Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4430

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C99/061HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4430
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 100
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 177
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 213
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 41
NJ 2000, 255
RvdW 2000, 29
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C99/061 mr De Vries Lentsch - Kostense

Zitting 22 oktober 1999 Conclusie inzake

[Koper]

tegen

Electrotechnisch Bureau

[verkoper] v.o.f.

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1. Thans eiseres tot cassatie (verder: [koper]) komt op tegen het eindvonnis van de Kantonrechter te Groenlo van 21 september 1998, waarbij zij op vordering van thans verweerster in cassatie, [verkoper], is veroordeeld tot betaling van f 675,- vermeerderd met de wettelijke rente over f 575,-.

2. Bij inleidende dagvaarding van 6 mei 1998 had [verkoper], in cassatie niet verschenen, [koper] aangesproken tot betaling van f 575,- met wettelijke rente en van f 200,- buitengerech-telijke incasso-kosten. Zij stelde daartoe dat [koper] bij haar op 9 april 1996 een ijskast, een vrieskast en verlichting heeft gekocht voor een (totaal)bedrag van f 1.398,-, dat zij de ijskast twee dagen later aan het door [koper] opgegeven adres heeft afgeleverd, dat [koper] - conform afspraak - een aantal deelbetalingen heeft gedaan, doch dat [koper] heeft geweigerd het nog openstaande bedrag van f 575,- te betalen. [Koper] heeft gemotiveerd verweer gevoerd; zij voerde onder meer aan dat zij nimmer in de winkel van [verkoper] is geweest en dat van aflevering op 11 april 1996 op het door [verkoper] genoemde adres geen sprake kan zijn geweest omdat zij op die datum geen toegang had tot bedoelde woning nu zij deze pas op 1 mei 1996 heeft gehuurd.

3. De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 14 september 1998 [verkoper] toegelaten tot het bewijs van - kort gezegd - de door haar gestelde koopovereenkomst.

Ter voldoening aan haar bewijsopdracht heeft [verkoper] twee getuigen doen horen, [getuige 1] en [getuige 2]. [Koper] heeft zichzelf als partijgetuige doen horen. Van de getuigen-verhoren zijn aantekeningen gemaakt die zich in het dossier bevinden. De Kantonrechter heeft ter zitting tegen alle getui-gen proces-verbaal van meineed opgemaakt; deze processen-verbaal bevinden zich bij de stukken. In zijn eindvonnis vermeldt de Kantonrechter dat tegen alle getuigen aangifte van meineed is gedaan. Kennelijk zonder af te wachten wat op die aangiften zou volgen, althans zonder aan die afloop te refere-ren, heeft de Kantonrechter op grond van de getuigenverkla-ringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij eindvon-nis geconcludeerd dat [verkoper] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs en heeft hij [koper] veroordeeld tot beta-ling van de gevorderde f 575, met wettelijke rente en tot betaling van f 100,- aan buitengerechtelijke incasso-kosten.

Het cassatiemiddel

4. Met name gezien het slot van het middel, gelezen in verband met de in de cassatiedagvaarding opgenomen "toelich-ting", begrijp ik dat het middel beoogt te betogen dat het vonnis in motivering tekortschiet doordat het niet in de zin van art. 100 lid 1 onder 1 RO de gronden inhoudt waarop het berust. Ik ga althans ervan uit dat het middel - ondanks de in de aanhef gebruikte woorden "schending althans verkeerde toepassing van het recht" - niet de bedoeling heeft te klagen over "schending van het recht", een cassatiegrond die art. 100 RO niet toelaat. Deze beperkte toetsingsmogelijkheid van art. 100 RO brengt mee - ik citeer de annotator Heemskerk - dat "een evident onjuist kantongerechtvonnis in cassatie niet kan worden aangetast, als de motivering op zichzelf consistent is, inzicht geeft in de door de rechter gevolgde gedachtengang, ingaat op alle relevante stellingen van pp., niet onbegrijpe-lijk, onvolledig of innerlijk tegenstrijdig is, en de daarop gebaseerde conclusie kan dragen. De rechter geeft wel een openbare verantwoording van zijn oordeel, maar verificatie daarvan moet achterwege blijven." (Zie Heemskerk in zijn noot onder Uw arrest van 29 juni 1979, NJ 1979, 524.) Dat art. 100 RO aldus een vreemde bepaling is met ongewenste consequenties, is al vaak genoeg betoogd. Art. 100 RO is ook een moeilijk te hanteren bepaling omdat niet goed is af te bakenen wanneer een klacht wel of niet door de bepaling wordt bestreken. Uw Raad heeft dan ook - om met Vranken te spreken - "een derde catego-rie klachten tussengevoegd, zijnde motiveringsklachten "die niet beoordeeld kunnen worden zonder daarin mede te betrekken de juistheid van de rechtsopvattingen, waarvan de kantonrech-ter is uitgegaan", zoals de formulering steevast luidt." (Zie Vranken in zijn noot onder Uw arrest van 11 januari 1991, NJ 1991, 595. Zie ook Haardt in zijn noot onder Uw arrest van 11 december 1987, NJ 1988, 338 en voorts Veegens-Korthals Altes- Groen, Cassatie, 1989, nr. 123 en 124.) Bij de bespreking van het middel moet onder ogen worden gezien of het middel zuivere motiveringsklachten bevat en of die klachten slagen.

5. Het middel bevat de klacht dat onbegrijpelijk is dat de Kantonrechter enerzijds zowel tegen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] als tegen de getuige [koper] aangifte van meineed heeft gedaan, doch anderzijds op grond van de getuigenverkla-ringen van diezelfde [getuige 1] en [getuige 2] tot de conclu-sie is gekomen dat [verkoper] in haar bewijsopdracht is ge-slaagd zonder af te wachten wat het onderzoek naar aanleiding van de aangifte van meineed zou opleveren. Het vonnis bevat derhalve niet de gronden waarop het berust, aldus het middel.

Hier is sprake van een motiveringsklacht die naar mijn oordeel slaagt. Het vonnis van de Kantonrechter bevat inder-daad niet in de zin van art. 100 RO de gronden waarop het berust: het vonnis van de Kantonrechter is innerlijk tegen-strijdig en onbegrijpelijk doordat enerzijds wordt overwogen dat tegen alle getuigen aangifte van meineed is gedaan doch anderzijds, zonder enige nadere overweging omtrent hetgeen op die aangiften is gevolgd, wordt geconcludeerd dat door de verklaringen van de door eiser voorgebrachte getuigen afdoende is bewezen wat te bewijzen was opgedragen.

Voorzover het middel beoogt te betogen dat de Kantonrech-ter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat hij niet zijn beslissing heeft aangehouden totdat op de aangiften van meineed was beslist, stuit deze klacht af op art. 100 RO.

De overige in het middel vervatte motiveringsklachten behoeven geen bespreking.

Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden eind-vonnis van de Kantonrechter en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden