Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4605

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2000
Datum publicatie
26-07-2001
Zaaknummer
R98/102HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4605
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 57
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 57ab
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 54
NJ 2000, 256
RvdW 2000, 32
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R98/102HR (Aruba) Mr Strikwerda

Zt. 12 nov. 1999 conclusie inzake

1. [eiser 1]

2. [eiser 2]

tegen

[verweerder]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig ingestelde principale cassatieberoep berust op één middel.

2. Het middel neemt, vanuit verschillende invals-hoe-ken, stel-ling tegen het oordeel van het Hof (in r.o. 3 van het be-stre-den vonnis) dat [eiser 2] in de akte van borg-tocht de schuld uit geldle-ning van [eiser 1] bevestigt.

3. Het middel faalt. 's Hofs oordeel, dat in deze procedure dient te worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen [verweerder] aangevoerd, berust enerzijds op een aan het Hof, als feitenrechter, voor-behouden waardering van het-geen partij-en omtrent de feite-lijke toedracht van de gebeurte-nissen in 1994 en 1995 hebben gesteld en anderzijds op een eveneens aan het Hof voorbehouden uitleg van de door [verweerder] in het geding gebrachte bewijsmiddelen, waaronder de akte van borg-tocht. Dat het Hof de door bewijs-middelen ondersteunde feiten-lezing van [verweerder] aannemelijk heeft geoordeeld en het-geen [eisers] daar tegen-over hebben gesteld als onge-moti-veerd en onwaar-schijnlijk heeft verworpen, is, in het licht van de gedingstukken, niet onbegrijpelijk.

4. Over de afzonderlijk door het middel opgeworpen klachten merk ik nog het volgende op. Anders dan het middel kennelijk wil betogen, is voor de rechtsgeldigheid en/of de bewijs-kracht van de akte van borgtocht niet vereist dat de titel van de schuld, waar-voor de borg zich sterk maakt, daarin wordt ver-meld, noch dat de akte mede wordt ondertekend door de hoofd-schul-denaar. Vgl. wat dit laatste betreft art. 1842 lid 1 en art. 1858 lid 1 Arubaans BW. Dat de akte van borgtocht haastig zou zijn opgemaakt, behoefde het Hof er niet van te weerhou-den, aan het bestaan en de inhoud van de akte beteke-nis toe te kennen bij beoorde-ling van de vraag of de feitenle-zing van [verweerder] aanneme-lijk geacht kan worden. Dat het Hof de stelling van [eiser 2], dat de akte onder het dreigement van [verweerder] om het schip vast te houden zou zijn tot stand gekomen, als niet feitelijk onderbouwd heeft verworpen, is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Wat het middel ter toelichting op die stelling nog aanvoert, kan - wat daar verder ook van zij - als ontoelaatbaar novum in cassatie niet dienen als feitelijke grondslag van het middel.

5. Aangezien de aangevoerde klachten naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoor-ding van rechtsvra-gen in het belang van de rechtseenheid of de rechts-ontwikke-ling, bepleit ik verwerping van het beroep met toepas-sing van art. 101a RO.

6. Het incidenteel ingestelde cassatieberoep berust op twee middelen.

7. Het eerste middel (verweerschrift, blz. 2/3) is voorwaarde-lijk voorgesteld. De voorwaarde waaronder het is voorgesteld, te weten dat de Hoge Raad gevolgen verbindt aan de door het middel bedoelde onjuistheden in het bestreden vonnis, is naar mijn oordeel niet vervuld. Die onjuistheden betreffen m.i. slechts kennelijke verschrijvingen. Het middel behoeft daarom geen behandeling.

8. Het tweede middel (verweerschrift, blz. 8/9) klaagt over de afwijzing door het Hof van de door [verweerder] mede gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Het middel stelt zich op het standpunt dat het Hof deze kosten had moeten toewijzen, nu [eisers] die kosten niet hebben betwist, althans zou zijn beslissing op dit punt onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat het Hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtengang die tot ontzegging heeft geleid.

9. De rechtsklacht faalt. Blijkens HR 22 januari 1993, NJ 1993, 597 nt. HJS geldt zowel voor het Nederlandse als voor het Antilliaanse procesrecht dat de rechter de bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten ambtshalve kan matigen.

10. De motiveringsklacht treft naar mijn oordeel evenwel doel. Uit het bestreden vonnis blijkt niet op grond waarvan het Hof heeft gemeend dat de door [verweerder] medegevorderde buitenge-rechtelijke kosten niet kunnen worden toegewezen, c.q. tot nihil moeten worden gematigd. Met name is niet duidelijk of de beslissing van het Hof berust op het oordeel dat [verweerder] niet of onvoldoende heeft aangegeven waaruit de verschuldigd-heid van de gevorderde buitengerech-telijke kosten voortvloeit, dan wel op de mati-gingsbevoegdheid van het Hof.

De conclusie strekt

in het principaal beroep: tot verwerping met toepassing van art. 101a RO;

in het incidenteel beroep: tot vernietiging van het bestreden vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en tot verwijzing van de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,