Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4717

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2000
Datum publicatie
26-11-2003
Zaaknummer
112622 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4717
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 88
NJ 2000, 245

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 112.622 E Conclusie inzake:

Parket 30 november 1999 Toko Cheung Kong B.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoekster bij

arrest van 18 december 1998 vrijgesproken van het haar

tenlastegelegde handelen in strijd met art. 7 van de Vogelwet

1936.

2. De procureur-generaal bij het hof heeft tegen dit arrest

beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep is tegengesproken door

mr J.A. Huijgen, advocaat te 's-Gravenhage.

De ontvankelijkheid van het cassatieberoep (I)

3. De procureur-generaal heeft op 31 december 1998 beroep in

cassatie ingesteld. Ingevolge art. 433, eerste lid (oud)<(1) Dit artikel is gewijzigd bij de wet van 1 oktober

1998 tot wijziging van het Wetboek van

Strafvordering, de Uitleveringswet, de Wet

economische delicten en de Wet overdracht

tenuitvoerlegging strafvonnissen betreffende de

bepalingen aangaande de procedure in cassatie in

strafzaken, herzieningszaken, uitleveringszaken en

zaken in het kader van de Wet overdracht

tenuitvoerlegging strafvonnissen die op 1 juni 1999

in werking is getreden. Ingevolge art. VII van die

wet is deze wijziging niet van toepassing op zaken

waarin op het moment van inwerkingtreding van die wet

de stukken van het geding reeds bij de griffier van

de Hoge Raad zijn ingekomen. In de onderhavige zaak

zijn de stukken ingekomen op 31 maart 1999.

>, Sv

diende dit beroep binnen een maand te worden gevolgd door een

schriftuur. Blijkens het daarop geplaatste stempel is de

schriftuur op 23 maart 1999 ter griffie van het hof ingediend.

4. Uw Raad heeft in zijn arrest van 16 april 1996, NJ 1996,

527 geoordeeld dat indien de procureur-generaal binnen de in

art. 433, eerste lid, Sv bedoelde termijn van een maand niet

kan beschikken over het proces-verbaal van de terechtzitting en

het (uitgewerkte) arrest van het hof, redelijke wetstoepassing

meebrengt dat hij nog gedurende een maand nadat vorenbedoelde

stukken te zijner beschikking zijn gekomen een schriftuur kan

indienen.

5. Uit door mij bij de strafgriffie van het hof ingewonnen

<

?

>

informatie is gebleken dat de procureur-generaal op 25 februari

1999 de beschikking heeft gekregen over het uitgewerkte proces-

verbaal van de terechtzitting en het arrest van het hof.

Daaruit volgt dat - anders dan verzoekster in haar

schriftelijke tegenspraak van het beroep van de procureur-

generaal meent - het bepaalde in art. 433, eerste lid (oud), Sv

niet aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg

staat.

De ontvankelijkheid van het cassatieberoep (II)

6. Nu het beroep zich richt tegen een vrijspraak moet, gelet op

art. 430, eerste lid, Sv, allereerst worden bepaald of de

procureur-generaal in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe

dient te worden onderzocht of de gegeven vrijspraak een andere

is dan die welke wordt bedoeld in de hierboven vermelde

wetsbepaling. Dit brengt mee dat voor het onderhavige geval

eerst moet worden beantwoord of het hof is uitgegaan van een

juiste uitleg van het in de tenlastelegging voorkomende begrip

"beschermde vogels", welk woord in de tenlastelegging kennelijk

in dezelfde betekenis is gebruikt als in art. 1, aanhef en

onder 2°, Vogelwet 1936.

7. Aan verzoekster is bij inleidende dagvaarding

tenlastegelegd, - voorzover voor de beoordeling van het middel

van belang - dat:

"zij () in strijd met het bepaalde bij en/of

krachtens de Vogelwet 1936, (ongeveer) 60.000,

in elk geval een hoeveelheid, (ingevroren)

ringmussen (Passer montanus), en/of/althans

produkt(en) van die vogels, zijnde (een)

beschermde vogel(s) en/of (een) (een) vogel(s)

als bedoeld in artikel 2 van de Vogelwet 1936,

binnen het grondgebied van Nederland heeft

gebracht, althans heeft doen brengen"

en/of/althans

"() heeft gekocht en/of te koop heeft gevraagd."

8. De stukken van het geding houden in dat verzoekster handelt

in Chinees-Indische levensmiddelen en dat zij ingevroren vogels

uit China importeert ten behoeve van de verkoop. Bij de stukken

bevindt zich een factuur die inhoudt dat aan verzoekster onder

meer 60.000 stuks Passer montanus saturatus zijn geleverd. Het

betrof diepgevroren exemplaren die waren gevild maar nog waren

voorzien van kop en poten. Blijkens een proces-verbaal van de

AID heeft een vogeldeskundige vastgesteld dat de geleverde

vogels ringmussen (Passer montanus) zijn, een in Nederland

voorkomende soort die onder de bescherming van de Vogelwet 1936

valt.

9. Navraag bij het CITES-bureau in Dordrecht heeft geleerd dat

de Passer montanus saturatus een ondersoort is van de soort

Passer montanus.

10. Het hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:

"Ten laste is gelegd een overtreding van artikel

7 van de Vogelwet 1936. Dit artikel dient te

worden bezien tegen de achtergrond van de

Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het

behoud van de vogelstand. In aanmerking nemende

het doel van die richtlijn - de bescherming van

de vogelstand op het Europese grondgebied van de

lidstaten - en mede gelet op de vanuit dat doel

begrijpelijke beslissing van het Hof van

Justitie van de Europese Gemeenschappen van 8

februari 1996 (in de zaak C-202/94 tegen G. van

der Feesten), is duidelijk dat de richtlijn

aldus moet worden uitgelegd dat de bepalingen

daarvan niet van toepassing zijn op buiten het

Europese grondgebied van de lidstaten legaal

gedode vogels, van een ondersoort die binnen dat

grondgebied niet voorkomt. Gelet op de

wetsgeschiedenis beoogt artikel 7 van de

Vogelwet 1936 niet een bescherming die verder

gaat dan die van de richtlijn. Daarom is een

vrijspraak van de tenlastegelegde overtreding op

zijn plaats."

11. Art. 1, eerste lid, Richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1997

inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de Vogelrichtlijn)

luidt:

"Deze richtlijn heeft betrekking

instandhouding van alle natuurlijk in het wild

levende vogelsoorten op het Europees grondgebied

van de Lid-Staten waarop het Verdrag van

toepassing is. Zij betreft de bescherming, het

beheer en de regulering van deze soorten en

stelt regels voor de exploitatie daarvan."

12.In het arrest van het HvJEG van 8 februari 1996 in de zaak

C-202/94 (van der Feesten) is bepaald dat de Vogelrichtlijn van

toepassing is op ondersoorten van vogels die alleen buiten het

Europese grondgebied van de Lid-Staten natuurlijk in het wild

levend voorkomen, wanneer de soort waartoe zij behoren of

andere ondersoorten van deze soort natuurlijk in het wild

levend op dit grondgebied voorkomen.

13.Een van de overwegingen die het EG-Hof aan die beslissing

ten grondslag heeft gelegd luidt:

"Het begrip ondersoort blijkt derhalve niet

zijn gebaseerd op onderscheidingscriteria die

even nauwkeurig en objectief zijn als de

criteria op basis waarvan de soorten onderling

worden afgebakend. In wetenschappelijke kringen

bestaat er dan ook niet zelden een verschil van

mening over de mogelijkheid om bepaalde

ondersoorten te isoleren en van elkaar te

onderscheiden.

Uit het voorgaande volgt dat, indien de

werkingssfeer van de richtlijn zou worden

beperkt tot de op het Europese grondgebied

voorkomende ondersoorten en niet eveneens de

niet-Europese ondersoorten zou omvatten, de

richtlijn () moeilijk in de Lid-Staten zou

kunnen worden toegepast, met het daaraan

verbonden risico van een niet-eenvormige

toepassing in de Gemeenschap. Dit resultaat zou

indruisen tegen de doelstelling van een

doeltreffende bescherming van de Europese

vogelstand ()."

14.Het hof is van oordeel dat de Vogelrichtlijn te dezen niet

van toepassing is, aangezien de Passer montanus saturatus

binnen het Europese grondgebied van de Lid-Staten niet voorkomt

en buiten dat grondgebied legaal is gedood. Op het eerste

gezicht is dit een zeer plausibele uitleg van de Vogelrichtlijn

die blijkens haar considerans immers strekt tot het behoud van

het natuurlijk milieu, met name het instandhouden van het

biologisch evenwicht van de natuurlijk in het wild levende

vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lid-Staten. Het

ligt niet voor de hand dat het doden van ondersoorten die niet

op dat grondgebied natuurlijk in het wild leven dat biologisch

evenwicht zal verstoren.

15.Deze gedachtegang dient mijns inziens echter van de hand te

worden gewezen omdat zij op praktische bezwaren stuit. Zoals

het EG-Hof in de zaak C-202/94 heeft overwogen is het vaak

moeilijk om de verschillende ondersoorten van elkaar te kunnen

onderscheiden. Dat zal zeker gelden als de desbetreffende

vogels zijn gedood en van hun veren zijn ontdaan. De

onderhavige zaak is daarvan een goed voorbeeld. Blijkens de

factuur zouden aan verzoekster Passer montanus saturatus zijn

geleverd, maar de door de AID ingeschakelde vogeldeskundige

heeft slechts kunnen vaststellen tot welke soort de geleverde

vogels behoorden en was kennelijk niet in staat te determineren

met welke ondersoort hij te maken had.

16.De vraag of de Passer montanus saturatus onder de

bescherming van de Vogelrichtlijn valt dient dan ook te worden

beantwoord aan de hand van de door het EG-Hof in de zaak C-

202/94 (Van der Feesten) gegeven regel. Aangezien de Passer

montanus saturatus een ondersoort is van de soort Passer

montanus die - zo begrijp ik althans de passage in het proces-

verbaal van de AID dat de Passer montanus in Nederland voorkomt

- op het Europese grondgebied van de Lid-Staten natuurlijk in

het wild levend voorkomt, dient vorenbedoelde vraag bevestigend

te worden beantwoord.

17.Dat het in het onderhavige geval om dode vogels gaat doet

daar niet aan af. Ingevolge art. 5, aanhef en onder a, en art.

6, eerste lid, Vogelrichtlijn dienen de Lid-Staten immers het

doden van vogels die onder de bescherming van de

Vogelrichtlijn vallen alsmede - kort gezegd - de handel in die

vogels te verbieden. De uitzonderingen in het tweede en derde

lid van artikel 6 zijn niet van toepassing, aangezien deze geen

betrekking hebben op de Passer montanus. (Zie ook het arrest

van het Hof van Beroep te Antwerpen, 10e kamer, van 30 juni

1998, nr 998.)

18.De overwegingen die het hof aan de vrijspraak ten grondslag

heeft gelegd berusten derhalve op een verkeerde uitleg van de

Vogelrichtlijn en de uitspraak van het EG-Hof in zaak C-202/94.

19.Het hof heeft voorts miskend dat het enkele feit dat een

vogel niet onder de bescherming van de Vogelrichtlijn valt niet

zonder meer meebrengt dat de Vogelwet 1936 evenmin op de

desbetreffende vogel van toepassing is (vgl. HR 8 september

1998, NJ 99,76). Het hof had er dan ook beter aan gedaan om

deze problematiek te benaderen niet vanuit de

Europeesrechtelijke maar vanuit de nationaalrechtelijke

invalshoek. Dat had tot de volgende redenering geleid.

20.Aan verzoekster is tenlastegelegd overtreding van art. 7

Vogelwet 1936, welk artikel als volgt luidt:

"Het is verboden beschermde vogels, vogels als

bedoeld in artikel 2 of produkten van vogels

onder zich te hebben, te koop te vragen, te

kopen, te koop aan te bieden, ten verkoop

voorhanden of voorradig te hebben, te verkopen,

af te leveren, te vervoeren, ten vervoer aan te

bieden, tentoon te stellen of binnen of buiten

het grondgebied van Nederland te brengen."

21.Ingevolge art. 1, aanhef en onder 2°, van de Vogelwet 1936

worden onder beschermde vogels verstaan:

"alle vogels, welke behoren tot een der

Europa in het wild levende soorten, met

uitzondering van de tamme duiverassen, de tamme

knobbelzwanen en de in artikel 2 van de Jachtwet

genoemde vogels."

22.In het Vogelbesluit 1994 wordt in art. 1, eerste lid aanhef

en onder c, dezelfde definitie van beschermde vogels gehanteerd

als in de Vogelwet 1936. De toelichting bij het Vogelbesluit

1994 houdt met betrekking tot deze definitie in:

"De definitie van beschermde vogels

overgenomen uit de Vogelwet 1936. Onder dit

begrip worden alle vogels begrepen welke behoren

tot in Europa in het wild levende soorten. Dat

betekent dat ook vogels die behoren tot een

bepaalde variant of ondersoort van de soort

behoren tot de beschermde vogels. Daarbij maakt

het niet uit of de betreffende variant wel of

niet in Europa voorkomt. Een soort wordt gevormd

door alle varianten en ondersoorten."

23.Voorts is nog van belang art. 3, aanhef en onder 1°,

Vogelwet 1936 waarin is bepaald dat die wet onder vogels mede

begrijpt:

"lichamen van dode vogels en delen van vogels

dan niet geprepareerd of op andere wijze

geschikt gemaakt om duurzaam te worden bewaard".

24.Nu de Passer montanus saturatus een ondersoort is van de in

Europa in het wild levende soort Passer montanus volgt uit de

toelichting bij art. 1, aanhef en onder c, Vogelbesluit 1994

dat het hier vogels betreft die behoren tot de beschermde

vogels als bedoeld in art. 1, aanhef en onder 2°, Vogelwet

1936. Dat het gevilde en ingevroren exemplaren betreft doet

daar - gelet op het bepaalde in art. 3, aanhef en onder 1°,

Vogelwet 1936 - niet aan af.

25.'s Hofs kennelijke oordeel dat geen sprake is van een

"beschermde vogel" in de zin van art. 1, aanhef en onder 2°,

Vogelwet 1936 getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting.

26.Door uit te gaan van een onjuiste uitleg van het begrip

"beschermde vogels" heeft het hof de grondslag van de

tenlastelegging verlaten. Dat betekent dat de procureur-

generaal ontvankelijk is in het door hem ingestelde beroep, dat

het middel terecht is voorgesteld en dat de bestreden uitspraak

moet worden vernietigd.

De beoordeling van het verweerschrift in cassatie

1.Nu het cassatieberoep mijns inziens ontvankelijk is, komt het

namens verzoekster ingediende verweerschrift - dat immers is

ingediend onder het voorbehoud dat het cassatieberoep

ontvankelijk mocht zijn - voor bespreking in aanmerking.

2.Voorzover in het verweerschrift wordt betoogd dat buiten

Europa legaal gedode niet-Europese ondersoorten niet onder de

bescherming van de Vogelrichtlijn vallen, verwijs is naar

hetgeen ik hiervoor onder 14 tot en met 17 heb overwogen. De

vergelijking met de uitspraak van het EG-Hof van 8 februari

1996 in zaak C-149/94 gaat niet op, omdat het in die zaak ging

om vogels die in gevangenschap waren geboren en gekweekt en dus

nooit natuurlijk in het wild hadden geleefd. Niet blijkt dat

dit ook geldt voor de vogels waar het in de onderhavige zaak om

gaat.

3.In het verweerschrift wordt voorts nog aangevoerd dat de

bepalingen van de Vogelwet 1936 in strijd zijn met art. 30 EG-

verdrag aangezien de handel in buiten de EG legaal gedode

ringmussen in Zuid-Europese landen vrij is.

4.Ingevolge art. 30 EG-verdrag zijn kwantitatieve

invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking

tussen de Lid-Staten verboden. Dat de invoer van buiten de EG

legaal gedode ringmussen in Zuid-Europa vrij zou zijn - zoals

wordt gesteld -, levert echter geen kwantitatieve

invoerbeperking of maatregel van gelijke werking "tussen

Lid-Staten" op, aangezien het hier om de vrije

verhandelbaarheid gaat. Het beroep op art. 30 EG-verdrag gaat

derhalve niet op; hierin onderscheidt de onderhavige zaak zich

van het geval dat aan de orde was in HR 15 december 1998, NJ

1999, 553 m.nt. B.H. ter Kuile.

5.Dat ingevolge art. 1, aanhef en onder b, van de Beschikking

van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie

met betrekking tot de bescherming van de vogelstand van 10

augustus 1972 de Passer montanus niet is aangewezen als

beschermde vogelsoort in de zin van art. 7 van de Overeenkomst

tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en

het Groothertogdom Luxemburg op het gebied van de jacht en de

vogelbescherming is niet van belang. De aanhef van art. 1 van

de Tweede Beschikking van het Comité van Ministers van de

Benelux Economische Unie tot wijziging van de Benelux-

Overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming

van 18 juni 1990 houdt immers in dat de Overeenkomst het

bepaalde in de Vogelrichtlijn onverlet laat.

6.Hetgeen in het verweerschrift in cassatie wordt aangevoerd

treft dus geen doel.

7.Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden

uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te

Amsterdam, Economische Kamer, teneinde de zaak op het bestaande

hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG