter-commissaris benoemd.

1.5. Tegen dit vonnis hebben eisers tot cassatie beroep

in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee met

Romeinse cijfers genummerde cassatiemiddelen.

1.6. De gemeenten hebben voorwaardelijk incidenteel

cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één

middel.

1.7. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten ter

zitting van Uw Raad van 9 juli 1999 schriftelijk doen

toelichten, waarna eisers tot cassatie ter zitting van

13 augustus 1999 nog hebben gerepliceerd.

1.8. Heden neem ik ook mijn conclusie in de

soortgelijke zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1272

tot en met 1274 en 1276 zijn geregistreerd. Er zitten

geen wezenlijke verschillen in de conclusies; voorzover

er verschillen zijn, met name in de onderdelen 3 en 4,

vinden die hun verklaring in verschillen in de

feitelijke constellatie.

2. De ontvankelijkheid van Rhee-Bra C.V. en Van Rhee

B.V. in het cassatieberoep

2.1. In hun schriftelijke toelichting van 9 juli 1999

hebben de gemeenten betoogd dat Rhee-Bra C.V. en Van

Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden

ontvangen, omdat de rechtbank hun verzoek om in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen heeft

afgewezen, op de grond dat zij geen derde-

belanghebbenden zijn in de zin van art. 3, tweede lid,

Ow.

2.2. Dat is niet juist. De rechtbank heeft de verzoeken

van Rhee-Bra C.V. en van Van Rhee B.V. om in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen afgewezen, op

de grond dat zich in dit geval de situatie van

"tegenspraak der hoedanigheid" als bedoeld in art. 3,

derde lid, Ow. voordoet. Daartoe heeft de rechtbank

overwogen dat uit de overgelegde akte van levering d.d.

22 januari 1999 weliswaar blijkt dat de erven Van Dal

aan Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. een onverdeeld

aandeel hebben geleverd in de in het geding zijnde

percelen, doch dat van de inschrijving van de notariële

akte in de daartoe bestemde openbare registers,

benodigd voor de voltooiing van de voor de overdracht

van onroerende zaken vereiste levering, geen bewijs is

overgelegd, zodat, gelet op de betwisting door de

gemeente Oirschot, niet in rechte vast staat dat Rhee-

Bra C.V. en Van Rhee B.V. mede-eigenaar zijn geworden

van de te onteigenen percelen.

2.3. Niettemin zal ik ambtshalve moeten onderzoeken of

de exceptie van niet-ontvankelijkheid opgaat. Hoewel de

exceptie niet bij conclusie van antwoord is

voorgedragen, zoals bij art. 411, tweede lid, Rv. is

voorgeschreven, ga ik ervan uit dat het hier een grond

van niet-ontvankelijkheid betreft die van openbare orde

is.<(2) Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, derde

druk (1989), § 143.

> In wezen betogen de gemeenten immers dat Rhee-Bra

C.V. en Van Rhee B.V. geen partij zijn bij het

onteigeningsgeding.

2.4. Bij art. 3, derde lid, Ow. is bepaald dat bij

tegenspraak van de hoedanigheid van eigenaar,

rechthebbende of derde belanghebbende, de onteigening

met de overigen wordt voortgezet, en hij, die beweert

gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de

schadevergoeding zal kunnen uitoefenen, die in dat

geval wordt geconsigneerd overeenkomstig de Wet op de

consignatie van gelden.<(3) In de onderhavige zaak heeft de rechtbank consignatie

van een gedeelte van de schadeloosstelling achterwege

gelaten, omdat door geen van de partijen duidelijk is

gemaakt voor welk bedrag zou dienen te worden

geconsigneerd, de beweerde mede-eigendom van Rhee-Bra

C.V. en Van Rhee B.V. gering is en voorts de erven Van

Dal een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten met

Rhee-Bra C.V. en/of Van Rhee B.V.

>

2.5. In HR 28 augustus 1934, NJ 1934, blz. 1689, m. nt.

E.M.M. overwoog Uw Raad:

" (blz. 1692) O. dat de gemeente

ontvankelijkheid van het door de Vries Lentsch

tegen de(?) uitspraak[, waarbij de rechtbank de

onteigening heeft uitgesproken met vaststelling

van het bedrag der schadevergoeding en bepaling

dat dat bedrag zal worden geconsigneerd]

ingestelde beroep in cassatie bestrijdt op grond,

dat hij daarbij niet partij is, nu de door hem

beweerde hoedanigheid van eigenaar van de te

onteigenen percelen is tegengesproken;

dat dit verweer moet worden verworpen;

(?)

dat uit de geschiedenis der wet blijkt, dat de

bedoeling van [art. 3, derde lid, Ow.] niet is om

[een] derde [die verzoekt op grond van eenig recht

op het goed in het geding te mogen tusschenkomen]

te beletten in het geding tot onteigening te

blijven waken tegen krenking van de door hem

beweerde rechten op het goed, doch alleen om ter

voorkoming van vertraging daarin elk onderzoek

naar het bestaan dier betwiste rechten uit te

sluiten;

dat dan ook in aansluiting hieraan de artt. 35

en volgende der wet hem, wiens beweerd recht op

het te onteigenen goed is tegengesproken,

desondanks rangschikken onder de belanghebbenden

en toelaten tot uitoefening van zekere

bevoegdheden, gelijk in het onderhavige geval de

Vries Lentsch zijn bezwaren tegen het advies der

deskundigen heeft ingebracht, ter terechtzitting

heeft geconcludeerd en zijn conclusieën bij

pleidooi heeft ontwikkeld;

dat de Vries Lentsch dus deel genomen heeft aan

het voor de Rechtbank gevoerde geding, dat geleid

heeft tot een vonnis, waarbij in strijd met zijn

conclusieën de onteigening is uitgesproken van

perceelen, waarvan hij beweert eigenaar te zijn en

waarbij de schadevergoeding is vastgesteld op een

naar zijn stellingen te laag bedrag;

dat daarom ook voor hem het beroep in cassatie

open staat tegen dit vonnis, dat beslist over

rechten, die alsnog kunnen blijken de zijne te

zijn, en het voor de bescherming van zijn -

mogelijk - recht noodzakelijk rechtsmiddel hem

niet mag worden onthouden, alleen omdat een - niet

onberispelijke woordenkeus der [Ow.] den naam van

"partij" slechts schijnt te willen geven, behalve

aan eischer en gedaagde, aan die deelnemers aan

het onteigeningsgeding, wier beweerd recht op het

goed niet wordt tegengesproken; dat toch uit die

woordenkeus niet blijkt van een bedoeling om - in

strijd met redelijkheid en eigen stelsel der wet -

den kring van hen, voor wie de voorziening in

cassatie openstaat, te beperken, terwijl ook in de

artikelen der [Ow.], die de cassatie regelen,

niets wordt aangetroffen, dat wijst op een

beperking van het rechtsmiddel tot hen, die deze

wet partijen noemt"<(4) Zie over dit arrest uitvoerig H.J.M. van Mierlo

Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Bijz.

deel I.B. III, §§ 25 en 33, en W. Wijting, Een studie

tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, diss.

RUU (1984), blzz. 530-535.

>

2.6. Voormeld arrest uit 1934 betrof een eindvonnis als

bedoeld in art. 37, tweede lid, Ow. In het onderhavige

geval hebben wij te maken met een vonnis waarbij de

vervroegde onteigening is uitgesproken. In hoeverre

kunnen nu aan dat arrest aanknopingspunten worden

ontleend voor de beantwoording van de vraag of Rhee-

Bra C.V. en Van Rhee B.V. partij waren bij het geding

tot vervroegde onteigening?

2.7. Rhee-Bra C.V. en Van Rhee B.V. hebben niet

deelgenomen en ook niet kunnen deelnemen aan het voor

de rechtbank gevoerde geding. De Ow. biedt hun de

mogelijkheid aan de rechtbank te verzoeken in het

onteigeningsgeding te mogen tussenkomen, maar indien de

rechtbank dat verzoek afwijst, zijn hun processuele

mogelijkheden in het geding tot vervroegde onteigening

voor de rechtbank<(5) Tegen het vonnis waarbij het verzoek tot tussenkomst

wordt afgewezen, staat uiteraard wel cassatieberoep

open. Zie bijvoorbeeld HR 31 januari 1996, NJ 1996,

615, m. nt. MB.

> uitgeput. Op hetgeen verzoeksters tot

tussenkomst anders dan ter staving van hun verzoek tot

tussenkomst hebben aangevoerd, kon de rechtbank

derhalve geen acht slaan. Hoezeer ook voor Rhee-Bra

C.V. en Van Rhee B.V geldt dat het thans bestreden

vonnis beslist over rechten, die alsnog kunnen blijken

de hunne te zijn, kan dus niet worden gezegd dat zij

partij waren bij het geding tot vervroegde onteigening.

2.8. De conclusie is dat Rhee-Bra C.V. en Bouwbedrijf

Van Rhee B.V. niet in hun cassatieberoep kunnen worden

ontvangen.

3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep voorzover

ingesteld tegen de gemeente Eindhoven

Nu de gemeente Eindhoven in de procedure voor de

rechtbank als tegenpartij van de gemeente Oirschot

optrad, kan zij niet samen met de gemeente Oirschot als

verweerster in deze cassatieprocedure worden betrokken,

zodat eiser tot cassatie sub 1 in zijn cassatieberoep

tegen het bestreden vonnis, voorzover dat is gewezen

tussen de gemeente Oirschot enerzijds en de gemeente

Eindhoven anderzijds, niet-ontvankelijk moet worden

verklaard.<(6) Zie HR 30 september 1998, NJ 1999, 412

(Kloens/Dordrecht), onder 3, met mijn conclusies.

>

Beoordeling van het principaal cassatieberoep

4. Cassatiemiddel I

4.1. De rechtbank heeft overwogen dat reeds in de

procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding op

het punt van de noodzaak tot onteigening bezwaren naar

voren zijn gebracht, maar dat uit de eigen stelllingen

van eiser tot cassatie sub 1 blijkt

dat destijds geen sprake was van enige reële

mogelijkheid tot zelfrealisatie, zodat er inzoverre

alleszins noodzaak was tot onteigening en de overheid

aldus in redelijkheid

tot het onteigeningsbesluit kon komen. De rechtbank is

van oordeel dat de vraag of in het onteigeningsgeding

nog ruimte is voor een afwijzing van de gevorderde

onteigening op de grond dat de gedaagde partij - samen

met anderen - de bestemming zelf kan realiseren, alleen

positief kan worden beantwoord indien er op basis van

de voorhanden gegevens geen redelijke twijfel is over

de mogelijkheid voor de gedaagde partij om - samen met

anderen - de bestemming zelf te realiseren. In dat

geval is de gevorderde onteigening niet rechtmatig,

althans ontbreekt daaraan elk redelijk belang, aldus de

rechtbank.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat eiser tot

cassatie sub 1 niet de noodzakelijke details geeft over

de exacte mogelijkheden tot zelfrealisatie en de

praktische uitvoering daarvan en dat de gemeente

Oirschot gemotiveerd heeft bestreden dat zelfrealisatie

een reële mogelijkheid is. Zij kan zich op basis

hiervan in feite geen goed oordeel vormen over de vraag

of eiser tot cassatie sub 1 in samenwerking met Rhee-

Bra en met anderen inderdaad technisch, financieel en

praktisch tot zelfrealisatie van de op grondeigendommen

waar het om gaat rustende bestemming in staat is. De

rechtbank acht een nader tijdrovend feitenonderzoek

door middel van bewijslevering op dit punt in strijd

met de spoed die in een onteigeningsprocedure betracht

dient te worden.

Op grond van het voorafgaande beantwoordt de

rechtbank voormelde vraag ontkennend.

4.2. Het middel klaagt er over dat de rechtbank ten

onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of in het

onteigeningsgeding nog ruimte is voor een afwijzing van

de gevorderde onteigening op de grond dat de gedaagde

partij - samen met anderen - de bestemming zelf kan

realiseren, alleen positief kan worden beantwoord

indien er op basis van de voorhanden gegevens geen

redelijke twijfel is over de mogelijkheid voor de

gedaagde partij - samen met anderen - zelf de

bestemming te realiseren. Geen rechtsregel zou zich

verzetten tegen feitenonderzoek door middel van

bewijslevering in een onteigeningsprocedure. De

overweging dat een nader tijdrovend feitenonderzoek

door middel van bewijslevering van de gestelde

mogelijkheid tot zelfrealisatie in strijd is met de

spoed die in een onteigeningsprocedure betracht dient

te worden, is volgens eiser tot cassatie sub 1 zonder

nadere redengeving onbegrijpelijk.

4.3. In het KB van 30 juni 1997 overwoog de Kroon naar

aanleiding van de door de erven Van Dal tegen het

raadsbesluit naar voren gebrachte bedenkingen onder

meer:

"(Stcrt. 1997, 135, blz. 15, tweede kolom) (?)

Voor de beoordeling van de bedenkingen inzake de

bereidheid zelf tot verwezenlijking van de

bestemmingen over te gaan verwijzen Wij naar

hetgeen Wij overwogen hebben bij soortgelijke

bedenkingen van de reclamante onder b."

en bij bedoelde bedenkingen van reclamante onder b:

"(blz. 14, vierde kolom) (?) Mede gelet

onderlinge samenhang van de in het plangebied uit

te voeren werkzaamheden en de beperkte omvang van

de eigendommen van de reclamante ten opzichte van

het gehele plangebied kan naar Ons oordeel van een

zelf verrichten van werkzaamheden door de

reclamante uit een oogpunt van een doelmatige

realisering van het bestemmingsplan geen sprake

zijn."

4.4. In zijn conclusie van antwoord voor de rechtbank

d.d. 20 november 1998 heeft eiser tot cassatie sub 1

aangevoerd:

"6. De erven zijn inmiddels met [Rhee-Bra C.V.]

3 juli 1998 (?) een overeenkomst aangegaan

waarbij partijen hebben uitgesproken dat zij samen

willen werken met als doel voornoemde percelen zo

spoedig mogelijk te gaan ontwikkelen en daartoe

een exploitatie-overeenkomst aan te gaan met de

gemeenten Eindhoven c.q. Oirschot en/of eventuele

derden daaronder begrepen het Ministerie van

Defensie teneinde het bestemmingsplan "Piroc-

Strijpsche Kampen" van de gemeente Oirschot/

Eindhoven zelf te realiseren. (?) Rhee-Bra is

uitermate in staat om met en in opdracht van de

erven het bestemmingsplan te realiseren. Immers

Rhee-Bra heeft inmiddels door met verschillende

eigenaren/belanghebbenden binnen het plangebied

gelijkluidende overeenkomsten te sluiten, de

beschikking over een zeer groot grondoppervlak -

circa 50 ha - binnen voornoemd plan. Voorts

beschikt Rhee-Bra over een bouwbedrijf met

voldoende technische en financiële middelen om de

door de overheid voorgestane planuitvoering binnen

de door de overheid gestelde termijnen en binnen

de door de overheid te stellen voorwaarden en

voorschriften te realiseren. De erven zijn bereid

om binnen het door de overheid te stellen kader

het bestemmingsplan te realiseren. Er bestaat

derhalve voor de gemeente gelet op de mogelijkheid

van zelfrealisatie geen enkele noodzaak tot

onteigening.

7. Ten opzichte van het [KB van 30 juni 1997], is

er thans sprake van een volledig gewijzigde

situatie. Was er ten tijde van het nemen van

genoemd besluit nog geen sprake van dat de

betrokken eigenaren/belanghebbenden zelf in staat

waren tot zelfrealisatie, nu is dat wel het geval.

Thans beschikken zij door het sluiten van de

hiervoor genoemde overeenkomst over een

grondoppervlakte van circa 50 ha, zijnde 50% van

het plangebied. Zoals gezegd is een samenwerking

aangegaan met een deskundige ontwikkelaar/aannemer

die in staat is tot realisering van het

bestemmingsplan. Gedaagde concludeert derhalve dat

gegeven deze nieuwe omstandigheden de toetsing van

de onteigeningstitel ten aanzien van de

zelfrealisatie door Uw Rechtbank voor de hand

ligt."

Voorts heeft eiser tot cassatie sub 1 bewijs

aangeboden, in het bijzonder door middel van het horen

van getuigen, van zijn stelling dat de erven in staat

zijn het bestemmingsplan zelf te realiseren (zie

onderdeel 12 van de conclusie van antwoord).

4.5. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van het

onteigenings-KB blijkt dat de erven Van Dal hun

bezwaar dat zij zelf tot verwezenlijking van het

bestemmingsplan willen overgaan niet voor het eerst in

het onteigeningsgeding naar voren hebben gebracht. De

beoordeling van dit bezwaar noopte de gemeenteraad en

de Kroon tot een belangenafweging. De

onteigeningsrechter mag die belangenafweging slechts

marginaal toetsen. Voorts mag de onteigeningsrechter

zich niet over die belangenafweging uitlaten naar

aanleiding van feiten en omstandigheden, die de raad

en/of de Kroon niet bekend waren. Dat zou de

onteigeningsrechter immers op de stoel van het bestuur

zetten.<(7) Zie onderdeel 2.2.13 van de conclusie van de A-G Loeb

voor HR 2 april 1997, NJ 1997, 730, m. nt. P.C.E. van

Wijmen, BR 1997, blz. 770, m. nt. E. van der Schans

(Semler/Assen).

>

4.6. In het onteigeningsgeding heeft eiser tot cassatie

sub 1 zijn bezwaar met nieuwe stellingen onderbouwd.

Zoals gezegd mag de onteigeningsrechter daar in

beginsel geen acht op slaan. Waarom heeft de rechtbank

dat dan wel gedaan? Misschien heeft de rechtbank zich

(mede) laten leiden door de vonnissen van de rechtbank

te `s-Hertogenbosch van 12 mei 1989, NJ 1990, 490

(Helmond/Van Mullekom) en van de rechtbank te Arnhem

van 28 maart 1996, nr. ON 1995/1041 (Nijkerk/Van Hell

en Landman en Bouwfonds Woningbouw B.V.), waarvan ik de

relevante overwegingen heb geciteerd in de onderdelen

3.4 en 3.5 van mijn conclusie voor HR 30 september

1998, NJ 1999, 411, m. nt. PCEvW (Willemsens-Maassen en

Burgfonds/Dordrecht).

4.7. Indien de rechtbank, zoals in de onder 4.6

vermelde vonnissen het geval was, vaststelt dat de

noodzaak tot onteigening (thans) niet (meer) aanwezig

is, omdat de onteigenende partij dat niet, althans

onvoldoende heeft weersproken, berust die vaststelling

niet op een toetsing van de aan (de goedkeuring van)

het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende

belangenafweging, maar op een vaststelling van de

feiten.

4.8. De gemeente Oirschot heeft, anders dan de

gemeenten in de onder 4.6 vermelde zaken, gemotiveerd

bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.

Mij dunkt dat daarmee voor eiser tot cassatie sub 1 het

doek valt. Ik meen voor die opvatting voldoende

aanknopingspunten te kunnen vinden in rov. 3.3. van HR

NJ 1999, 411, waarin Uw Raad onderdeel 2 van het middel

heeft verworpen, zulks onder verwijzing naar, onder

meer, onderdeel 3.9 van mijn conclusie in die zaak.

Weliswaar heeft eiser tot cassatie sub 1 aangeboden te

bewijzen dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is,

maar dat aanbod kan niet tot iets leiden. Immers, de

vraag of zelfrealisatie een reële mogelijkheid is, kan

slechts worden beantwoord in het kader van een

bestuurlijke belangenafweging en niet van een

rechterlijke. De klacht dat de rechtbank het

bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, faalt dus

bij gebrek aan belang.

4.9. Het eerste cassatiemiddel is derhalve tevergeefs

voorgesteld.

5. Cassatiemiddel II

5.1. Het middel klaagt erover dat de rechtbank zonder

meer is voorbijgegaan aan de gemotiveerde stelling -

waarvan bewijs is aangeboden - dat de gemeente Oirschot

onvoldoende serieus heeft onderhandeld. Voorts zou de

rechtbank niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe zij -

tegen de stelling van het tegendeel in - tot het

oordeel is gekomen dat a prima vista niet kan worden

gezegd dat het aanbod van de gemeente Oirschot ten

aanzien van 115.290 m? grond kennelijk onredelijk is.

5.2. Voor beschouwingen met betrekking tot art. 17 Ow.,

waarin de eis wordt gesteld dat voor de

ontvankelijkheid van de vordering tot onteigening de

onteigenende partij de te onteigenen zaak bij

minnelijke overeenkomst moet hebben getracht te

verwerven, moge ik verwijzen naar de onderdelen 4.4 en

4.5 van mijn conclusie voor HR 8 april 1998, NJ 1999,

24, m. nt. P.C.E. van Wijmen (Van den

Boogert/Rotterdam) en onderdeel 2.10, eerste citaat,

van mijn conclusie voor HR 30 september 1998, NJ 1999,

411, eveneens m. nt. P.C.E. van Wijmen (Willemsens-

Maassen en Burgfonds/Dordrecht).

5.3. Uw Raad overwoog in HR NJ 1999, 24, onder 3.5:

"Artikel 17 [Ow.] schrijft de onteigenende partij

gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet

worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.

Daarbij dient die partij niet te werk te gaan

alsof dit voorschrift een te verwaarlozen

formaliteit is, in welk geval immers te kort zou

worden gedaan aan de strekking van het artikel dat

is gericht op het zo mogelijk vermijden van een

rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (...) dat

de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij

minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten

worden ondernomen in de periode tussen het

definitief worden van het besluit tot onteigening

(...) en het uitbrengen van de dagvaarding (...)."

5.4. In onderdeel 12 van zijn conclusie van antwoord

voor de rechtbank heeft eiser tot cassatie sub 1 bewijs

aangeboden, in het bijzonder door middel van getuigen,

van zijn stelling dat de gemeente Oirschot in de

periode gelegen tussen het besluit tot goedkeuring van

het onteigeningsbesluit en de dagvaarding geen serieuze

pogingen heeft ondernomen om te komen tot minnelijk

overleg.

5.5. De rechtbank heeft - terecht uitgaande van de in §

5.3 hiervoor geciteerde rechtsregels - de

correspondentie besproken die tussen de raadsman van de

gemeente Oirschot enerzijds en eiser tot cassatie sub 1

anderzijds in de periode van 21 juli tot en met 14

oktober 1998 is gevoerd naar aanleiding van het aanbod

dat de raadsman van de gemeente bij brief van 21 juli

1998 aan eiser tot cassatie sub 1 heeft gedaan om te

trachten de eigendom van de ter onteigening aangewezen

percelen bij minnelijke overeenkomst te verwerven.<(8) Deze correspondentie is door de raadsman van de

gemeente ter zitting van 26 januari 1999 in het geding

gebracht.

>

De rechtbank komt op basis daarvan tot de

conclusie dat:

"de gemeente na het besluit tot onteigening een

aaanbod heeft gedaan en - zeker na verlenging van

de termijn - een redelijke tijd heeft gegeven om

daarop inhoudelijk in te gaan. Duidelijk kenbaar

is gemaakt dat Mr. Claassen de onderhandelingen

voerde namens de gemeente. Weliswaar heeft

daarvoor al een aanzet tot onderhandelen

plaatsgevonden, doch gesteld noch gebleken is dat

toen door of zijdens de gemeente een bindend

aanbod is gedaan.

Dat niet op korte termijn om een specificatie is

gevraagd en aldus veel tijd verloren is gegaan kan

niet aan de gemeente worden verweten. Op het

eerste verzoek van Mr. Reijnders is een

specificatie van het aanbod gegeven en eerst in

een laat stadium heeft Mr. Reijnders een

inhoudelijke reactie gegeven op het aanbod en de

gemeente heeft daarop gemotiveerd gereageerd. De

rechtbank constateert dat er een aanzienlijk

meningsverschil is tussen partijen omtrent de

grondprijs ten aanzien van de 115.290 m? grond

maar a prima vista kan niet worden gezegd dat het

aanbod van de gemeente op dit punt kennelijk

onredelijk is.

De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de

gemeente niet in strijd met [art. 17 Ow.] heeft

gehandeld."

5.6. Aldus gemotiveerd geeft het oordeel van de

rechtbank dat de gemeente niet in strijd met art. 17

Ow. heeft gehandeld mijns inziens geen blijk van een

onjuiste rechtsopvatting. Nu de gemeente in ieder geval

vanaf 21 juli 1998 voldoende serieus heeft onderhandeld

en de rechtbank - in cassatie onbestreden - heeft

vastgesteld dat in de periode daarvoor door of zijdens

de gemeente Oirschot geen bindend aanbod is gedaan,

hoefde de rechtbank niet op het bewijsaanbod in te

gaan.

5.7. Bij brief van 10 september 1998 heeft de raadsman

van de gemeente Oirschot het aanbod van 21 juli 1998

gespecificeerd. Vervolgens heeft hij bij brief van 14

oktober 1998 aan eiser tot cassatie sub 1 meegedeeld:

"In antwoord op Uw brief d.d. 5 oktober jl. deel

ik U mede dat de Gemeente Oirschot niet bereid is

in te stemmen met een schadeloosstelling gebaseerd

op een prijs van ƒ 15,-- per m?. Zij handhaaft

haar bod gebaseerd op een prijs van ƒ 9,-- per m?,

temeer omdat in september 1997 nog op basis van

deze prijs aangekocht zijn de vergelijkbare

percelen Gemeente Oirschot Sectie E, nrs. 656,

999 en 1000 (totaal ± 18 HA) van A.F. van de Sande

(koopovereenkomst d.d. 18 september 1997;

notariële akte d.d. 23 oktober 1997).

Gezien de omvang van het thans bestaande verschil

(ƒ 9,-- per m? tegenover ƒ 15 per m?) is -

eventuele - overeenstemming op korte termijn niet

te verwachten en is een spoedige verwerving

uitsluitend door een onteigeningsprocedure

gewaarborgd. Deze procedure zal dan ook binnenkort

aanvangen."

In dit licht bezien hoefde de rechtbank niet nader te

motiveren waarom a prima vista niet kan worden gezegd

dat het aanbod van de gemeente Oirschot ten aanzien van

de 115.290 m? grond kennelijk onredelijk is.

5.8. Het tweede cassatiemiddel treft evenmin doel.

6. Beoordeling van het incidenteel cassatiemiddel

6.1. De gemeenten hebben een incidenteel cassatiemiddel

voorgesteld, louter voor het geval één of meer grieven

in het principale cassatieberoep zouden slagen. Voor

het geval Uw Raad mij niet mocht volgen in mijn

conclusie tot verwerping van het principaal

cassatieberoep, merk ik het volgende op.

6.2. Voorzover het incidenteel cassatieberoep is

ingesteld door de gemeente Eindhoven, is het niet-

ontvankelijk, omdat het bestreden vonnis niet tussen de

gemeente Eindhoven en eiser tot cassatie sub 1 is

gewezen. Ik verwijs naar hetgeen ik in onderdeel 3 van

deze conclusie heb opgemerkt.

6.3. De klacht dat de rechtbank het bezwaar dat de

onteigening niet noodzakelijk is, omdat gedaagde na het

Koninklijk Besluit van 30 juni 1997 bereid en in staat

zou zijn de bestemming waarvoor onteigend wordt, zelf

te realiseren, ten onrechte inhoudelijk heeft

behandeld, mist feitelijke grondslag. De rechtbank

heeft slechts onderzocht of eiser tot cassatie sub 1 de

noodzakelijke details over de exacte mogelijkheden tot

zelfrealisatie en de praktische uitvoering daarvan

heeft verschaft en vastgesteld dat dit niet het geval

is en dat de gemeente bovendien gemotiveerd heeft

bestreden dat zelfrealisatie een reële mogelijkheid is.

Dat moest de rechtbank ook onderzoeken. Indien de

rechtbank namelijk feitelijk kan vaststellen dat de

noodzaak tot onteigening thans niet meer aanwezig is,

omdat de onteigenende partij de desbetreffende stelling

van de onteigende niet, althans onvoldoende heeft

weersproken, berust die vaststelling immers niet op een

toetsing van de aan (de goedkeuring van) het

onteigeningsbesluit ten grondslag liggende bestuurlijke

belangenafweging, maar op een aan de rechter opgedragen

vaststelling van de feiten.

7. Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van

eisers tot cassatie sub 2 en 3 in hun cassatieberoep,

tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser tot cassatie

sub 1 in zijn cassatieberoep, voorzover dat is gewezen

tussen de gemeente Oirschot enerzijds en de gemeente

Eindhoven anderzijds, en, beide middelen van het

principaal cassatieberoep ongegrond bevindend, tot

verwerping van het beroep.

De Procureur-

Generaal bij de Hoge

Raad der Nederlanden

A-G