Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4432

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2000
Datum publicatie
16-01-2003
Zaaknummer
C98/185
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4432
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 510
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 37
NJ 2000, 533 met annotatie van K.F. Haak
RvdW 2000, 27
S&S 2000, 73
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C98/185HR Mr Strikwerda

Zt. 29 okt. 1999 conclusie inzake

C.V. Scheepvaartonderneming

"Hudsongracht"

tegen

Delta Lloyd

Schadeverzekering N.V.

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gaat in deze zaak om de vraag wie jegens de vervoerder gerechtigd is tot uitoefening van het uit een cognossement voortvloeiende recht op vergoeding van schade aan de onder het cognossement vervoerde goederen, de ontvangstexpediteur of zijn opdrachtgever.

2. Voor zover thans in cassatie van belang, liggen de feiten als volgt (zie r.o. 3 van het arrest van het Hof in verbinding met r.o. 1 van het tussenvonnis van de Rechtbank van 19 augustus 1992).

(i) Op of omstreeks 7 oktober 1989 heeft thans eiseres tot cassatie, hierna: Hudsongracht, te Ilheus, Brazilië, ten vervoer naar Rotterdam overgenomen een zending van 3.696 kartons meloenen, voor welk vervoer Hudsongracht een schoon cognossement heeft afgegeven. Het vervoer heeft plaatsgevonden met het m.s. "Hudsongracht".

(ii) Het cognossement is blanco geëndosseerd aan Gebr. [endossant] B.V., hierna: [endossant]. Deze heeft het van haar stempel voorzien, ondertekend en overhandigd aan [ontvangstexpediteur] [..], die het cognossement heeft ondertekend en van haar stempel met daarbij de letters "p.p." heeft voorzien.

(iii) De "Hudsongracht" is op of omstreeks 4 november 1989 in Rotterdam aangekomen, waar de kartons zijn afgeleverd aan [ontvangstexpediteur].

(iv) Bij aflevering bleek de partij - onder meer door rottingsverschijnselen - beschadigd. De schade is getaxeerd op minimaal f 56.397,75 en maximaal f 100.749,75, telkens inclusief expertisekosten.

(v) [Endossant] had de partij verzekerd bij thans verweerster in cassatie, hierna: Delta Lloyd, en 84 andere verzekeringsmaatschappijen. Deze hebben schadepenningen aan [endossant] uitgekeerd. Bedoelde 84 verzekeringsmaatschappijen hebben de rechten van [endossant], waarin zij zijn gesubrogeerd, aan Delta Lloyd gecedeerd. Ook [endossant] zelf heeft haar rechten wegens de geleden schade, voor zover niet door de verzekeraars vergoed, aan Delta Lloyd gecedeerd.

(vi) Hudsongracht heeft aan Delta Lloyd van de schade een bedrag van f 28.000,- voldaan.

3. Delta Lloyd heeft, als gesubrogeerde in de rechten van [endossant] en als cessionaris van [endossant] en de overige verzekeraars, Hudsongracht op 17 januari 1991 gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam tot vergoeding van de geleden schade, minus het reeds betaalde bedrag van f 28.000,-.

4. Hudsongracht heeft de vordering op verschillende gronden bestreden. Voor zover thans nog van belang voerde zij onder meer aan dat [endossant] geen vorderingsrechten uit het cognossement toekomt, aangezien niet [endossant] maar [ontvangstexpediteur] als recht- en regelmatig cognossementshouder de kartons met meloenen in ontvangst heeft genomen.

5. Delta Lloyd heeft dit verweer bestreden met de stelling dat [ontvangstexpediteur] weliswaar de kartons feitelijk in ontvangst heeft genomen, maar dat zij dit als gevolmachtigde van [endossant] heeft gedaan.

6. Bij (eind-)vonnis van 29 juni 1994 heeft de Rechtbank het verweer van Hudsongracht gegrond geoordeeld en de vordering van Delta Lloyd afgewezen. Zij overwoog daartoe onder meer dat voor Hudsongracht weliswaar duidelijk was dat [ontvangstexpediteur] bij de presentatie van het cognossement als gevolmachtigde optrad, maar niet voor wie zij dat deed en met name niet dat zij dat namens [endossant] deed, zodat [endossant] niet gerechtigd was tot uitoefening van het recht op vergoeding van schade aan de onder het cognossement vervoerde goederen.

7. Op het hoger beroep van Delta Lloyd kwam het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 12 februari 1998 tot een ander oordeel. Volgens het Hof is de kernvraag in deze wie ingevolge de wet (hier: art. 510 oud K) uitsluitend aan de recht- en regelmatig houder van een cognossement toekomende vorderingsrechten kan uitoefenen, te weten [endossant] of de door [endossant] ingeschakelde ontvangstexpediteur [ontvangstexpediteur] (r.o. 4.1). Het Hof oordeelde dat dit [endossant] is en overwoog daartoe het volgende.

"4.3. (...). De door [endossant] op de rugzijde van het cognossement gestelde (firmastempel met) handtekening is niet anders aan te merken dan als een blanco endossement. Nu uit het cognossement ook overigens niet blijkt dat de aanbieder daarvan enkel als gemachtigde van [endossant] optreedt, is die aanbieder - [ontvangstexpediteur] - degeen die tegenover de vervoerder - Hudsongracht - overeenkomstig de inhoud van het cognossement als houder daarvan gelegitimeerd is.

4.4. Daarmee had/heeft [ontvangstexpediteur] tegenover Hudsongracht als recht- en regelmatig houder van het cognossement - en dus als claimgerechtigde - te gelden, tenzij [ontvangstexpediteur] - zoals door Delta Lloyd in hoger beroep alsnog gesteld is, doch door Hudsongracht betwist wordt - bij of voor de presentatie van het cognossement aan Hudsongracht op ondubbelzinnige wijze te kennen heeft gegeven enkel als gevolmachtigde van de recht- en regelmatig houder van het cognossement - [endossant] - op te treden en dus slechts namens deze de goederen in ontvangst te (zullen) nemen."

Op grond van de in r.o. 4.5 genoemde feiten en omstandigheden kwam het Hof tot de conclusie dat [ontvangstexpediteur] vóór presentatie van het cognossement uitdrukkelijk aan Hudsongracht heeft medegedeeld als gevolmachtigde van [endossant] te zullen optreden en dat Hudsongracht [endossant] dienovereenkomstig ook als de recht- en regelmatig houder van het cognossement heeft aangemerkt. Naar 's Hofs oordeel trad [ontvangstexpediteur] dus enkel op als gevolmachtigde van [endossant], zodat [endossant] claimgerechtigde is.

8. Hudsongracht is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit verscheidene onderdelen opgebouwd middel, dat door Delta Lloyd is bestreden, met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

9. Onderdeel 1 van het middel bevat geen klacht.

10. Onderdeel 2 is opgebouwd uit verscheidene subonderdelen en neemt in de eerste plaats met rechts- en motiveringsklachten stelling tegen - wat ik kort zal aanduiden als - de "regel-uitzondering constructie" die het Hof in r.o. 4.3 t/m 4.5 van zijn arrest heeft toegepast.

11. Uitgangspunt bij de beoordeling van die klachten moet zijn, dat ingevolge art. 510 lid 1 (oud) K, evenals onder het thans geldende art. 8:441 lid 1 BW, de vervoerder de onder cognossement vervoerde zaken dient af te leveren aan de recht- en regelmatig houder van het cognossement en dat deze houder bij uitsluiting gerechtigd is tot uitoefening van het recht op vergoeding van schade aan de onder het cognossement vervoerde zaken. Zie HR 8 november 1991, NJ 1993, 609 nt. JCS ("Brouwersgracht"). Zie voorts W. Snijders, De expediteur als tussenpersoon bij zeevervoer en de positie van de cognossementshouder, RM Themis 1969, blz. 3 e.v., blz. 26/27; H. Boonk, Zeevervoer onder cognossement, 1993, blz. 27/28; dez., Zeerecht en IPR, 1998, blz. 149; M.H. Claringbould, Het schip en zijn cognossementen, oratie RUL, 1996, blz. 3-8.

12. Op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen. Deze doen zich met name voor als niet de cognossementshouder zelf het cognossement aan de vervoerder aanbiedt, maar een door de cognossementshouder ingeschakelde ontvangstexpediteur. Daarbij moeten twee gevallen worden onderscheiden.

13. In het ene geval (hierna: geval A) neemt de ontvangstexpediteur onder aanbieding van een blanco ge-ëndosseerd cognossement aan order (dat in feite een cognossement aan toonder is; vgl. Claringbould, a.w., blz. 12) de lading in ontvangst. Hij handelt op eigen naam, doch in opdracht en voor rekening van een ander. Er is dus sprake van middellijke vertegenwoordiging. Een echte uitzondering op het uitgangspunt levert dit geval niet op, aangezien de ontvangstexpediteur, doordat het cognossement blanco is geëndosseerd aan order, regelmatig houder van het cognossement is geworden, terwijl zijn opdrachtgever deze hoedanigheid door het endossement heeft verloren. Zie HR 16 januari 1998, NJ 1999, 284 nt. M.H. Claringbould ("Enarxis"), r.o. 4.4. Zie voorts Snijders, a.w., blz. 29; Claringbould, a.w., blz. 23, die in navolging van Cleveringa, Zeerecht, 1961, blz. 620, spreekt van een "schijnuitzondering"; Boonk, a.w. 1998, blz. 149 en 284.

14. In het andere geval (hierna: geval B) handelt de ontvangstexpediteur in naam van zijn opdrachtgever. Er is dus sprake van directe vertegenwoordiging. De volmacht kan blijken uit het cognossement (geval B.1), maar dat hoeft niet. Dat de ontvangstexpediteur optreedt als gevolmachtigde kan ook op andere wijzen kenbaar gemaakt worden (geval B.2). In dit laatstbedoelde geval geldt het zgn. Brouwersgrachtcriterium: óf de ontvangstexpediteur als gevolmachtigde optreedt, moet vóór of bij de aanbieding van het cognossement ondubbelzinnig aan de vervoerder te kennen worden gegeven (HR 8 november 1991, NJ 1993, 608 nt. JCS, r.o. 3.2).

15. Geval A sluit geval B uit, en omgekeerd. De gevolmachtigde kan immers niet tegelijkertijd zelf cognossementshouder zijn. Zie de conclusie OM (A-G Asser) onder 2.14 voor HR 8 november 1991, NJ 1993, 609 nt. JCS ("Brouwersgracht"), en de conclusie OM (A-G Bakels) onder 7.12 voor HR 16 januari 1998, NJ 1999, 284 nt. M.H. Claringbould ("Enarxis").

16. Welk geval stond het Hof voor ogen? In r.o. 4.3 overweegt het Hof dat het op de rugzijde van het cognossement door [endossant] gestelde (firmastempel met) handtekening "niet anders is aan te merken als een blanco endossement". Nu uit het cognossement ook overigens niet blijkt dat de aanbieder daarvan enkel als gemachtigde van [endossant] optreedt, is, zo vervolgt het Hof, [ontvangstexpediteur] degeen die tegenover Hudsongracht overeenkomstig de inhoud van het cognossement als de houder daarvan is gelegitimeerd. Daaraan verbindt het Hof in r.o. 4.4 de conclusie dat [ontvangstexpediteur] tegenover Hudsongracht als recht- en regelmatig houder van het cognossement - en dus als claimgerechtigde - had/heeft te gelden.

17. Het gaat in de visie van het Hof dus kennelijk om geval A: aangezien de door [endossant] op de rugzijde van het cognossement gestelde handtekening niet anders kan worden beschouwd dan als een blanco endossement (en dus niet als een volmacht of een handtekening voor kwijting), is [ontvangstexpediteur] regelmatig houder van het cognossement geworden, terwijl [endossant] deze hoedanigheid heeft verloren. Van directe vertegenwoordiging kan dan geen sprake zijn; er kan hooguit sprake zijn van middellijke vertegenwoordiging.

18. Het Hof acht echter niet uitgesloten, zo blijkt uit het vervolg van r.o. 4.4, dat [ontvangstexpediteur], ondanks het feit dat zij als regelmatig cognossementshouder heeft te gelden, bij de aanbieding van het cognossement aan Hudsongracht als gevolmachtigde van [endossant] is opgetreden, en past daarbij het zgn. Brouwersgrachtcriterium toe. Het Hof heeft dus ofwel aangenomen dat geval A geval B niet uitsluit, ofwel gemeend dat het Brouwersgrachtcriterium ook in geval A toepasbaar is.

19. In beide lezingen getuigt het oordeel van het Hof naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting. Waar het Hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld dat de handtekening van [endossant] op de rugzijde van het cognossement niet anders is aan te merken dan als een endossement (en dus niet als een volmacht of een handtekening voor kwijting), kon [ontvangstexpediteur] tegenover Hudsongracht slechts als cognossementshouder gelden. Zij kan dan niet tegelijkertijd gevolmachtigde zijn. Aangezien het Brouwersgrachtcriterium slechts betrekking heeft op het geval dat de inhoud van het cognossement geen uitsluitsel geeft over de vraag of de aanbieder van het cognossement op eigen naam dan wel als gevolmachtigde optreedt, kan dat criterium, nu naar 's Hofs vaststelling het cognossement in het onderhavige geval over die vraag wel uitsluitsel gaf, geen rol meer spelen.

20. Naar mijn mening zijn de in onderdeel 2 van het middel geformuleerde rechtsklachten tegen de door het Hof toegepaste "regel-uitzondering constructie" derhalve gegrond en kan het bestreden arrest niet in stand blijven. De overige klachten van het onderdeel, die zich richten tegen hetgeen het Hof heeft overwogen en beslist met betrekking tot de vraag of in het onderhavige geval aan het Brouwersgrachtcriterium is voldaan en die dus kennelijk een subsidiair karakter hebben, behoeven dan geen behandeling.

21. Na vernietiging kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen. Uitgaande van het in cassatie niet bestreden oordeel van het Hof dat de door [endossant] op de rugzijde van het cognossement gestelde (firmastempel met) handtekening niet anders is aan te merken dan als een blanco endossement en dat uit het cognossement ook overigens niet blijkt dat de aanbieder daarvan als gemachtigde van [endossant] optreedt, is [ontvangstexpediteur] als regelmatig houder van het cognossement te beschouwen. Uitsluitend [ontvangstexpediteur] is derhalve gerechtigd tot uitoefening van het uit het cognossement voortvloeiende recht op vergoeding van schade aan de onder het cognossement vervoerde goederen. Hierop stuiten beide door Delta Lloyd aangevoerde appelgrieven af, zodat het beroepen (eind-)vonnis van de Rechtbank, met verbetering van gronden, bekrachtigd dient te worden.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als is weergegeven onder 21.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,