Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2000:AA4281

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-01-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/249HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2000:AA4281
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 27
NJ 2000, 188
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C 98/249 HR Mr. Bakels

Zitting 22 oktober 1999 Conclusie inzake

(bij vervroeging)

[de moeder]

t e g e n

DE STICHTING JEUGDZORG

(niet verschenen)

Edelhoogachtbaar college,

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in dit kort geding, waarin [de moeder] in hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens gebrek aan belang ten gevolge van tussentijds gewijzigd omstandigheden, om de vraag of het hof haar op die grond mocht veroordelen in de gedingkosten, dan wel had behoren te onderzoeken of de door [de moeder] nagestreefde voorzieningen in eerste instantie terecht waren geweigerd.

1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten en omstandigheden.

(a) [De moeder] is de moeder van de minderjarige [dochter], geboren op 18 april 1985. [De moeder] heeft het ouderlijk gezag over [de dochter].

(b) Op grond van de verdenking dat [de moeder] [de dochter] geregeld mishandelde, is laatstgenoemde bij beschikking van de kinderrechter te 's-Gravenhage van 2 november 1994 voorlopig onder toezicht gesteld. De rechtsvoorgangster van Jeugdzorg is tot gezinsvoogdes benoemd. Tevens werd [de dochter] uit huis geplaatst.

(c) Bij beschikking van de voornoemde kinderrechter van 13 december 1994 hebben de voormelde ondertoezichtstelling en voogdij een definitief karakter gekregen.

(d) Bij beschikking van voornoemde kinderrechter van 5 december 1995 is de termijn van ondertoezichtstelling van [de dochter] met een jaar verlengd, evenals de machtiging tot haar uithuisplaatsing.

(e) Bij beschikking van voornoemde kinderrechter van 10 december 1996 is het verzoek van Jeugdzorg tot verdere verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen en het verzoek van [de moeder] tot opheffing daarvan toegewezen, nadat [de dochter] na een weekendbezoek op 30 augustus 1996 bij [de moeder] is gebleven en niet is teruggekeerd naar het pleeggezin waarin zij toen verbleef. Deze beschikking is bekrachtigd door het gerechtshof te 's-Gravenhage op 10 september 1997.

1.3 Tegen de achtergrond van de onder (a)-(d) vermelde vaststaande feiten heeft [de moeder] op 11 december 1995 Jeugdzorg in kort geding gedagvaard voor de president van de rechtbank te 's-Gravenhage. Zij vorderde, kort gezegd, dat de president Jeugdzorg zou gebieden haar op een aantal specifieke punten informatie te verstrekken ten aanzien van het wel en wee van [de dochter].

1.4 Nadat Jeugdzorg tegen deze vordering gemotiveerd verweer had gevoerd, heeft de president de gevraagde voorzieningen bij vonnis van 22 december 1995 geweigerd en [de moeder] in de proceskosten veroordeeld. Aan zijn beslissing lag, samengevat weergegeven, ten grondslag dat Jeugdzorg in diverse stadia en op verschillende manieren al uitgebreide informatie over [de dochter] aan [de moeder] hééft verschaft.

1.5 Tegen deze beslissing is [de moeder] in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Zij voerde zes grieven tegen dat vonnis aan. Jeugdzorg heeft de grieven bestreden en heeft bovendien als voorafgaand verweer aangevoerd, dat [de moeder] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar beroep. Zij heeft immers geen belang meer bij de door haar verlangde voorzieningen, aangezien [de dochter] inmiddels weer bij haar woont.

1.6 Bij arrest van 26 juni 1998 heeft het hof dit prealabele verweer gegrond geacht. Daarom heeft het [de moeder] niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep en haar tevens in de kosten van het geding in hoger beroep veroordeeld, omdat het hof oordeelde dat [de moeder] als de in het ongelijk gestelde partij diende te worden beschouwd. Bij herstelarrest van 4 september 1998 heeft het hof voorts nog een thans niet ter zake dienende correctie aangebracht in het dictum van zijn arrest van 26 juni 1998.

1.7 Tegen dit arrest is [de moeder] tijdig en onder aanvoering van één middel in cassatie gekomen. Jeugdzorg is in cassatie niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. [De moeder] heeft het beroep vervolgens schriftelijk doen toelichten.

2. Beoordeling van het middel

2.1 Het cassatiemiddel bestrijdt terecht niet de beslissing van het hof om [de moeder] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep te verklaren, nu haar belang bij de verlangde voorzieningen is komen te vervallen.1

2.2 Hieruit volgt echter niet, zoals het hof kennelijk heeft geoordeeld, dat op die enkele grond [de moeder] mocht worden beschouwd als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij. Ook onder zodanige omstandigheden dient de appèlrechter immers te onderzoeken of de vordering in eerste instantie al dan niet terecht is afgewezen omdat daarvan afhankelijk is wie de kosten van het hoger beroep dient te dragen.2

2.3 Het middel is dus terecht voorgesteld, daar het hof is uitgegaan van onjuiste opvatting omtrent art. 56 lid 1, eerste zin, Rv. De Hoge Raad kan de zaak niet zelf afdoen, omdat de voormelde vraag een nader onderzoek naar de feiten vergt.

2.4 De vraag rijst ten slotte of het middel geacht moet worden mede te klagen over de kostenveroordeling in eerste aanleg. Naar de letter kan ik dit niet in het middel lezen, maar naar de strekking ligt zo'n extensieve uitleg voor de hand. Zou deze laatste uitleg worden gevolgd, dan is het middel ook in zoverre gegrond. [de moeder] hield bij een beslissing over de door haar aangevoerde grieven immers in zoverre belang, dat (ook) de kostenveroordeling in eerste aanleg daarvan afhankelijk was.3

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de daarin uitgesproken veroordeling van [de moeder] in de proceskosten en tot verwijzing van de zaak in zoverre naar het gerechtshof te Amsterdam.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 66.

2 HR 27 april 1962, NJ 1962, 193 en HR 24 november 1995, NJ 1996, 163.

3 HR 3 september 1993, NJ 1993, 714; evenzo- in het kader van reeds geïncasseerde dwangsommen - HR 22 januari 1999, NJ 1999, 381.