Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4771

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/213HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4771
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2, geldigheid: 2000-02-11
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 78, geldigheid: 2000-02-11
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429k, geldigheid: 2000-02-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 98
NJ 2000, 260
RvdW 2000, 53

Conclusie

R 99/213 HR Mr. Langemeijer

Parket, 14 januari 2000 Conclusie inzake:

[verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

In deze BOPZ-zaak wordt het oordeel dat de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot opname bestreden met een motiveringsklacht.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Op 25 oktober 1999 heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam bij de rechtbank aldaar een vordering ingediend tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarbij heeft de officier van justitie een op 20 oktober 1999 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring van de (waarnemend) geneesheer-directeur overgelegd.

1.2. De rechtbank heeft op 28 oktober 1999 en op 11 november 1999 betrokkene, zijn raadsman alsmede de behandelend arts Janssen gehoord.

1.3. De rechtbank heeft de voorlopige machtiging bij beschikking van 11 november 1999 verleend, voor de duur van drie maanden. De rechtbank overwoog:

“Betrokkene veroorzaakt door een stoornis van de geestvermogens gevaar, welk gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis. Bij betrokkene is onvoldoende sprake van bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.”

1.4. Namens betrokkene is tegen deze beslissing tijdig cassatieberoep ingesteld.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel 1a klaagt erover dat de rechtbank, ten aanzien van de vraag of betrokkene blijk geeft van de nodige bereidheid (art. 2 lid 3 Bopz), in de beschikking met een standaardoverweging heeft volstaan. Weliswaar heeft de rechtbank mondeling toegelicht waarom zij er onvoldoende vertrouwen in heeft dat betrokkene vrijwillig aan de noodzakelijke behandeling zal meewerken, maar die toelichting is slechts opgenomen in het proces-verbaal en niet in de beschikking. Onderdeel 1b bevat de klacht dat het oordeel omtrent het ontbreken van bereidheid van betrokkene in de beschikking onbegrijpelijk is, in het licht van hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd.

2.2. Het middel doelt op de beslissing van HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221 m.nt. JdB, inhoudend dat bij de controle op de motivering van Bopz-beschikkingen de weergave in het proces-verbaal van de toelichting, welke de rechter ter verklaring van de beslissing mondeling op de terechtzitting heeft uitgesproken maar die niet in de beschikking zelf is opgenomen, buiten beschouwing dient te blijven. In dit geval heeft de rechtbank in de beschikking volstaan met een standaardmotivering ten aanzien van de vraag of betrokkene bereid is vrijwillig behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis te ondergaan. De mondelinge toelichting van de rechter, zoals weergegeven aan het slot van het proces-verbaal van 11 november 1999, blijft in het hierna volgende dus buiten beschouwing.

2.3. De jurisprudentie laat toe dat de rechter in de beschikking op vorderingen als de onderhavige volstaat met een standaardmotivering, mits de uit de gedingstukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan. Deze regel doet geen afbreuk aan de algemene regel dat, wanneer een gemotiveerd en relevant verweer is gevoerd, uit de beschikking moet kunnen blijken dat de rechter het verweer onder ogen heeft gezien en om welke reden het is verworpen; daarbij is niet een gedetailleerd antwoord op ieder argument vereist. De vraag is nu, of aan deze maatstaf is voldaan.

2.4. In de geneeskundige rapportage, die de rechtbank ter beschikking stond, wordt niet gesproken over de vraag of betrokkene bereid was zich als vrijwillig opgenomen patiënt te laten behandelen. Betrokkene is aanvankelijk in het psychiatrisch ziekenhuis opgenomen op basis van een inbewaringstelling. Betrokkene heeft op 28 oktober 1999 o.m. verklaard:

“Ik ben bereid aan mijn ziekte te werken. Ik wil graag op vrijwillige basis behandeld worden op de open afdeling en daarna naar huis, met begeleiding door de RIAGG. (…) Ik heb dit al uitgelegd aan de arts, maar er wordt niet naar geluisterd. Ik vraag me af waarom een rechterlijke machtiging nodig zou zijn, terwijl ik mijn bereidwilligheid toon.”

(…)

De behandelend arts verklaarde o.m.:

“de vrijwilligheid waarvan betrokkene nu blijk geeft, is nieuw voor mij. (…) Ik hoor u voorstellen om de beslissing aan te houden tot begin november (…) om te bekijken of wij met betrokkene alsnog tot overeenstemming kunnen komen over de behandeling en of de vrijwilligheid waarvan hij nu blijk geeft bestendig is. Dat is een goed voorstel.”

Ook de betrokkene is met dat voorstel accoord gegaan. De rechtbank heeft toen de behandeling aangehouden. Hieruit kan worden opgemaakt dat de rechtbank de bereidverklaring serieus nam, maar op dat ogenblik onvoldoende duidelijk achtte of betrokkene daadwerkelijk bereid en in staat was aan de noodzakelijke behandeling in het psychiatrisch ziekenhuis mee te werken.

2.5. Op 11 november 1999 heeft de rechtbank betrokkene, zijn raadsman en de behandelend arts Janssen opnieuw gehoord. Betrokkene en zijn raadsman hebben herhaald dat betrokkene bereid is aan de behandeling op vrijwillige basis mee te werken. De behandelend arts, daarover gehoord, heeft hierop verklaard dat hij “twijfelt” aan de bereidheid van betrokkene om een behandeling in het psychiatrisch ziekenhuis te ondergaan, aangezien betrokkene tegen de verpleging heeft gezegd dat hij direct uit de kliniek zou vertrekken als de vordering zou worden afgewezen. De arts heeft erop gewezen dat de betrokkene na een eerder ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis weer snel is ontspoord en dat het daarom van belang is, een vinger aan de pols te kunnen houden. Daarbij komt, aldus de arts, dat betrokkene een matig ziektebesef en inzicht heeft en dat het beter is dat betrokkene niet thuis verblijft, omdat erop moet worden toegezien dat betrokkene genoeg slaap krijgt. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij inmiddels heeft laten zien dat hij het kan en dat hij thuis beter kan slapen dan in het psychiatrisch ziekenhuis, omdat daar mensen lopen te schreeuwen.

2.6. Er lag dus een serieuze bereidverklaring en daarmee een gemotiveerd verweer. In het licht daarvan mocht de rechtbank niet volstaan met de standaardvaststelling dat van de nodige bereidheid niet gebleken is. De standaardmotivering in de beschikking biedt geen inzicht in hetgeen de rechtbank daarbij voor ogen heeft gestaan. Ik noem, niet uitputtend, enkele mogelijkheden. Het kan zijn dat de rechtbank de uitgesproken bereidverklaring niet als gemeend beschouwde (de rechtbank had de vrijheid tot zo’n oordeel te komen, al zou zulks toelichting behoeven nadat de rechtbank eerder de behandeling daarvoor had heropend); het kan zijn dat de rechtbank verwacht dat betrokkene ondanks een gemeende bereidverklaring de vrijwillige opname niet zal volhouden en zal weglopen of niet daadwerkelijk zal meewerken aan de noodzakelijk geachte behandeling; het kan zijn dat de rechtbank conflicten verwacht over het regime (wel/niet thuis slapen); het kan ook zijn dat de rechtbank betrokkene heeft willen vastpinnen op zijn uitlating tegen de verpleging.

2.7. In het besef dat de rechter na verwijzing tot eenzelfde oordeel kan komen als in de bestreden beschikking, maar dan beter gemotiveerd, moet worden geconstateerd dat de motiveringsklacht terecht is voorgesteld.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Amsterdam.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden